header Mensenrechten


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Oorlog en Geweld
De 2e Wereldoorlog

 

 
   









De Tweede Wereldoorlog : een van 1939 tot 1945 gevoerde strijd tussen de As-mogendheden (Duitsland, ItaliŽ en Ė vanaf dec. 1941 Ė Japan) en hun bondgenoten enerzijds en de Geallieerden (Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, de Sovjet-Unie [vanaf juni 1941] en de Verenigde Staten [vanaf dec. 1941]) en hun bondgenoten anderzijds.

De Tweede Wereldoorlog was enerzijds een inter-Europese machtsstrijd, anderzijds een Aziatische veroverings- en ontvoogdingsoorlog. Ook in een ander opzicht vertoont de Tweede Wereldoorlog een dubbel aspect, nl. dat van strijd tussen nationale eenheden en van een internationale burgeroorlog; in deze laatste zin zette de Tweede Wereldoorlog de Spaanse Burgeroorlog op groter schaal voort. Een ontwikkeling die in de Eerste Wereldoorlog duidelijk zichtbaar werd, nl. machtsverlies van Europa ten opzichte van de andere werelddelen en ontvoogding van de koloniale volken, werd door de Tweede Wereldoorlog versneld.

1. Voorgeschiedenis

De voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog wordt gevormd door het opdringen van Duitsland, ItaliŽ en Japan (zie voor het samengaan van deze drie landen, de vorming van de Ďasí: As Berlijn-Rome en Driemogendhedenpact). De oorzaken die tot de Eerste Wereldoorlog hadden geleid, waren door deze oorlog niet weggenomen. Sterker nog, de harde bepalingen ten nadele van Duitsland, vastgelegd in het Verdrag van Versailles, hielden ruime stof voor nieuwe conflicten in, terwijl Japan en ItaliŽ zich als mede-overwinnaars te kort gedaan voelden. Vrede en democratie raakten in de jaren twintig en dertig meer dan ooit bedreigd, toen in deze landen fascistische en nationaal-socialistische regimes aan de macht kwamen. In Duitsland kon het nazi-bewind van Hitler aan de macht komen als rechtstreeks gevolg van de economische wereldcrisis (vanaf 1929), die ook elders totalitaire tendensen bevorderde en de democratie verzwakte. Het verweer van de westerse democratieŽn tegen de imperialistische aspiraties van vooral Duitsland en Japan miste kracht en doeltreffendheid door onderling wantrouwen (vooral tussen Frankrijk en Groot-BrittanniŽ) en het isolationisme van de Verenigde Staten. Hierdoor was ook de Volkenbond tot machteloosheid gedoemd. De Sovjet-Unie onder Stalin vreesde Duitsland meer dan welk land ook, maar werd door de westerse democratieŽn niet als een acceptabele partner beschouwd bij pogingen Hitler in te tomen.

De voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog begint in 1931 met de bezetting van de Chinese provincie Mantsjoerije door Japan, zonder dat dit land op ernstig internationaal verzet tegen deze agressieve daad stuitte. In 1935 legde Hitler openlijk de bepalingen van het Verdrag van Versailles naast zich neer, ging tot grootscheepse bewapening over en remilitariseerde in het volgende jaar het Rijnland. In 1938 volgde de bezetting van Oostenrijk (de Anschluss) en het Sudetengebied (zie Sudetenduitsers), een deel van Tsjechoslowakije, in welk laatste geval Hitler gebruik maakte van de verregaand toegevende houding van Groot-BrittanniŽ en Frankrijk (zie Conferentie van MŁnchen). Begin 1939 werd geheel Tsjechoslowakije bezet. ItaliŽ had in 1936 al bezit genomen van AbessiniŽ (het huidige EthiopiŽ) en lijfde nu AlbaniŽ in. Na de sluiting van het Duits-Sovjet-Russisch niet-aanvalsverdrag (23 aug. 1939) was Hitlers pad voor een inval in Polen geŽffend.

