header_vissen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Palingen

 

Vissenpagina klik hier >>

 
  Palingen, de familie Anguillidae uit de orde Palingachtigen, met kleine, diep in de opperhuid ‘verborgen’ rudimentaire schubben en gladde, slijmige huid. Palingen brengen het grootste deel van hun leven door in zoet water of in kustwateren. Zij komen met zestien soorten voor aan de oostkust van Noord-Amerika tot aan de Golf van Mexico, in Europa, aan de Indische-Oceaankusten, in Indonesië, Japan en Australië.

1. Voortplanting
Palingen trekken naar zee om zich voort te planten. De Europese paling of aal (Anguilla anguilla) en de Amerikaanse paling (A. rostrata) begeven zich daartoe naar de Sargassozee in het westen van de Atlantische Oceaan bij de Bermuda-eilanden. De aal heeft dan het uiterlijk van een op grote diepte levende vis: de ogen worden zeer groot en de kleur zwart.
1.1 Paaien
Op de paaiplaatsen heeft men nog nooit geslachtsrijpe dieren of eieren gevonden, maar wel zeer jonge, 6 mm lange larven. Deze bevonden zich op 400 m beneden het wateroppervlak (bij een zeediepte van 6000 m). Deze larven hebben de vorm van een wilgenblad, zijn doorschijnend en werden lange tijd aangezien voor een apart vissengeslacht, Leptocephalus, waarbij hun systematische plaats onduidelijk was. In 1896 gelukte het de Italianen Grassi en Calandruccio om Leptocephalus uit de Straat van Messina op te kweken tot glasalen, waardoor Leptocephalus als larve van de paling werd herkend. De Deense bioloog Johannes Schmidt heeft het raadsel van de voortplanting van de paling opgelost (1904), doordat hij voor het eerst larven buiten het Middellandse-Zeegebied (in de Atlantische Oceaan) ontdekte. Het wegtrekken van de paling die geslachtsrijpheid heeft bereikt, de schieraal, en de terugkomst van de glasaal werden hierdoor verklaard.
De Europese aal moet zijn paaiplaatsen hebben tussen 20° N.Br. en 30° N.Br. bij ca. 55° W.L., de Amerikaanse aal iets westelijker. Het bereiken van een gebied met een andere temperatuur vormt de aanleiding tot paaien. (De Japanse paling die ten oosten van de Filippijnen paait, wordt waarschijnlijk tot paaien aangezet als hij een minder zout gebied bereikt.) Men moet aannemen dat de ouderdieren na het paaien sterven.
1.2 Trek
De larven trekken óf naar Amerika óf (met de Golfstroom mee) naar Europa. De tocht naar Europa duurt twee à drie jaar, die naar Amerika één jaar. Als zij nabij het Europese continentaal plat een diepte van 1000 m bereikt hebben, veranderen zij in glasalen, die in het voorjaar bij miljoenen de zeegaten in- en de rivieren optrekken, naar het zoete water. Deze ‘montées’, die niet eten en in lengte afnemen, reageren sterk op het zoutgehalte van het water: zij trekken in de richting van het water met het laagste zoutgehalte. Toen er nog geen waterverontreiniging was en sluizen en watermolens minder perfect waren, wisten de glasalen en jonge aaltjes, dankzij hun enorme trekdrang, in vrijwel alle binnenwateren door te dringen. Thans echter is dit niet meer het geval en moeten allerlei voorzieningen getroffen worden om de binnenwateren met aal te bevolken. In de tijd van de glasaaltrek, het voorjaar, wordt bijv. met de spuisluizen in de Afsluitdijk zodanig gemanipuleerd dat grote hoeveelheden glasaal het IJsselmeer binnen kunnen komen. In de binnenwateren wordt glasaal uitgezet die door de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij wordt aangekocht in Engeland en Frankrijk. Met aalladders worden de jonge aaltjes in de gelegenheid gesteld hindernissen in hun doortocht te overwinnen. In het zoete water krijgt de huid van de glasaal kleur; het dier heet dan aal. De mannetjes blijven vnl. in dicht bij de zee liggende wateren. De – veel groter en zwaarder wordende – wijfjes trekken veel verder het binnenland in; vandaar dat het gemiddelde gewicht van in de bovenrivieren gevangen aal hoog is en in een water als het IJsselmeer laag. De wijfjes worden soms 1 m lang, bij een gewicht van 2 kg, hoogst zelden tot 140 cm, de mannetjes worden tot 45 cm lang. De dieren zijn op de rug donkergroen, over de buik geelachtig. Exemplaren tot een lengte van 30 cm voeden zich met kleine organismen (wormen, kreeftachtigen, insectenlarven (zie insecten), grotere met vis; viskuit is ook een zeer geliefd voedsel.
Na een groeiperiode, die voor de mannetjes in onze streken minstens 5 jaar bedraagt en voor de wijfjes enkele jaren meer, treden de eerste verschijnselen van geslachtelijke ontwikkeling op. De rug wordt zwart, de buik blank, de huid wordt dikker, de ogen worden groter en de snuit spitser, de darm degenereert; bij de wijfjes beginnen de eierstokken te groeien. In dit stadium worden zij schieraal of blankaal, paling, zilverpaling of, als zij de rivier af komen zakken, drijfpaling genoemd. In stormachtige herfstnachten vangt dan de trek naar zee aan. Over de reis van de palingen naar het paaigebied is weinig bekend; waarschijnlijk zwemmen zij op vrij grote diepte. Men vermoedt dat de geslachtsorganen pas nabij de Sargassozee tot volle ontwikkeling komen. In de Europese kustwateren worden geen geslachtsrijpe dieren gevangen.
De Europese paling komt in alle Europese wateren voor die met de Atlantische Oceaan in directe verbinding staan, behalve in het uiterste noorden; de zuidgrens wordt ongeveer door de Canarische Eilanden gevormd. Ook de wateren die in de Oostzee en de Middellandse Zee uitkomen, worden door aal bevolkt. De soorten uit Australië, de Indische Archipel en Afrika hebben eveneens een Leptocephalus-stadium; deze soorten paaien op grote diepte in de Grote Oceaan en de Indische Oceaan.

