LAND VAN
HERKOMST : NederlandGESCHIEDENIS
Het Kooikerhondje is een lichte en elegante Nederlander. Hij behoort tot de rassengroep van Opjagende Honden (
groep 8 - sectie 2 van de FCI ). Hoewel men aanneemt dat hij al jaren een alledaagse partner van de Nederlandse
eendenjagers is, is het Kooikerhondje zoals wij hem de dag van vandaag kennen, een relatief nieuwe aanwinst van de
Jachthondengroep. In 1942 zocht barones v. Hardenbroek uit Ammerstool exemplaren om het Kooikerhondje, dat prins
Willem van Oranje had gered en door de 17de eeuwse schilders werd afgebeeld, nieuw leven in te blazen. De barones
had succes en schiep binnen een jaar het moderne Kooikerhondje. De jachtstijl van deze hond is uniek. Hij fungeert
als een lokmiddel. Hij lokt door middel van zijn met franjes versierde witte staart de wilde eenden in de val. Op
bevel laat het dier zich even zien midden in de kooi en moet zich vervolgens weer terugtrekken achter de
rietmatten. Aangezien eenden van nature heel nieuwsgierig zijn, komen deze te voorschijn en zwemmen in zijn
richting. De jagers, die bewonderenswaardig begaan zijn met de natuurreservaten, vangen de vogels en ringen de
jongen of de bedreigde exemplaren. Het Kooikerhondje is getooid in een prachtige Spaniel-achtige vacht in
de kleuren rood-wit. Deze bijna kwadratisch ogende hond heeft een lichaam dat iets langer is dan zijn hoogte.
IDEALE RASKENMERKEN
Het lichaam heeft een diepe borst, voldoende gewelfde ribben en een rechte en sterke rug. Middelmatig lange
benen met goed bot. Vrij korte hals, recht en goed gespierd. Kleur : wit met oranje-rode platen : de kleur moet
overheersen. Witte doorlopende bles en zwarte punten aan de oorharen gewenst. Hoofd en schedel : voldoende brede
schedel, matig gewelfd. Lengte van de schedel en snuit ongeveer gelijk. Duidelijke stop, niet te diep. Snuit niet
te diep, bij de jukbeenderen goed gevuld. Amandelvormige ogen, donkerbruin met vriendelijke uitdrukking. Matig
grote oren, hangend. De oorharen zijn lang, bij voorkeur met zwarte punten ( oorbellen ). Schaargebit. Staart :
lang, reikend tot de sprong, horizontaal tot vrolijk gedragen. Voeten : klein en gesloten. De schofthoogte
bij reuen en teven bedraagt ongeveer 35 tot 40 cm. Het gewicht gaat van 9 tot 11 kg.
VACHT : kort zijdehaar met bevedering; m.a.w. de dekharen op de rug zijn zijdeachtig. Er komen praktisch geen
wolharen voor. In de ruiperiode komen ze los te zitten : blokverharing. Naar de borst en de achterzijde van de
poten toe, overgroeien de wolharen de dekharen en vormen de bevedering : mozaïekverharing. DAGELIJKSE
BEHANDELING : met een zachte borstel de losse haren van de rug uithalen. De bevedering met een grove kam
uitkammen. GROTE BEHANDELING : minstens vier maal per jaar hebben deze honden een verzorging nodig in het
trimsalon, waar de vacht getrimd en geëffileerd wordt volgens het ras. VOOR- EN NADELEN VAN DE VACHT : de
bevedering vraagt een regelmatige uitkambeurt. Tamelijk veel losse haren in huis.
AARD : het Kooikerhondje is een vlijtige en fantasierijke jager. Qua intelligentie kan hij zich meten met
de meest gevatte jachthonden. Als huisdier kan hij zelfs een aantal huishoudelijk taken verrichten. Hij is
opgewekt, vriendelijk, goedaardig, attent en niet luidruchtig.
ACTIVITEIT : dit hondje heeft veel lichaamsbeweging nodig en is gek op spelletjes.
OPVOEDING : consequent, al zijn Kooikers intelligent en leergierig ... eigenschappen die resulteren in een
gemakkelijk lerende hond. Toch moet de toekomstige baas van een Kooikerhondje wel wat doortastend zijn, want een
al te toegeeflijke baas haalt de dominante trekjes in dit ras naar boven. |