2. Kenmerken

Het karakter van de Tweede Wereldoorlog was geheel verschillend van dat van de Eerste Wereldoorlog. Van militair of diplomatiek fatsoen was weinig sprake; zo ging Duitsland bij voorkeur zonder oorlogsverklaring te werk. Het trachtte door middel van een Blitzkrieg veelal een beslissing te forceren en door terreur ten aanzien van de burgerbevolking zijn doel te bereiken. In feite vormde eenzelfde terreur Ė zij het zonder succes Ė een neveneffect bij het door de Britse, later ook Amerikaanse, luchtmacht tegen Duitsland en in 1945 tegen Japan onderhouden strategisch bombardementsoffensief. Het gewelddadig optreden had naast politiek-ideologische en militaire, ook economische motieven, zoals de dwang- of slavenarbeid onder Duits en Japans gezag.

De oorlogvoering zelf had een grondige wijziging ondergaan. De legers waren in zeer sterke mate gemechaniseerd; hoewel daardoor de rol van de infanterie nauwelijks minder belangrijk werd, werkte dit element toch mee aan een beweeglijker karakter van de strijd.

Hoewel de strijd met gifgas werd vermeden, stelde toch de hoge vlucht van de techniek de mogendheden in staat zich van verschrikkelijke wapens te bedienen, wat zijn climax bereikte in het werpen door de Geallieerden van twee atoombommen op Japan. Daarvůůr hadden wapens als de fosforbom en de V-wapens reeds hun tol, vooral onder de burgerbevolking, geŽist. De burgerbevolking was veel meer rechtstreeks bij de oorlog betrokken dan in 1914Ė1918, niet alleen door de bombardementen, maar ook door het feit dat talloze vrouwen, jongens en meisjes de opengevallen plaatsen van de mannen innamen en in sommige landen zelfs een actief aandeel aan de oorlogvoering zelf hadden. Het openlijk of ondergronds verzet is een essentieel kenmerk van de Tweede Wereldoorlog, evenals het uitroeien van bevolkingsgroepen (joden, zigeuners, bevolking Slavische landen).

3. Verloop

3.1 Europa, Afrika en West-AziŽ

Op 1 sept. 1939 rukten de Duitsers Polen binnen. Een bemiddelingspoging van Mussolini liep op niets uit. Op 3 sept. verklaarden Groot-BrittanniŽ en Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Verscheidene landen, o.a. BelgiŽ en Nederland, mobiliseerden. Het Poolse leger, verouderd en nagenoeg zonder luchtwapens, bezweek al dadelijk voor de Duitsers, die van drie zijden het land binnenvielen. Na het beleg van het zwaar gebombardeerde Warschau was het pleit beslecht. Nog tijdens de gevechtshandelingen viel de Sovjet-Unie het oostelijk deel van Polen binnen (17 sept. 1939; de laatste Poolse strijdkrachten capituleerden op 28 sept.) en kort daarop verzekerde de Sovjet-Unie zich van de strategische punten in Estland, Letland en Litouwen. Spoedig volgde de annexatie van de Baltische staten (aug. 1940). Aan de Finnen stelden de Sovjetrussen dezelfde eisen als aan de randstaten, maar de Finse regering weigerde ze in te willigen. Op 30 nov. 1939 begon de Sovjet-Unie de ĎWinteroorlogí tegen Finland. Aanvankelijk wisten de Finnen successen te boeken, maar ten slotte moesten zij op 12 maart 1940 voor de Sovjet-Russische overmacht capituleren. Een aantal steunpunten moest worden afgestaan en op de Karelische Landengte het gebied van Vyborg (Viipuri), waardoor Leningrad (thans St.-Petersburg) meer beveiligd kwam te liggen voor een eventuele aanval.

De oorlog in het westen had tot dan toe weinig spectaculairs te zien gegeven. Terecht sprak men van de Ďschemeroorlogí (enkele schermutselingen tussen Maginotlinie en Westwall). De blokkade die Groot-BrittanniŽ uitoefende, bezorgde ook de neutralen grote moeilijkheden. De Duitse onderzeeboten en magnetische mijnen brachten al direct aan de Britse en de neutrale koopvaardijvloot grote verliezen toe. Op 9 april 1940 sloeg Hitler echter zijn eerste grote slag in het westen: hij bezette plotseling Denemarken en liet landingen vanuit zee en vanuit de lucht uitvoeren in Noorwegen. Britse en Franse hulp tijdens de overval op Noorwegen mislukte. De Britse vloot behaalde slechts in de fjord van Narvik enige successen, waar de strijd begin juni werd beŽindigd.