2. Visserij
De aal is in Nederland verreweg de belangrijkste vissoort voor de beroepsvisserij. In het IJsselmeer wordt de aal met fuik en hoekwant en met als een fuik werkende kistjes gevangen; de kuil is sinds 1970 verboden. In de binnenwateren gebruikt men fuik en hoekwant, in mindere mate zegen en peur. Ook voor de sportvisserij is de aal van betekenis.
In België is de aal van vrijwel geen betekenis voor de beroepsvisserij, echter wel voor de sportvisserij. In de wateren die onder de toepassing van de Visserijwet vallen, mag de aal alleen met hengel en peur worden gevangen; in de onbevaarbare, nog vlotbare en in enkele bevaarbare waterlopen en kanalen bovendien met kruisnet en fuik.
Paling is een vette vis en daardoor hopen zich veel giftige stoffen, zoals PCB's, in de vetweefsels op. Sinds 1984 treedt bij de paling de uit Japan afkomstige parasitaire zwemblaasworm (Anguillicola crassa) op, een vertegenwoordiger van de draadwormen. De parasiet veroorzaakt ernstige schade aan de wand van de zwemblaas en vertraging in de groei. Eind jaren tachtig echter leek de vis een afweer te ontwikkelen door de vorming van een verdikte zwemblaaswand waardoor de parasiet wordt ingesloten.
Paling
De Europese paling is in onze wateren gemakkelijk te herkennen, want het is de enige vertegenwoordiger van de orde van de alen. Zijn slanke, lange, met minieme schubben bedekte lichaam, kan 1 meter lang worden.
Elk jaar trekken de geslachtsrijpe jonge palingen van de rivieren naar de zee. Ze zwemmen naar een bepaalde plaats in de Atlantische Oceaan, de Sargassozee. Hier paren ze, zetten ze hun eitjes af en sterven ze.
De uit de eitjes gekomen jongen drijven in de daaropvolgende drie jaar naar de kust. Via de Golfstroom komen ze weer bij de Europese kust. Daar ontwikkelen ze zich langzaam tot de zogenoemde glasalen. Ze zijn dan ongeveer 7 cm lang en ze zijn nog zeer dun.
Ze zwemmen de rivier op en blijven hier tot ze geslachtsrijp zijn. Bij de vrouwtjes duurt dit ongeveer 12 jaar, bij de mannetjes 6 jaar. Nu herhaalt zich de trek van de palingen.
Het voedsel van palingen bestaat uit schaaldieren, waterinsecten en kleine vissen.
Palingen behoren tot de meest geliefde consumptievissen. Ze worden in grote hoeveelheden gevangen en gekookt of gerookt verkocht.
 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009