header_vissen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

de Roofblei

 

Vissenpagina klik hier >>

 
  De roofblei is een in Centraal- en Oost-Europa inheemse vissoort. Sinds enige jaren maakt deze soort een opmars in de Nederlandse wateren. Hengelaars maken inmiddels een redelijke kans om een roofblei te vangen, vooral in grote stromende wateren en wateren die daar mee in verbinding staan. Niet alleen de opmars van de roofblei is opzienbarend, ook het uiterlijk, de levenswijze van de vis en zijn jachtmethode zijn in alle opzichten opmerkelijk en spectaculair. Hoe goed deze vis hier gedijt, blijkt uit de snelle groei die de roofblei hier te lande vertoont. Hoewel de vis nu nog een buitenbeentje is in de visfauna, biedt de roofblei de hengelsport zonder twijfel interessante vooruitzichten. Tegelijkertijd kan men zich afvragen hoe deze vis zich gaat verhouden tot de inheemse fauna.
De roofblei is een karperachtige (cyprinide) vissoort, die van oorsprong voorkomt in Centraal- en Oost-Europa tot voorbij het Aralmeer in Rusland. Ook langs de Oostzeekust is de roofblei inheems. Tot voor enige jaren werd slechts sporadisch een roofblei aangetroffen in Nederland. De eerste registratie van een vangst stamt uit 1984. Visserijkundig onderzoeken in wateren die in verbinding staan met het Rijnsysteem, leveren regelmatig vangsten van deze roofvis op. Terwijl het aanvankelijk vooral leek te gaan om verdwaalde, uitgezette exemplaren, komen onderzoekers in de Biesbosch en in zijwateren van de Waal grote aantallen jonge exemplaren van deze vissoort tegen.
Een verbeterde kanaalverbinding tussen de Donau en de Rijn, uitzettingen in de Rijn en andere menselijke factoren kunnen hebben bijgedragen aan de recente verspreiding van de roofblei. Maar de vis heeft zich ongetwijfeld ook op eigen kracht in westelijke richting kunnen verbreiden, geholpen door een betere waterkwaliteit van de rivieren, en door de uitspoeling van jonge vis bij hoge rivierafvoeren. Het lijkt er sterk op dat de roofblei zich ook al volop voortplant in onze streken en een populatie gaat vormen die zich zelf in stand kan houden. Net als de evenzo succesvolle snoekbaars, verwerft de roofblei zich dan een vaste plaats in de Nederlandse visfauna.

Portret van de roofblei
Het is denkbaar dat vissers een gevangen roofblei niet direct herkennen. Een kleine roofblei kan aangezien worden voor een alver, maar heeft kleinere schubben. Grotere roofbleien zijn te verwarren met bijvoorbeeld de winde.
De roofblei heeft, meer nog dan de winde, een sterk gestroomlijnde vorm. Die lichaamsvorm is niet alleen geschikt om rappe sprintjes te kunnen trekken (ideaal voor roofvis) en behoorlijke afstanden te kunnen afleggen, maar ook om te kunnen zweven in het langzaamstromende water.

Een overzichtje van de belangrijkste kenmerken:
een zilverkleurig voorkomen;
de rug heeft een donkergroene glans;
de rug- en de staartvin zijn grijs met donkere uiteinden;
de overige vinnen zijn iets roodachtig;
de anaalvin heeft een langgerekte holronde vorm;
tussen de buikvin en de anus is een scherpe kiel aanwezig;
de schubben zijn klein van stuk; er liggen er 60 70 op de zijlijn;
de iris van het relatief kleine oog is zilverkleurig of neigt naar geel;
de bek is relatief groot en schuin naar boven is gericht;
de hoeken van de bek reiken tot onder de ogen
de onderkaak steekt vr de bovenkaak uit;
de punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaak.
er zijn geen tanden aanwezig op de bekrand!