3.2 Duitse opmars in West- en Noord-Europa

Herhaaldelijk was geleken dat Hitler een inval in Nederland en BelgiŽ zou doen. In de ochtend van 10 mei 1940 gebeurde dat ten slotte: de Duitse troepen overstroomden BelgiŽ, Nederland en Luxemburg. In West-Nederland werden grootscheepse luchtlandingen uitgevoerd die gedeeltelijk slaagden. De Duitsers verloren daarbij onverwacht veel vliegtuigen, wat mede bepalend is geweest voor het verloop van de Battle of Britain later in 1940. Nederland strekte de wapens op 14 mei, BelgiŽ op 28 mei. De opzet van de Duitse legerleiding was om de Maginotlinie in de rug te overvleugelen en de in Noord-Frankrijk gelegerde Britse expeditiemacht af te snijden. Op 14Ė15 mei braken de Duitsers bij Sťdan door het Franse Maasfront en konden hun tankcolonnes doorstoten naar Abbeville, welke plaats op 20 mei werd bereikt. In een dramatische actie kon een groot deel van het Britse expeditieleger vanuit Duinkerke worden geŽvacueerd. Aan de Somme was een korte gevechtspauze ingetreden. Paul Reynaud nam de plaats van Daladier in als premier en de onbekwame Franse opperbevelhebber Gamelin was vervangen door Weygand. De ĎSomme-linieí bezweek echter, Parijs werd ingenomen (14 juni 1940) en de Loire werd al spoedig door de Duitse troepen overschreden. De oorlogsverklaring van ItaliŽ aan Frankrijk (10 juni 1940) had weinig om het lijf; aan het Alpenfront wisten de Fransen de Italianen tegen te houden gedurende de korte tijd dat de strijd nog duurde. Vichy werd de zetel van de nieuwe Franse regering, die op 22 juni 1940 een wapenstilstand met de Duitsers sloot. De voorwaarden waren vrij gematigd: het gebied ten noorden van de Loire en de kuststrook werden door de Duitsers bezet, de vloot zou door de bezetter niet worden gebruikt en de koloniŽn mochten onder het gezag van Vichy blijven. Met ItaliŽ werd ook op 22 juni 1940 een wapenstilstand gesloten. Onder generaal De Gaulle had zich intussen (18 juni 1940) een comitť van Vrije Fransen te Londen gevormd.

De positie van Groot-BrittanniŽ leek vrij hopeloos. Churchill, op 10 mei 1940 premier geworden, had slechts Ďbloed, zweet en tranení te bieden. Het leger had te Duinkerke nagenoeg al het materieel verloren en in Afrika waren direct versterkingen nodig. Aan de wal had Groot-BrittanniŽ niet veel meer over dan de slecht uitgeruste Ďhome-guardí. De Verenigde Staten gaven evenwel al spoedig belangrijke materiŽle steun. Hitler had het plan om op korte termijn het luchtoverwicht te verkrijgen, gevolgd door landingen in Zuidoost-Engeland, om zo Groot-BrittanniŽ op de knieŽn te krijgen Daarnaast gold op langere termijn de doelstelling om door de onderzeebootoorlog het land van grondstoffentoevoer en voedsel te isoleren. Dank zij het konvooisysteem ging echter de bevoorrading van overzee door, al werden er grote verliezen geleden. Technisch maakten de Britten bovendien grotere vooruitgang dan de Duitsers, vooral op het gebied van de vliegtuigbouw, radarwaarschuwing, mijnenopruiming en ontcijfering van vijandelijke radiocodes. In de periode juliĖokt. 1940 wist de Britse luchtmacht in de Battle of Britain de Luftwaffe uiteindelijk te brengen tot het zwaktebod van nachtbombardementen op stadscentra. Zo moest Hitler in najaar 1940 zijn invasieplannen uitstellen, mede wegens zijn voornemens in het oosten. Daartoe versterkte hij zich ook diplomatiek.

