|
LAND VAN HERKOMST : Duitsland
VARIANTEN : Draadhaar en Stekelhaar
GESCHIEDENIS
Jachthonden moeten kunnen werken in allerlei terrein en weersomstandigheden (dicht struikgewas, rotsen, water, en
kou). De Duitse Staande Hond, Draadhaar of de Deutscher Drahthaariger Vorstehhund moest deze uitdagingen aankunnen
en ontwikkelde een speciale vacht als bescherming. De ruwe vacht is recht en ligt glad aan tegen het lichaam.
Ruige wenkbrauwen en een baard beschermen ogen en gezicht. De wollige ondervacht geeft warmte in de winter. Dit
veelzijdige ras combineert allerlei staande jachthonden, waarbij de beste kwaliteiten van iedere voorouder bewaard
zijn gebleven, zoals een geweldig fijne neus, grote moed en behendigheid. Dit ras werd in zijn geboorteland
Duitsland in 1870 erkend, alhoewel het reeds in middeleeuwse geschriften vermeld wordt. De huidige Duitse
Staande Draadhaar werd gefokt uit de Poedelpointer
en de Korthals Griffon. Hij is
zodanig gehard dat hij hij zich tijdens de jacht niet zal laten weerhouden door braamstruiken waar hij doorheen
moet.
IDEALE RASKENMERKEN
Schofthoogte: reuen 60 tot 67 cm, teven 56 tot 62 cm. Gewicht : 27 tot 32 kg. Uiterlijk: gespierd, stoer
lichaam; soepel, stuwend gangwerk. Vacht : draadhaar, ruw, dicht, aanliggend. Kleur : middel- tot donkerbruin,
bruinschimmel, zwartschimmel; nooit wit. Hoofd: brede schedel met een lange, brede snuit; donkere ogen onder ruige
wenkbrauwen; middelgrote, hoog aangezette, vlak hangende oren. Staart: ingekort, horizontaal gedragen, niet
rechtop.
VACHT : ruwhaar; m.a.w. de dekharen zijn vrij hard van structuur, voelen stevig aan en hebben een heldere
kleur. De wolharen zijn zachter, korter en liggen tegen de huid aan. Ze zijn ook veel lichter van kleur. Wanneer
de vacht rijp is, staan de haren in alle richtingen in bosjes bij elkaar. Dan kan de vacht worden geplukt.
VERHARING : blokverharing. DAGELIJKSE BEHANDELING : borstelen met een grove borstel of met een
speciaal in de hand liggende terriërborstel. Garnituur en poten : met een grove kam. GROTE BEHANDELING :
gebeurt in de ruiperiode ! Deze periode is goed te bepalen. Als u merkt dat de hond wat haar gaat kwijtraken,
kunt u een paar haren tussen duim en wijsvinger nemen en ze met een lichte draaiing van de pols uit de huid
proberen los te trekken. Laat het haar gemakkelijk los, dan is de vacht rijp. Moet u echt trekken, dan is de hond
nog niet aan trimmen toe en kunt u beter nog even wachten met plukken. Gaat men namelijk te vroeg plukken, dan
moet men het haar lostrekken uit het haarzakje en irriteert men daarmee de huid. Een pasgeplukte hond is
meestal geen echte schoonheid. Het mooie komt pas bij het natrimmen, een vier tot acht weken na de grote beurt.
Doordat de vacht eruit gehaald werd, reageert de huid en begint met het aanmaken van wol. De nieuwe vacht
zit dan na enkele weken onder de wollaag. Bij het natrimmen wordt die wollaag weggetrimd, zodat de nieuwe vacht
eronder te voorschijn komt als korte, diepglanzende haartjes. In principe gebruiken we nooit een schaar of
tondeuze bij ruwharige honden. Uitzonderlijk bij de geslachtsdelen, rond de anus en tussen de voetkussentjes.
Voetjes worden rondgeknipt. VOOR- EN NADELEN VAN DE VACHT : de vacht dient getrimd, want op die
manier is de hond in één keer zijn dode haar kwijt.
AARD : de Draadhaar heeft, tot vreugde van zijn eigenaar, een geheel eigen persoonlijkheid. Dit is een
zeer actief ras, dat veel beweging nodig heeft. Zijn jachtkwaliteiten zijn scherp en hij houdt ervan u
te overtuigen van zijn kunnen en gehoorzaamheid. Hij is schrander, staat zijn mannetje, is gemakkelijk af te
richten, gelijkmatig van temperament en lief voor kinderen.
BIJZONDERHEDEN
Een
ras dat hierbij moet worden vermeld, is de Duitse Staande Hond, Stekelhaar ( of Deutscher Stichelhaariger
Vorstehhund, Ruwharige Duitse Staande Hond, Duitse Ruwharige Pointer ).
Ook deze hond werd in de 19de eeuw gefokt. Het is een zeldzame staande jachthond, die veel talent zou
hebben. Het verschil tussen
de Draadhaar
en de Stekelhaar is moeilijk te zien. De huidige 'Stichelhaar' verschilt veel van die uit het oude Duitsland.
Dat het ras veel op
de Griffon lijkt
is geen toeval : kruisingen tussen de twee waren onvermijdelijk en gebeurden veelvuldig. Zelfs vandaag de dag
vertonen het hoofd van de Stichelhaar en de Griffon een treffende gelijkenis. De infusie van het bloed van
de Duitse Herder zorgde voor de
minder smalle en langere snuit van de Stichelhaar. Met al de nadruk op het type vacht is het ironisch dat het
ras een aantal naamsveranderingen heeft ondergaan. Hiermee probeerde men telkens de vacht preciezer te
omschrijven. Straufhaarig (hard-harig) en Stichelhaarig (ruw-harig) zijn de namen die tegenwoordig nog
gebruikt worden. Vele Stichelhaar-exemplaren staan geregistreerd als Drahthaars (draad-harig) en de
verschillen tussen die twee apart erkende rassen worden met de dag kleiner.
DE IDEALE RASKENMERKEN
De Deutscher Stichelhaar heeft een 'draadharige' vacht die zeer matig van lengte is. Kenmerkende eigenschappen
zijn de behaarde kin en wenkbrauwen. De Stichelhaar is middelgroot ( 56 tot 66 cm schofthoogte ) en het
toonbeeld van goede proporties en balans. De vacht meet een bedrieglijke 4 cm, hoewel deze veel korter lijkt,
omdat het haar plat tegen het lichaam ligt. De kwaliteit van de vacht is overduidelijk bij de Stichelhaar, net
als de passende bevedering op de snuit, de wenkbrauwen, de achterpoten en de staart. De kleur van de vacht is
wit met bruin bont patroon. De hond weegt ongeveer een 20 kg.
AARD
De Stichelhaar is een actieve en bekwame hond. Het is een effectieve jachthond, maar ook een trouwe
metgezel. Hij is vriendelijk en heeft behoefte aan de nodige ruimte en lichaamsbeweging.
|