header_vissen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

de Serpeling

 

Vissenpagina klik hier >>

 
  De serpeling, of Leuciscus leuciscus

Algemeen
De serpeling is een visje van stromende wateren. Voor een geslaagde paai zijn schone waterbodems met zand en grind nodig waarover onvervuild water stroomt met een matige snelheid. De serpeling kwam gedurende de referentieperiode voor in de grote rivieren en de uitmondingen daarvan. Op grond van de vergelijking met vangsten uit de referentieperiode en vangsten uit de jaren zeventig en tachtig kan geconcludeerd worden dat de achteruitgang in aantallen ligt tussen de 90 en 99% (factor tien tot honderd). Sinds 1980 is de vis waargenomen in 101 uurhokken. De meeste vangsten komen uit de Grensmaas, de Linge, de Overijsselse Vecht, de Oude IJssel, de Berkel, de Regge en de Swalm. Uit monitoringsonderzoek van het RIVO blijkt geen toeneming van de vangsten in de laatste tien jaar, eerder het tegendeel. De serpeling staat op de Rode lijst

Kenmerken
6-7 rijen schubben boven de zijlijn. Maximale lengte 30 cm. Nederlands hengelrecord 15 cm (IV-1984).
Door de visserijwet beschermd tot een lengte van 15 cm. Rug blauwgroen, flanken zilverkleurig, buik geelwit. Borst- en buikvinnen lichtgeel met rode tint; overige vinnen grijs. Slanke vis; halfonderstandige bek, waarvan de hoeken niet tot de ogen reiken. Rug- en anaalvin holrond. Eerste straal van de rugvin direct boven de eerste buikvinstralen.
Serpelingen zijn rivierbewonende vissen, die hun eieren in het vroege voorjaar op grindbeddingen afzetten. Aanwezigheid van slib op deze grindbeddingen is zeer schadelijk, omdat dit tegen de eieren kleeft, waardoor stofwisselingsproducten niet meer optimaal aan de omgeving kunnen worden afgegeven en er onvoldoende zuurstof kan worden opgenomen (MILLS, 1981). Serpelingen eten voornamelijk dieriijk voedsel (insecten en hun larven).

Versprelding
In Nederland alleen in rivieren, omdat serpelingen koel, stromend water prefereren. Serpelingen komen niet langer algemeen voor; dit is waarschijnlijk een gevolg van organische vervuiling en thermopollutie.

Knelpunten
Zand- en grindbanken zijn verdwenen, de afwisseling in bodemdieptes wordt kleinier in gekanaliseerde rivieren en beken. Door vermesting van het water raken grindbodems begroeid en/of vervuild. Daardoor verdwijnen de paaiplaatsen. Voor de opgroei van jonge serpelings ontbreekt vaak beschutting in de vorm van onderwaterplanten en oevervegetatie langs stromende wateren. Verstuwing is ook nadelig omdat de paaitrek, hoger stroomopwaarts wordt belemmerd. Het zuurstofgehalte van het water mag niet te veel dalen en de watertemperatuur moet onder de 25C blijven.

Maatregelen
Zuivering van afvalwater en bodemsanering; het tegengaan van diffuse lozingen. Zorgen voor schone bodems in beken en rivieren. Zorgen dat kleine rivieren in elk geval in de paaitijd (vroege voorjaar) optrekbaar zijn.

 
   

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

copyright WorldwideBase 2005-2009