|
LAND VAN HERKOMST : Tibet
GESCHIEDENIS
De
Tibetaanse Terriër ( of Dhokhi Apso ) werd door de Nomadenstammen in Tibet
gebruikt om kudden te hoeden in het berglandschap, waar grotere honden
moeilijk(er) konden werken. In feite is de naam "Terriër" onjuist, want
dit ras heeft nog nooit 'aardwerk' gedaan, waarvoor de Terriërs
oorspronkelijk gebruikt werden. Eigenlijk zou dit ras dus onder de
Herdershonden moeten vallen, gezien hun taak in het verleden. Oud
Tibetaans bijgeloof wilde dat Tibetaanse Terriërs geluk brachten in een
huisgezin. Om dit geluk niet te tarten, werden deze honden niet verkocht
en werden geen andere rassen ingekruist. Het was dus niet mogelijk om ze
te kopen, maar ze werden wel cadeau gedaan, als blijk van hoge waardering.
Een voorbeeld : een buitenlandse arts genas een Tibetaanse vrouw en in
ruil daarvoor kreeg hij puppy's van de Tibetaanse Terriër cadeau.
Deze diertjes vormden het begin van de verspreiding van de Tibetaanse
Terriër buiten Tibet. Dit ras werd pas in 1973 in de AKC-standaard
opgenomen. Het ras is robuust, omdat het goed is aangepast aan het ruwe
klimaat van Tibet. Deze hond bestaat in alle kleuren en is in die zin ook
door alle rasstandaarden aanvaard. De Tibetanen hadden namelijk meer
interesse in de 'degelijkheid' van de hond dan in de kleurmogelijkheden.
Verder zijn Tibetaanse Terriërs vrolijke, aanhankelijke persoonlijkheden
die al eeuwenlang prettige gezelschapshonden zijn.
IDEALE RASKENMERKEN
Schofthoogte
: reuen ongeveer 43 cm en teven ongeveer 35,5 cm, met een gewicht van 8
tot 12 kg. Uiterlijk : krachtig, vierkant lichaam; vlot, stuwend
gangwerk. Vacht : lang, fijn, recht of golvend; dubbel, met een wollige
ondervacht; baard, bevedering op de oren. Kleur : alle kleuren en
kleurencombinaties zijn toegestaan, behalve chocolade- of leverkleur.
Hoofd : middellange schedel met een stevige, middellange snuit; ronde,
wijd uit elkaar geplaatste, donkerbruine ogen; laag aangezette, v-vormige
hangoren. Staart : middellang, overvloedig bevederd, in vrolijke krul over
de rug gedragen.
VACHT : lang zijdehaar met meegroeiende ondervacht; m.a.w. de
dekharen zijn lang en zijdeachtig. De wolharen zijn samengevoegd met de
dekharen en groeien mee. Het dekhaar is iets minder goed ontwikkeld en de
wolharen juist zeer goed, zodat de haren op elkaar lijken.
VERHARING : mozaïekverharing.
DAGELIJKSE BEHANDELING : kammen met een grove kam en borstelen met een
varkensharen borstel. Wel voorzichtig, want deze haren zijn erg kwetsbaar
en breken vlug af. GROTE BEHANDELING : de vacht wordt
volledig uitgekamd. Daarna wordt de hond gewassen met een zachte shampoo
en krijgt de vacht graag een behandeling met een goede balsem. Ogen en
oren reinigen, het teveel aan haar tussen de voetzolen wegknippen, voeten
rondzetten.
VOOR- EN NADELEN VAN DE VACHT : wel veel kam- en borstelwerk voor
dit soort vacht, maar geen los haar in huis.
AARD : het is een levendige, slimme, moedige en waakse hond. Hij heeft een vrolijk en speels
karakter, is vriendelijk en alert. Hij is helemaal niet kwaadaardig of vechtlustig, maar is nogal spaarzaam
met zijn affectie tegenover vreemden.
ACTIVITEIT : deze hond gaat graag naar buiten, loopt graag los en is gek op spelletjes.
OPVOEDING : u moet deze hond op een rustige, evenwichtige manier opvoeden. Dit ras heeft een
gevoelige aard en reageert goed op de intonatie van uw stem. |