header_vissen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

de Haring

 

Vissenpagina klik hier >>

 
  haring, de voor consumptie geschikte vissoort Clupea harengus uit de familie Haringen, waarvan een aantal rassen te onderscheiden is, die verschillen vertonen in lichaamskenmerken, zoals in grootte en aantal wervels, en in levenswijze, bijv. de tijd van voortplanting. Zij zijn genoemd naar de paaiplaatsen (zie paaien) (waar dus de eieren worden afgezet), waarheen zij elk jaar terugkeren. Het grootste ras, de sloeharing, tot 37 cm lang, leeft tussen IJsland en Noorwegen. Deze paait in het vroege voorjaar aan de Noorse kust en leverde daar tot in de jaren zestig grote vangsten; tussen 1960 en 1970 daalde de vangst echter tot vrijwel nihil. Een klein ras leeft in de Oostzee. Voor de Nederlandse visserij is de Noordzeeharing het belangrijkst. Deze is ook nog weer in een aantal rassen te verdelen.

1. Voortplanting

In elk kwartaal is er wel een ras dat in de Noordzee of in Het Kanaal paait: langs de Schotse kust paait een ras in het voorjaar, bij de Doggersbank een in de zomer tot in de herfst, in Het Kanaal een in de winter. In de vroegere Zuiderzee paaide een thans bijna uitgestorven ras van kleine haringen in het voorjaar.

De 20!000 50!000 eieren worden boven harde grond afgezet, waarop zij aan wieren, schelpen en stenen blijven kleven. Na de paaitijd zwermen de scholen uit naar plaatsen die rijk zijn aan voedsel (vooral copepoden). De jonge visjes komen overal in de Noordzee voor, vaak in grote aantallen in de kustwateren, soms tot in het brakke water. Die met een lengte van 1015 cm worden (zee)bliek genoemd, de iets grotere toters.

2. Gebruik door de mens

Meestal bereikt de haring op de leeftijd van 3 jaar geslachtsrijpheid. In een paar maanden kan de haring dan vet worden; het vetgehalte kan tot 21% stijgen. Op weg van de voedingsgronden naar de paaiplaatsen wordt gewoonlijk weinig voedsel opgenomen. Na de voortplanting is het vetgehalte tot vaak minder dan 1% gedaald.

Men onderscheidt drie kwaliteiten, al naar gelang de ontwikkelingsgraad van de geslachtsklieren en het daarmee in verband staande vetgehalte: maatjesharing, volle en ijle haring. Bij maatjesharing is de kuit of hom naar zeer weinig ontwikkeld. Zodra in het voorjaar een voldoende hoeveelheid reservestoffen is verzameld en dus een goede kwaliteit is bereikt, wordt de visserij geopend. Na haringkaken en niet zwaar zouten ontstaat dan de nieuwe haring. Het product is alleen houdbaar bij een temperatuur van iets beneden 0 C. Deze koelhuismaatjes kunnen na de vangsttijd (vanaf juni) de markt voorzien. Vroeger werd maatjesharing die vlak voor de terugkeer van een schip naar de haven werd gevangen, vaak licht gezouten en als groene haring aan de markt gebracht; in groene haring kunnen larven van een draadworm blijven leven en bij de mens haringwormziekte veroorzaken.

Bij volle haring zijn de geslachtsklieren goed ontwikkeld. Hij wordt ook wel gekaakt en dan krachtig gezouten tot een bij normale temperatuur houdbaar product. Voor de drijfnetvisserij was dit de belangrijkste soort haring. Een deel ervan wordt niet gekaakt, doch vers of sterk gezouten aangevoerd. De verse wordt vaak warm gerookt en is dan bokking, strobokking of harderwijker, of zeer licht gerookt tot bakbokking, of aan de rug opengesneden en koud gerookt tot kippers. De sterk gezouten haring heet steurharing; hij wordt koud gerookt tot Engelse of spekbokking.

IJle haring heeft gepaaid, is zeer mager en vnl. geschikt voor marineren en het bereiden van rolmops. Veel van de vers aangevoerde haring wordt tot conserven verwerkt.

De vroegere Zuiderzeeharing was niet geschikt voor het kaken, maar werd verwerkt tot bokking en bakbokking. Dit is de reden waarom zoveel rokerijen langs de vroegere Zuiderzee liggen.

Vooral in Noorwegen wordt veel jonge haring tot conserven of half-conserven verwerkt, sommige, waaraan smaakstoffen zijn toegevoegd, worden onder op ansjovis (zie ansjovissen) (Duits: Sardelle) lijkende namen verkocht. Grote hoeveelheden jonge haring worden gevangen voor de fabricage van vismeel. De langs de Noorse kust gevangen grote haring wordt ook meestal tot vismeel en traan verwerkt.

Door overbevissing en door grindwinning op de paaiplaatsen wordt de haring bedreigd. Vangstbeperkingen, opgelegd door de EU, moeten voorkomen dat de haring uit de zuidelijke Noordzee verdwijnt.

Haringen zijn de populairste consumptievissen die uit zee afkomstig zijn. Jaarlijks worden er miljoenen tonnen gevangen. De haring leeft in de kustwateren van de noordelijke gematigde en koude zones en ze komen dus ook in de Europese kustwateren voor

Haringen leven in de bovenste waterlagen tot een diepte van 200 meter. Ze hebben een zilverkleurig lichaam dat op de rug blauw-groen is. Het voedsel van de haring bestaat uit zeer kleine waterdiertjes. De diertjes stromen met het water naar binnen en ze worden in de zogenaamde kieuwzeven (die wel wat op een net lijken) vastgehouden.

In de paaitijd begeven reusachtige scholen haringen zich naar de paaiplaatsen in ondiepe, stenige en rotsachtige delen van de zee. De afgezette eitjes zinken hier naar de bodem. Wanneer ze in het slik zouden worden gelegd dan zouden ze erin wegzinken en verstikken. Er worden enorme hoeveelheden eicellen en zaadcellen afgegeven (de vrouwtjes zetten ongeveer 30.000 eitjes af). Doordat ze zo vruchtbaar zijn sterft de haring niet uit ondanks het feit dat er jaarlijks aanzienlijke hoeveelheden worden gevangen en de haring ook nog als voedsel dient voor roofvissen, vogels en robben.

Tot de orde van de haring behoren ook de kleinere sprot (Noord- en Oostzee),de sardine en de ansjovis (West- en Zuid-Europa).

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

copyright WorldwideBase 2005-2009