|
LAND VAN HERKOMST : China
GESCHIEDENIS
De Japanse Spaniel ( of de Chin Chin, Tchin-Tchin ) ontstond eigenlijk in China, waar hij in aristocratische luxe
leefde. Zijn beeltenis is terug te vinden op de nog bestaande aantekeningen van oude Chinese tempels, oud
aardewerk en borduurwerk. Hij kwam in Japan terecht als geschenk aan de keizer. 'Chin' betekent in het Japans
'behorend tot het koningshuis'; een mooie naam voor zo'n oud ras. De Japanse fokkers verdienen echter alle eer
voor het eeuwen geleden perfectioneren van deze hondjes. Ze slaagden er zelfs in exemplaren te fokken die zo
klein waren dat de adellijke dames tijdens hun wandelingetje de kleine Spaniel in de wijde mouw van hun kimono
konden meenemen. In Azië kreeg de Engelse commodore Perry deze honden ten geschenke, waarop hij ze aan
koningin Victoria aanbood. Zij was dol op deze hondjes. Ze hebben een lange, gladharige, overvloedige, bonte vacht
en lijken op hun verre neven, de Mopshond en
de Pekingees. Chins zijn elegante hondjes, die erg
aanhankelijk en trouw zijn. Ze vinden het leuk om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Ze houden van
spelen, maar worden niet graag als speelgoed behandeld ! Ze kunnen gemakkelijk op een flat gehouden worden
en ze kunnen zelfs leren hun behoefte in een kattenbak te doen.
IDEALE RASKENMERKEN
Maat: reuen ongeveer 25 cm en teven ongeveer 20 cm. Men onderscheidt twee gewichtsklassen : boven de 3 kg,
en tot 3 kg. Bij die laatste groep geldt hoe kleiner, hoe beter. Uiterlijk: compact, vierkant lichaam;
voorbenen worden hoog opgetrokken; levendig gangwerk. Vacht : lang, recht, dicht, overvloedig, zijdeachtig.
Kleur : toegestane kleuren zijn zwart met wit, of rood met wit. De rood met witte combinatie mag variëren van
lemon tot donkerrood. De meest voorkomende kleur is overigens zwart met wit. Daarnaast komen ook driekleurige
combinaties voor en sable met wit, alhoewel deze in sommige landen niet erkend worden. De kleuren moeten
gelijkmatig over lichaam en hoofd verdeeld zijn. Hoofd: brede schedel met korte snuit; grote, wijd
geplaatste, donkere ogen; lange, driehoekige hangoren, lang behaard. Staart: bovenop rug gedragen; fraaie pluim.
VACHT : kort zijdehaar met bevedering; m.a.w. de dekharen op de rug zijn zijdeachtig. Er komen praktisch
geen wolharen voor. In de ruiperiode komen ze los te zitten : blokverharing. Naar de borst en de achterzijde
van de poten toe, overgroeien de wolharen de dekharen en vormen de bevedering : mozaïekverharing. DAGELIJKSE
BEHANDELING : met een zachte borstel de losse haren van de rug uithalen. De bevedering met een grove kam
uitkammen. GROTE BEHANDELING : minstens vier maal per jaar hebben deze honden een verzorging nodig in
het trimsalon, waar de vacht getrimd en geëffileerd wordt volgens het ras. Uitkammen, wassen en drogen.
VOOR- EN NADELEN VAN DE VACHT : de bevedering vraagt een regelmatige uitkambeurt. Tamelijk veel losse haren in
huis.
AARD : de Tchin is stijlvol en serieus. Hij heeft goede instincten voor het beoordelen van de
intenties van mens en dier. Hij weet altijd precies wie zijn vriend is en vertrouwt nooit een vijand.
Het is tevens een goede waakhond, al is hij normaal gezien rustig en blaft hij weinig. Hij is vrolijk,
intelligent, zelfbewust, maar ook wat eigenwijs. Hij kan het in de regel goed vinden met kinderen en met
andere huisdieren.
ACTIVITEIT : hij kan op een kleine ruimte gehouden worden, maar heeft toch wel nood aan dagelijkse
beweging. Hij houdt van rennen, ravotten en spelen, en er wordt gezegd dat hij zelfs kan klimmen.
OPVOEDING : hij is vrijwel probleemloos op te voeden, als er rekening gehouden wordt met zijn ietwat
eigenwijs karakter. |