

 |
Hondachtigen, de familie Canidae van vrij kleine
of middelmatig grote Roofdieren met lange kaken, vrij stijve romp en poten, en lange staart. Het gebit
vertoont in onder- en bovenkaak, achter de knipkiezen, twee knobbelkiezen. Het oog heeft een ronde pupil
(uitzondering bij o.m. de vossen). De voorpoten dragen vijf, de achterpoten vier tenen met sterke,
niet-optrekbare nagels. Op de rug, bij de staartwortel, bevindt zich een geurklier.
Hondachtigen zijn
snelvoetige teengangers, die over een groot uithoudingsvermogen beschikken en de prooidieren, die zij vooral
met reuk- en gehoororganen opsporen, in troepen over grote afstanden achtervolgen en uitputten (sociale
drijfjagers). Zij grijpen de prooi met de bek. De jongen worden blind en hulpbehoevend, vaak in holen, ter
wereld gebracht. De draagtijd is ongeveer 2 maanden, de zoogtijd 8 weken.
Hondachtigen komen voor over de gehele
wereld, met uitzondering van Madagaskar en Nieuw-Zeeland. In Australië werd
de
dingo ingevoerd. |
|
|
|
|