Het domein van de roofblei
De roofblei leeft vooral in de midden- en benedenloop van rivieren, maar is ook te vinden in allerlei zijwateren en in stilstaande meren. De roofvis houdt zich in stromende wateren niet zelden op achter brugpijlers, stuwdammen, in diepere delen en in stroomluwten in bochten.
Er is nog weinig bekend over de levensloop van de roofblei in West-Europa. In het gebied van de Kaspische en de Zwarte Zee en de daarin uitmondende rivieren (zoals de Wolga), begint de paaitrek al in de herfst en bestaat uit twee etappes. De vis trekt eerst vanuit de brakke binnenzee rivieren op en baaien in, om daar op diepe plaatsen te overwinteren. In het volgende voorjaar zwemmen de roofbleien in groepen stroomopwaarts door naar de paaibanken. Sommige vissen paaien ook af in de directe omgeving van de overwinteringsplaatsen.
Na afloop van de paai zoekt de roofblei weer de benedenloop van rivieren of de binnenzee op om er voedsel te zoeken. Er zijn ook roofbleien die zich permanent ophouden in de middenloop van de rivieren en daar zowel paaien als opgroeien. De opgroeiende roofblei kan zich ophouden in zijwateren van de rivier.

Hoe groot wordt een roofblei?
De groei van de roofblei verloopt meestal snel. Na een jaar is de vis maar liefst 15 cm lang, na drie jaar 30 35 cm en na vijf jaar rond de 50 cm. De groei van roofbleien die bij onderzoek zijn gevangen, blijkt gelijk op te gaan met de snelle groei van roofbleien in de Wolga. Vanaf het derde levensjaar groeit de roofblei in Nederland zelfs iets harder.
De grootste roofblei tot nu toe in Nederland gevangen was een exemplaar van 69 centimeter. In de IJssel is een recordroofblei van 68 cm gevangen aan kunstaas. De roofblei kan doorgroeien naar een maximale lengte van een meter; zelf 1,20 meter zou tot de mogelijkheden behoren, maar een lengte van 80 cm in ons klimaat ligt meer voor de hand.

De roofblei in Nederland
Van 1984 tot en met 1995 zijn er 34 waarnemingen van roofblei in Nederland bekend. Sindsdien is er een groter aantal roofbleien aan de hengel en bij onderzoek gevangen. Onlangs zijn er tientallen roofbleitjes van n en twee jaar oud ( 3 tot 11 centimeter groot ) ontdekt in de Biesbosch en in nevengeulen en zijwateren van de Waal. Vislarven laten zich van elders mee voeren met de stroom en komen zo in deze (stilstaande) zijwateren terecht. Deze jonge roofbleitjes zijn dan ook mogelijk in Duitsland geboren, bijvoorbeeld op de kiezelbeddingen van snelstromende beken. Dode rivierarmen, andere zijwateren van de rivieren en onder meer de Biesbosch doen vervolgens dienst als kinderkamer voor de roofblei. Toch is het niet uit te sluiten dat roofbleien binnen onze grenzen afpaaien, bijvoorbeeld op de basalten beschoeiingen van kribben en kades in Nederlandse rivieren. De vangstplaats van grotere roofbleien in ons land is in de meeste gevallen een water dat permanent of zo nu en dan in verbinding staat met grotere stromende wateren, zoals Volkerak, Hollands Diep, Nieuwe Merwede, Waal, Lek, Nederrijn, Rijn, IJssel en IJsselmeer. Het is nog onbekend welke invloed de roofblei op het inheemse waterleven zal hebben. In de Main is vastgesteld dat de roofblei een achteruitgang van de stand van de daar voorkomende alver heeft veroorzaakt, na zijn intrede via het Main-Donaukanaal. De roofblei foerageert vooral op kleine vis. Misschien is de roofblei daarom goed in staat witvisbroed in te voedselrijke wateren in toom te houden. zoals ook snoek en snoekbaars dat doen.

De roofblei en de mens
Voor de sportvisserij in grote wateren biedt de roofblei interessante mogelijkheden. Deze voortreffelijke sportvis wordt nu al regelmatig aan kunstaas (spinner) gevangen, maar hapt ook in ander aas, zoals de vlok en maden. In Zuidoost-Europa is sprake van een commercile visserij op deze vissoort. Op de roofblei is geen Nederlandse wetgeving van toepassing en er zijn zodoende geen regels zoals een minimummaat of een gesloten tijd. In verschillende gebieden in Europa bestaan wettelijke minimummaten varirend van 28 tot 35 cm. Op grond van Europese richtlijnen heeft Aspius aspius de beschermingsstatus 'kwetsbaar'. De vissoort wordt in zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied namelijk bedreigd door verlies van (paai)habitat en belemmering van de paaimigratie.
 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

copyright WorldwideBase 2005-2009