Hongarije, Bulgarije en RoemeniŽ sloten zich bij de Ďasí aan; tevoren had de Sovjet-Unie BessarabiŽ aan RoemeniŽ ontnomen. ItaliŽ trachtte vanuit AlbaniŽ Griekenland aan te vallen (28 okt. 1940), maar verovering van dit land gelukte pas nadat JoegoslaviŽ in een korte veldtocht (6 tot 17 april 1941) door de Duitsers was bezet en Duitsers en Bulgaren Noord-Griekenland waren binnengevallen. Na de bezetting werd het Joegoslavische territorium verdeeld. KroatiŽ werd een schijnkoninkrijk (onder Italiaanse protectie), waar de Ustaöa-beweging een ware terreur ontketende tegen de als ServiŽrs beschouwde orthodoxen. Daarbij kreeg zij aanvankelijk de hulp van de lagere rooms-katholieke geestelijkheid. Tegen de bezetters en de Ustaöa-beweging streden de door kolonel MihailoviÁ geleide cetniks (Servische vrijheidsstrijders) en Tito's partizanen (communistische strijders), die weldra ook met de cetniks in botsing kwamen. Eenheden van de cetniks kwamen ertoe met de Italianen en in mindere mate met de Duitsers tegen de communisten te collaboreren. Ongeveer 10% van de Joegoslavische bevolking kwam om het leven, merendeels als gevolg van onderlinge strijd. In Griekenland waren de Britse hulptroepen zeer spoedig verdreven, zelfs van Kreta, waar de Duitsers een laatste kostbare luchtlandingsoperatie uitvoerden en grote verliezen toebrachten aan de Britse troepen. Met moeite handhaafde de Britse vloot zich in de Middellandse Zee tegen de numeriek sterkere Italiaanse vloot en luchtmacht, later door de Luftwaffe versterkt, waarbij vooral Malta aan meedogenloze bombardementen was blootgesteld. In Griekenland werd de (goeddeels communistische) verzetsorganisatie ELAS gevormd, het militaire apparaat van de ondergrondse politieke organisatie EAM, waarnaast o.m. de monarchistische verzetsorganisatie EDES stond.

3.3 Duitse inval in Sovjet-Unie

De tegenstelling Sovjet-UnieĖDuitsland, tijdelijk naar de achtergrond gedrongen, was sterker geworden. Hitler meende dat Groot-BrittanniŽ voorshands was verlamd en richtte zich op het oosten. Op 22 juni 1941 overschreden over een breed front de troepen van de Ďasí de Sovjet-Russische grenzen, in het uiterste noorden door Finland gesteund, in het zuiden door RoemeniŽ. Ondanks de tactiek van de verschroeide aarde kon de Sovjet-Unie de Duitse opmars niet stuiten en na enige maanden lagen Leningrad en Moskou in de frontlinie. Hitler had erop gerekend de veldtocht vůůr de winter beŽindigd te hebben. Zijn troepen misten echter de uitrusting voor het doorstaan van de Russische winter, die een ramp werd voor het Duitse leger. Het volgende jaar bracht, na verovering van de Krim, een zomeroffensief in Zuid-Rusland, dat evenwel uitliep op het drama van Stalingrad; het was Hitlers persoonlijke wens dat het beslissende offensief zich hierop zou richten. Hoewel de Duitsers in de Kaukasus aanzienlijke terreinwinst boekten, werd de Slag om Stalingrad (sept. 1942 Ė febr. 1943) het keerpunt in de oorlog. Het zesde leger onder generaal Friedrich Paulus werd in de puinhopen van de stad vernietigd. Het initiatief in de strijd berustte sindsdien bij de Sovjet-Unie.

In Afrika had Groot-BrittanniŽ al vrij spoedig ItaliŽ uit zijn diverse bezittingen, o.a. EthiopiŽ, verdreven.

