LAND VAN HERKOMST : Spanje
Varianten : ( Grande - Médio - Pequeno ) - ( kortharig - ruwharig )
GESCHIEDENIS
De Podengo Português stamt vermoedelijk af van de préhistorische Egyptische windhonden. Men meent onder
andere een verwantschap te bespeuren met de Pharaohond
en andere soortgelijke rassen die rond de Middellandse Zee voorkomen. De oorsprong van deze rassen ligt niet (
zoals de naam laat vermoeden ) in Portugal, maar zoals de meeste Portugese rassen, in Spanje. De Podengo
Português behoort tot de rassengroep van de Primitieve Jachthonden en wordt voornamelijk gebruikt voor de jacht in
rotsachtig gebied op haas en konijn, maar echter ook als waakhond in en om de boerderij. Het formaat van de hond
is bepalend voor zijn jachtprooi. Mits voldoende ruimte en beweging, kunnen deze honden ook prima functioneren als
gezinshond.
Het ras komt in drie formaten en twee haartypen voor, kortharig en ruwharig. Hij jaagt in zogeheten packs of
alleen. De rasbeschrijving van de drie formaten zijn vrijwel identiek op de schofthoogte na. Het ras komt
buiten zijn vaderland nauwelijks voor. De grotere variant, de Podengo Português Grande, is helaas bijna verdwenen.
De Podengo Português heeft ook verwantschap met de
Podengo Ibicenco. De benaming van de drie door de FCI erkende Podengo's : De Podengo
Português Grande ( of Pelo Cerdoso, Pelo Liso ) als grootste van de drie, de Podengo Português Médio (
of Pelo Cerdoso, Pelo Liso ) als middenslag en tenslotte de Podengo Português Pequeno ( of Pelo Liso ) als
kleinste of dwergvariant van deze Podengo.
IDEALE RASKENMERKEN
De Podengo Português is een middelgrote, geproportioneerde, iets rechthoekige, rustieke en levendige
hond. Hoofd : driehoekig, met een brede schedel, die smaller wordt naar de neuspunt toe. Uitgesproken stop; vlakke
schedel met voorhoofdsgroef en uitgesproken achterhoofdsknobbel. De neusrug is convex en korter dan de schedel. De
neusspiegel is donkerder dan de vachtkleur. De lippen zijn droog en goed gepigmenteerd. Ogen : vrij klein en
schuin geplaatst, niet
diepliggend, honingkleurig tot kastanjebruin. De oogranden zijn donkerder dan de
vachtkleur. Levendige uitdrukking. Oren : relatief hoog aangezet, breed aan de basis, driehoekig, rechtopstaand,
hoog, zeer beweeglijk en iets voorover hellend. Hals : recht, lang, gespierd en droog. Lichaam : normaal gevormde
borstkas van goede lengte met goed gewelfde ribben. Rechte of iets convexe en tamelijk lange rug, die licht
afloopt van de schoft naar de croupe. De lendenen en croupe zijn licht gewelfd, breed en gespierd. Opgetrokken
buiklijn. Ledematen : rechte en gespierde voor- en achterbenen, met iets geopende hoeken; middelmatig hoge
sprongen. Voeten : gerond, sterk en goed gewelfd, met sterke voetzolen. Staart : sterk, dik en puntig.
Middellang. In actie horizontaal en licht gebogen gedragen. Kleur : de voornaamste kleuren zijn geel
en geelbruin met lichtere en donkerder tinten en een zwarte tint. Eénkleurig of bont. Wij haalden al aan
dat het verschil tussen deze varianten ligt in de schofthoogte. Bij de grote variëteit gaat die van
55 tot 70 cm, bij de middenslag bedraagt die 40 tot 55 cm en bij de dwergvariëteit 20 tot 30 cm.
Het respectievelijke gewicht bedraagt 20 tot 30 kg, 15 tot 20 kg en 4 tot 5 kg. Er zijn dus per
variant ook twee vachtsoorten : de Korthaar : kort, glad en dicht en de Draadhaar : lang en
hard. Middelgrof. De Dwergvariëteit heeft de kortste vacht.
AARD : het zijn levendige, intelligente, opmerkzame en betrouwbare honden. Het zijn uitstekende
gezelschapsdieren.
ACTIVITEIT : deze hond heeft veel beweging en ruimte nodig om te kunnen rennen.
OPVOEDING : een consequente opvoeding is noodzakelijk. |