header_vissen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

de Inktvissen

 

Vissenpagina klik hier >>

 
 

Inktvissen, de onderklasse Coleoidea of Dibranchia van de Koppotigen. De naam Inktvissen wordt ook wel gebezigd voor de gehele klasse van de Koppotigen. Inktvissen hebben ťťn paar kieuwen en een gereduceerde (of geen) inwendige schelp. Zij komen uitsluitend in zee voor. De meeste soorten leven vrijzwemmend. Het aantal uitgestorven soorten is veel groter dan het aantal recente. Tegenwoordig leven er nog ca. 650 soorten. Door op krachtige wijze water uit de mantelholte te persen kunnen ze zich pijlsnel achterwaarts in het water bewegen. Ze maken dus eigenlijk gebruik van een soort straalaandrijving.

1. Schelp
De inwendige, aan de rugzijde gelegen schelp is af te leiden van een uitwendige schelp, zoals andere weekdieren hebben. Oorspronkelijk is de schelp van inktvissen gekamerd; de kamers zijn ten dele met gas (vnl. stikstof) gevuld, zodat de dieren kunnen zweven. Alleen Spirula heeft nog een gekamerde schelp; bij o.a. de zeekat is de kalk in lagen afgezet, waartussen zich gas bevindt. De hoeveelheid gas is regelbaar, daardoor kan het dier op verschillende diepten zweven.

2. Voortbeweging
Door water met kracht uit de mantelholte (zie Weekdieren) te persen, kunnen de dieren zwemmen. De mantelholte is aan de buikkant gelegen. Het water komt aan de zijkant de mantelholte binnen, vervolgens worden mantel en trechter tegen elkaar gedrukt en wordt het water door spieren in de mantel via de trechter naar buiten gespoten, waardoor het dier met de kop naar achteren door het water schiet. De trechter en de armen zijn homoloog (gelijk in bouwplan, niet in functie) met de voet van andere weekdieren. De trechter is vaak zeer beweeglijk, zodat het dier ook wel met de kop naar voren kan zwemmen. In de mantelholte liggen de kieuwen.

3. Voedsel, darmkanaal
De meeste inktvissen zijn rovers. Het voedsel bestaat veelal uit krabben en mosselachtigen. Pijlinktvissen vangen wel vis. Het voedsel wordt fijngemaakt door een paar krachtige kaken, die de vorm van een papegaaiensnavel hebben. Een van de klieren
die in de mondholte uitmonden, produceert gif, dat bij de beet in de prooi komt. Inktvissen bezitten een inktzak, een blindzak van de einddarm. De wand scheidt de Ďinktí af. Bij gevaar wordt de inhoud via de anus (uitmondend in de mantelholte) naar buiten gebracht. De inkt biedt de roofvijand een schijnprooi aan, omdat de wolk als een fantoom in het water blijft staan; tevens wordt het reukvermogen van de achtervolger door de inkt aangetast.

4. Chromatoforen
Inktvissen kunnen van kleur veranderen door expansie of contractie van chromatoforen van verschillende kleur; deze cellen bevatten rood, geel, bruin of blauw pigment. Inktvissen kunnen zich aanpassen aan de kleur van de ondergrond; andere kleurpatronen worden vertoond bij paringsgedrag, schrik e.d..  Het hoog ontwikkelde
zenuwstelsel ( Ďhersenení: een concentratie van zenuwknopen) ligt geconcentreerd rond de slokdarm. Van de zintuigen zijn speciaal de ogen zeer goed ontwikkeld en tot beeldvorming op een netvlies in staat.

5. Voortplanting
Bij de mannetjes komen de spermatozoÔden in pakketjes (spermatoforen) uit de geslachtsopening, die in de mantelholte ligt. Bij de zeekat brengt het mannetje de spermatoforen op een van zijn armen, die hij daarna in de mantelholte van het wijfje brengt. Deze arm doet dus dienst als copulatieorgaan. Bij de papiernautilus is deze hectocotylus-arm zeer lang en kan in de mantelholte van het wijfje afbreken. Zo'n afgebroken arm is vroeger aangezien voor een parasitaire worm en beschreven onder de naam Hectocotylus.

Kenmerkend voor de orde Octopoda zijn de acht armen, die van gelijke lengte zijn. Cirroteuthis muelleri komt voor op diepten van 400Ė3000 m rond Groenland. De gewone achtarm of kraak (Octopus vulgaris) wordt in de Noordzee niet langer dan ca. 70 cm, in de Middellandse Zee soms tot een paar meter. Deze soort leeft tussen rotsen in holen en zwemt niet veel. De blauwgeringde achtarm (Hapolochlaena maculosa) van de wateren van tropisch AustraliŽ is dodelijk giftig voor de mens. De kleine achtarm (Ozaena cirrosa) wordt niet groter dan ca. 40 cm en leeft op zand- en op modderbodems. De papiernautilus (Argonauta argo) komt voor in de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Het wijfje is omgeven door een dunne, kalkige schelp, die niet homoloog is met de schelp van de andere inktvissen. In de schelp worden de eieren afgezet. Het dier drijft meer dan het zwemt. Het wijfje wordt ruim 20 cm lang, het mannetje slechts 1 cm.