3.4 Slag bij El Alamein

In LibiŽ grepen de Duitsers nu in en een voorjaar 1941 gezonden expeditieleger onder Rommel wist na heen en weer golvende strijd in juli 1942 tot vlak voor AlexandriŽ op te rukken. In nov. 1942 versloeg Montgomery bij El Alamein de Duits-Italiaanse troepen op beslissende wijze; tot voorbij Tripoli werden de legers van de Ďasí teruggedreven. Op dat moment landden de Amerikanen, die intussen in de oorlog waren geraakt, onder Eisenhower in Frans-Noord-Afrika (8 nov. 1942) en na hevige gevechten in TunesiŽ werden de Duitsers en Italianen uit Afrika verdreven (13 mei 1943). Een invasie in Zuid-Europa kon daarna niet lang uitblijven.

Hoewel nu aan alle fronten het initiatief bij de Geallieerden berustte, begreep de leiding dat hiermee de vijand nog niet verslagen was. Het oorlogspotentieel van de westerse machten en van de Sovjet-Unie werd voortdurend opgevoerd. Via PerziŽ en Moermansk betrok de Sovjet-Unie haar materieel van de Geallieerden. De Amerikaanse oorlogsindustrie kwam onder leiding van Roosevelt tot maximale prestaties; Groot-BrittanniŽ, dat financieel geheel uitgeput raakte, kreeg krachtens de Lend Lease Act (11 maart 1941) al wat het nodig had. Het eerste doel van de Geallieerden was het luchtruim boven Europa te beheersen, wat hun gelukte. De ĎBattle of the Atlanticí, de strijd om de beheersing van de zeewegen, m.n. tegen het duikbootgevaar, verliep sedert mei 1943 steeds meer in hun voordeel, ondanks kolossale verliezen aan koopvaarders.

3.5 Geallieerde invasie op SiciliŽ

Op 10 juli 1943 had de landing van de Geallieerden op SiciliŽ plaats. De verdediging werd weldra door de Duitsers overgenomen; zij ontruimden het eiland, waarna begin september geallieerde landingen, eerst op het zuidelijke vasteland, daarna bij Salerno volgden. Inmiddels was Mussolini ten val gebracht en gearresteerd (25/26 juli) en de nieuwe Italiaanse regering capituleerde op 8 sept. Duitse troepen overrompelden echter het schiereiland en organiseerden ten noorden van Napels een verdedigingslinie. In jan. 1944 volgden landingen ten zuiden van Rome, maar het duurde geruime tijd voordat Rome door de Geallieerden bereikt was (4 juni 1944). Zeer hevig waren de gevechten bij Monte Cassino. Mussolini werd bevrijd door Duitse parachutisten (13 sept. 1943) en organiseerde in het noorden een fascistische republiek. Toen ook hier de tegenstand ineenstortte, werd hij vermoord (april 1945).

3.6 Sovjetrussisch offensief

Na de Duitse debacle bij Stalingrad zwermden de Sovjetrussen met groot elan onder Zjoekovs leiding uit over het Donbekken; Charkov werd bevrijd, maar ging weer verloren. In juli 1943 werd een Duits zomeroffensief bij Koersk beantwoord door een grootscheepse tegenactie, die het Rode Leger binnen vier maanden tot diep in Wit-Rusland en de OekraÔne bracht. Voorjaar 1944 werd Leningrad na jarenlang beleg definitief ontzet, werd de Krim heroverd en de Roemeense grens bereikt, aan de Baltische kust Estland. In de zomer van 1944 overschreden de Sovjetrussen de grenzen van Oost-Pruisen. Zij bereikten in Polen de Weichsel, maar boden de opstandelingen in de hoofdstad onder generaal Bor geen hulp. Zij dwongen de Finnen, Roemenen en Bulgaren tot capitulatie en rukten Tsjechoslowakije, Hongarije en JoegoslaviŽ binnen. Dit laatste land was echter reeds grotendeels van de bezetter bevrijd door de partizanen onder leiding van Tito, wat van invloed zou blijken bij de latere verhouding tot de Sovjet-Unie.

