|
LAND VAN HERKOMST : Engeland
GESCHIEDENIS
In 1260 stelde Sir Elias de Midhope in Engeland de eerste meute Harriers samen. Sommigen beschouwen de Harrier als
een voortzetting van de Southern Hound en de Greyhound;
anderen vinden dat hij een iets kleinere versie van
de
Foxhound is. Nog anderen beweren dat de West County Harrier het resultaat was van de kruising
tussen de Beagle en
de St. Hubertus Hound. In het begin van de 20ste eeuw was er nog maar
één meute van Harriers in West County, Engeland. De Foxhound werd door de plaatselijke bewoners gekruist met
de nog bestaande zuivere exemplaren, om zo het type te redden. Deze toevoeging van Foxhoundbloed maakte deze
langzame, middelgrote hond aanzienlijk sneller. Hoewel de Harrier soms een iets zwaarder hoofd heeft, lijkt
hij in bouw en gedrag sterk op de Foxhound. Hij is echter gespecialiseerd in het achtervolgen van hazen. Ooit werd
te voet gejaagd, maar de mode vereiste snellere honden die paarden konden bijhouden. De grote vraag is, of de naam
van deze meutehond ontleend is aan het Engelse 'hare' (haas) of aan het Normandische 'harier' (hound).
IDEALE RASKENMERKEN
Schouderhoogte: diverse klassen; reuen en teven tot 48 cm of van 48 cm tot 55 cm maximaal. Gewicht : 21 tot 27 kg.
Uiterlijk: sterke, lichte hond; soepel, zelfverzekerd gangwerk. Vacht : glanzend, gladaanliggend, stevig; zachtere
haren op de oren, onderkant van de staart licht bevederd. Kleur : alle kleuren en kleurencombinaties, met of
zonder witte aftekeningen. Hoofd: expressief, niet te lang, tamelijk lange snuit, eerder spits dan vierkant;
middelmatig grote hazelnootkleurige of bruine ogen; laag aangezette hangoren. Staart: lang, hoog aangezet,
uitlopend in een punt.
AARD : de populariteit van de Harrier wordt gehinderd door zijn grotere verwant, de Engelse Foxhound. Het
ras geniet echter van zijn middelmatige status. De Harrier is, ondanks zijn sterke natuurlijke instincten,
een uitstekende metgezel ( speciaal voor mensen die op het land wonen ). Zij worden aanbevolen voor jagers
en niet-jagers.
BIJZONDERHEDEN
De Harrier heeft door zijn oude afstamming wortels in een ver verleden. De Romeinen maakten al melding van
de jacht met brakken of lopende honden (in het Engels worden ze 'hounds' genoemd, in het Frans 'chiens courants').
Vooral de Keltische adel moet rond het begin van de jaartelling in West-Europa de jacht met brakken hebben
bedreven. Adellijke lieden bewezen hun moed door te paard achter de brakken aan te racen en de prooi, waaronder
wolven en beren, in een persoonlijk gevecht te doden. In Groot-Brittannië ontwikkelde deze jacht zich in latere
eeuwen tot de meutejacht op haas (Harriers) en vos (Foxhounds) door de landadel. In Frankrijk werd te voet gejaagd
met de kortbenige en kleinere lopende honden. Maar alle status ging uit naar de jachtmeutes van de koning en
hogere adel, die bestonden uit grote meutehonden, zoals de voorouders van de tegenwoordige
Grand Blue de Gascogne,
de Grand Gascon-Saintongeois,
de Poitevin of
de Grand Griffon Vendéen. Het
kennelpersoneel bestond uit honderden personen en kosten noch moeite werden gespaard. Meutes werden op
welluidendheid van de stemmen van de verschillende honden samengesteld en de jacht verliep vaak in een dolle
galop, waarbij op strategische punten nieuwe meutes aan de bestaande troep werden toegevoegd. Niet-adellijke
personen mochten vroeger geen jachthond bezitten. Daar stonden zelfs draconische straffen op. Tijdens de Franse
Revolutie werden ook de jachtmeutes een kopje kleiner gemaakt. De tegenwoordige Franse Brakken zijn voor een groot
deel teruggefokt uit restbestanden, die werden gekruist met Engelse Hounds.
De Grand Anglo-Français is daar
een sprekend voorbeeld van. De Harrier zelf heeft op die manier veel invloed op Franse lopende honden van het
middenslag gehad. |