6. Soorten
De soorten uit de orde Decapoda zijn gekenmerkt door het bezit van tien armen, acht korte en twee lange. De lange vangarmen kunnen in holten in de kop worden teruggetrokken. De zeekat of inktvis (Sepia officinalis) leeft in de Noordzee en Atlantische Oceaan. De schelp (zeeschuim) is vaak op het strand te vinden en wordt wel als kalkleverancier in vogelkooitjes gehangen. De inkt levert, gedroogd, de kleurstof sepia. Spirula spirula leeft in tropische zeeŽn op diepten van 300 tot 600 m en bezit een gekamerde schelp. De pijlinktvis (Loligo vulgaris), die een dunne, hoornachtige plaat (gladius) als schelp bezit, zwemt meestal in troepen en komt in de Noordzee voor. Reuzeninktvissen (Architeuthis) leven in diepere delen van de oceanen. Zij kunnen een lichaamslengte van 7 m bereiken met vangarmen van 11 m; de grootste exemplaren zijn tot nu toe alleen dood aangespoeld of in de maag van potvissen gevonden. De toverlamp (Lycoteuthis diadema), een dier uit de diepzee, heeft tien typen lichtgevende organen (zie ook lichtgevende organismen); het totale aantal is 22. Chiroteuthis veranyi, uit de Middellandse Zee, leeft van plankton, dat van tijd tot tijd van de vangarmen wordt gelikt. De onderorde Belemnieten wordt onder eigen trefwoord behandeld.

De orde Vampyromorpha verschilt van de Decapoda doordat twee van de tien armen tot dunne draden zijn gereduceerd. De enige soort is Vampyroteuthis infernalis.Koppotigen zijn weekdieren die uitsluitend in zee voorkomen. Ze hebben een romp die op een zak lijkt en een duidelijk herkenbare kop, waarin zich twee grote, goed ontwikkelde ogen bevinden. De mondopening wordt omgeven door acht of tien vangarmen. Ze zijn bedekt met talloze zuignapjes. Hierdoor kunnen ze zelfs grotere vissen en kreeften buitmaken.

Men onderscheidt koppotigen met twee kieuwen en koppotigen met vier kieuwen. Er bestaan tegenwoordig nog 600 soorten koppotigen met twee kieuwen. Hiertoe behoort ook de gewone inktvis of kraak. De vierkieuwigen zijn nagenoeg uitgestorven. Hiertoe behoort de nautilus. Uitgestorven verwanten zijn de ammonieten. In de Jura- en Krijtperiode (60-175 miljoen jaar geleden) bevolkten duizenden van deze dieren de zeeŽn. Door de talloze fossielen van hun kalkschalen kunnen we tegenwoordig de ouderdom bepalen van de aardlagen waarin ze werden gevonden. De gewone inktvis, die tot de hoog ontwikkelde koppotigen behoort, komt vooral voor in de Middellandse Zee. Daar wordt hij in grote aantallen gevangen en gegeten. Hij wordt ongeveer 30 cm lang. Op een ovale romp zit een duidelijk herkenbare kop met twee grote lensogen. De mondopening wordt omgeven door tien vangarmen. Twee vangarmen zijn wezenlijk langer dan de andere. Alle armen hebben aan de binnenkant een groot aantal zuignappen. De romp van de inktvis is omgeven door een mantel. De rug bevat een kalkplaat die ook wel de rugplaat of de schelp wordt genoemd. Deze schelp is van been of van kalk en je kunt hem soms wel eens op onze Noordzeestranden vinden. Deze schelp wordt wel een bij parkieten of kanaries in de kooi gehangen zodat ze hun snavel kunnen scherpen. Aan der onderkant van de schelp ligt de mantelholte. Hier bevinden zich twee grote kieuwen (ademholten) en verder naar voren steekt de voet uit de mantelholte naar buiten. De voet van de inktvis heeft zich ontwikkeld tot een trechter. Aan de rechter- en linkerkant van de romp bevinden zich twee vinnen. Meestal ligt de inktvis, net als een schol, onbeweeglijk op de bodem van de zee. Met behulp van zijn vinnen graaft hij zich in het zand. Op de huid van zijn rug heeft hij kleurcellen. Hiermee kan hij zich aanpassen aan de kleur van de bodem en hierdoor is hij goed gecamoufleerd. Wanneer het dier geprikkeld wordt, kan hij zo snel van kleur veranderen, dat het lijkt alsof er kleurige wolken over zijn lichaam trekken. Wanneer de inktvis een prooi nadert, strekt hij direct zijn beide lange vangarmen om het dier te pakken. De zuignappen hechten zich aan het lichaam van het slachtoffer vast en de andere armen leiden het voedsel naar de mond. Hier bevinden zich twee krachtige kaken en een raspplaat om het voedsel fijn te maken. Wanneer er op de inktvis zelf gejaagd wordt, en hij niet snel genoeg kan vluchten, stoot hij een zwarte kleurstof uit, die hem als een donkere wolk omhult. De vijand kan de inktvis niet meer zien zodat deze kan ontkomen. Inktvissen zijn zeer beweeglijk. Door op krachtige wijze water uit de mantelholte te persen kunnen ze zich pijlsnel achterwaarts in het water bewegen. Ze maken dus eigenlijk gebruik van een soort straalaandrijving. Met hun vinnen kunnen ze zich langzaam voortbewegen. De inktvissen, die van gescheiden geslacht zijn, voeren een innige paringsceremonie uit. Daarbij verstrengelen zij hun armen en zwemmen een tijdlang samen op. De ingekapselde mannelijke zaadcellen worden met behulp van een vangarm in de mantelholte van het vrouwtje ingebracht. Daar barst het kapsel open. De blauwzwarte, bevruchte eitjes worden door een secreet (uitgescheiden vloeistof) omgeven en in trosjes op stenen, koraalstokken of zeeplanten afgezet.

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009