3.7 Invasie in NormandiŽ

Op 6 juni ( ĎD-dayí) 1944 landden de Geallieerden onder leiding van Eisenhower in NormandiŽ, met een overmacht aan schepen, vliegtuigen en manschappen. De Atlantikwall werd geforceerd. Montgomery bond bij Caen de Duitse hoofdmacht en pantserreserve, zodat de Amerikanen eind juli bij Avranches een doorbraak konden forceren. Terwijl de rond Falaise omsingelde Duitse troepen onschadelijk werden gemaakt, werd de opmars naar Parijs ingezet, waar De Gaulle op 24 aug. 1944 zijn intocht kon houden. Britten en Canadezen, door Polen bijgestaan, trokken op langs de Kanaalkust en bevrijdden BelgiŽ (Brussel 3 sept., Antwerpen 4 sept.). Amerikanen trokken op 12 sept. bij Eijsden Nederland binnen. Een tweede, minder spectaculaire invasie had plaats aan de Riviera (15 aug.) en Zuid- en Oost-Frankrijk raakten Ė zonder veel moeite Ė in geallieerde handen.

3.8 Slag bij Arnhem

Door de mislukte luchtlandingen bij Arnhem (17Ė26 sept. 1944) konden de Geallieerden hun plan door ťťn grote slag over de grote rivieren te komen, niet realiseren. Wel werden hierbij de zuidelijke provincies van Nederland bevrijd Ė veelal, zoals in Zeeland en in Noord-Limburg, pas na bloedige strijd en verwoesting. De Duitsers streden ook aan hun eigen grenzen met groot fanatisme door. Op 16 dec. 1944 lanceerden zij zelfs in de Ardennen nog een tegenoffensief. In febr. 1945 werd echter het Rijnland veroverd, in maart trokken de Amerikanen bij Remagen, de Engelsen bij Wesel de Rijn over. Amerikanen en Sovjetrussen ontmoetten elkaar reeds eind april bij Torgau aan de Elbe.

3.9 Val van Berlijn

Begin mei 1945 viel Berlijn in Sovjet-Russische handen. Hitler pleegde zelfmoord (30 april) en op 4 mei capituleerden de Duitsers in Noordwest-Duitsland, Nederland, Denemarken en Sleeswijk-Holstein; op 7 mei werd de onvoorwaardelijke capitulatie van alle Duitse troepen ondertekend in Eisenhowers hoofdkwartier te Reims. De voorwaarden werden effectief op 9 mei 1945.

3.10 Bombardement Pearl Harbour; Oost-AziŽ

Japan was sedert juli 1937 in een informele oorlog met China verwikkeld en in het bezit van de Chinese kuststrook. Op 27 sept. 1940 sloot Japan met Duitsland en ItaliŽ het Driemogendhedenpact. Japan profiteerde van de machteloosheid van de Vichy-regering en bezette in 1941 het Franse Indo-China. Tegelijkertijd werden in Washington en in Batavia onderhandelingen gevoerd, als een soort rookgordijn. Plotseling bombardeerde Japan Pearl Harbor (7 dec. 1941), de vlootbasis van de Amerikanen in de Grote Oceaan. De Amerikaanse Pacificvloot werd hierdoor (uitgezonderd, door toeval, de vliegkampschepen en kruisers) voorlopig uitgeschakeld. Oorlogsverklaringen volgden over en weer. Birma, Malakka met de basis Singapore, de Filippijnen en Nederlands-IndiŽ werden (behalve het tot april/mei 1942 verdedigde Bataan en het eiland Corregidor) zonder moeite door Japan bezet, nadat de Britse vloot bij Malakka was vernietigd. Een geallieerd eskader onder Nederlands bevel werd in de Slag in de Javazee eveneens uitgeschakeld. Met bijzondere veerkracht wisten de Amerikanen echter in de Slag in de Koraalzee (7Ė8 mei 1942), de Zeeslag bij Midway (3Ė6 juni 1942) en door de landing op Guadalcanal (zomer 1942) het offensief van Japan te breken. Landingen volgden op Nieuw-Guinea (5 aug. 1942) en New Britain (15 dec. 1943). De Amerikaanse marine drong steeds dieper door in de linies van de Japanners, die in de grote zeeslagen in de Filippijnse Zee en in de Golf van Leyte (1944) werden overwonnen. Via een reeks amfibische landingen (island hopping) op de Gilbert- en de Marshalleilanden, de Carolinen en de Marianen en ten slotte op de Filippijnen bereikten de Amerikanen Iwo Jima en Okinawa (21 juni 1945). Intussen werd door de vloot en van de veroverde bases een krachtig luchtoffensief tegen Japan gelanceerd. Ook uit Birma werden de Japanners na een wisselende strijd verjaagd. De Birma-weg kwam weer vrij en zo kon ook China (Tjiang Kíai-sjek) zijn verdediging versterken.

