LAND VAN HERKOMST : Frankrijk
Varianten : Grand en Petit
GESCHIEDENIS
De Gascon-Saintongeois ( of de Virelade ) bestaat in twee versies :
de Grand
Gascon-Saintongeois en de Petit Gascon-Saintongeois. Buiten
de schofthoogte en het gewicht zijn er tussen die twee variëteiten geen verschillen. Baron de Virelade
ontwikkelde deze hond, door de weinige overgebleven exemplaren van de Grand Gascon en de Saintongeois te kruisen.
Beide rassen waren grote jachthonden die op herten en ander groot wild jaagden. De Grand
Gascon-Saintongeois kon zich goed aanpassen aan het wild waarop zijn voorouders jaagden. De kleinere
versie van het ras, de Petit Gascon-Saintongeois, werd ontwikkeld om op konijnen en kleiner wild te jagen.
Beide variëteiten behoren tot het ras van de 'lopende honden'. Deze meutehond bij uitstek is zeer snel,
heeft een scherpe neus en een krachtige geblaf. Hij wordt als de beste speurhond voor de haas beschouwd.
De paashaas is gewaarschuwd. Hij is zeer veelzijdig en wordt ook voor de jacht op groot wild ingeschakeld.
Hij heeft een vastberaden baas nodig.
IDEALE RASKENMERKEN
Dit is een robuuste en langbenige Hound met lange, overdreven oren en een knap hoofd met een zeer duidelijke
jachtknobbel, of occiput. Net als bij de meeste speurhonden wordt het driekleurig patroon aangevuld door
tan-vlekken, die alleen op het hoofd voorkomen, en zwarte vlekken op het bovenlichaam. Vaak vindt men
zwarte spikkels over de gehele witte ondergrond. Schofthoogte : Grand - reuen : 65 tot 72 cm en
teven 62 tot 68 cm, met een gewicht van ongeveer 35 kg. Petit - reuen van 52 tot 60 cm en teven van
50 tot 56 cm, met een gewicht van ongeveer 25 kg. Hoofd : fijnbesneden en lang, met een vrij smalle en
gewelfde schedel. Lichte stop en een grote ( iets gebogen ) neusbrug. Goed ontwikkelde neusspiegel.
Ogen : ovaal en donkerbruin. Oren : lager dan de ogen aangezet, lang en dun, gekruld en hangend.
Lichaam : een lang lichaam, met een middellange en niet al te dikke hals. Iets gebogen met een lichte
keelhuid. Diepe, brede borstkas en licht gewelfde ribben. Licht gewelfde lendenen en een vrij lange
flank. Zeer vlakke rug en een brede, tamelijk vlakke croupe. Ledematen : niet erg lange, ovale
voeten met gesloten tenen en zwarte nagels. Sterke benen met stevige botten. Staart : goed aangezet
en zeer smal aan het einde. Wordt sabelvormig gedragen. Vacht : korte en dichte vacht. Kleur :
een witte ondergrond met zwarte vlekken, soms gespikkeld. Meestal twee zwarte vlekken aan de zijkant het
hoofd, die de oren en de ogen bedekken en eindigen bij de wangen. De wangen zijn tan, bij voorkleur
bleek van kleur. Twee tan-aftekeningen boven de wenkbrauwen en een tan-aftekening op de binnenkant van de
oren. Ook tan spikkels op de benen. Soms een 'marque de chevreuil', of een reekleurige aftekening op
de onderkant van de dij.
AARD : deze metgezel heeft een vriendelijk en goedaardig temperament. Buiten Frankrijk komt hij niet
voor, maar in Frankrijk zelf is hij nog steeds een populaire jachthond. Het is werkelijk een buitengewoon
spektakel om een meute van deze grote Hounds in volle draf te zien.
BIJZONDERHEDEN
Deze uitgesproken jachthond past het best in een kennel. Hij heeft veel ruimte en beweging nodig en
moet regelmatig worden geborsteld. |