3.11 Capitulatie

Door de bijzonder hardnekkige Japanse verdediging van de hoofdeilanden zou echter een invasie noodzakelijk geweest zijn, indien niet de Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en op Nagasaki (6 resp. 9 aug. 1945) Japan hadden doen capituleren. Op 8 aug. 1945 verklaarde de Sovjet-Unie aan Japan de oorlog en viel Mantsjoerije binnen. In de Baai van Tokio werd op 2 sept. 1945 de capitulatie ondertekend aan boord van de Missouri, onder leiding van generaal MacArthur, waarna Japan begon met de ontruiming van alle nog bezette gebieden.

4. Na de oorlog

De bestrijding van het nationaal-socialisme na de oorlog vond een hoogtepunt in de berechting van de oorlogsmisdadigers in Neurenberg (zie Neurenbergse processen); de Japanse oorlogsmisdadigers stonden terecht te Tokio. Ondanks de toenemende spanningen tussen de bondgenoten kon met de meeste vijandelijke landen vrede worden gesloten; op 10 febr. 1947 te Parijs met ItaliŽ en de Europese satellietstaten, op 8 sept. 1951 te San Francisco met Japan (niet erkend door de Sovjet-Unie). Japan verloor een deel van zijn grondgebied, waaronder de Ryukyu-eilanden en de door de Sovjet-Unie weer opgeŽiste Koerilen. Leger en vloot en hun luchtmachten werden bij hervormingen Ďvoorgoedí afgeschaft, vrouwenkiesrecht werd ingevoerd, persvrijheid werd hersteld. De vredesdoeleinden en territoriale wijzigingen waren door de Geallieerden reeds in de loop van de oorlog vastgesteld. Met Oostenrijk werd in 1955 vrede gesloten.

Met Duitsland werd aanvankelijk geen vrede gesloten. Het land werd verdeeld in twee staten: de Bondsrepubliek Duitsland, gevormd door die gebieden die door Amerikaanse, Engelse en Franse troepen waren bezet, en de Duitse Democratische Republiek op door de Sovjet-Unie bezet territorium. Pas op 12 sept. 1990 werd door de betrokken staten een akkoord gesloten waarbij alle geallieerde voorrechten, met name die in de bezettingszones, werden afgeschaft en de Duitse soevereiniteit volledig werd hersteld; deze soevereiniteit trad op 2 okt. 1990, de dag vůůr de eenwording, in werking. In sept. 1990 werd een Duits-Russisch vriendschapsverdrag gesloten, waarbij Ė het verenigde Ė Duitsland de Sovjet-Unie beloofde nimmer meer te zullen aanvallen. In nov. 1990 werd door Duitsland een vriendschapsverdrag gesloten met Polen, waarbij o.a. de Poolse westgrens (Oder-Neissegrens) definitief werd vastgelegd. In okt. 1991 werd een vriendschapsverdrag gesloten tussen Duitsland en Tsjechoslowakije.

In totaal verloren naar zeer globale schatting 17 miljoen militairen en 20 tot 30 miljoen burgers het leven. De Sovjet-Unie telde de meeste slachtoffers: 10 miljoen militairen en ongeveer even zoveel burgers. De verliezen aan Duitse en Japanse zijde bedroegen drie resp. twee miljoen militairen en aan elke zijde ten minste een half miljoen burgers. In Japanse gevangenschap kwamen enkele tienduizenden niet-Aziatische militairen en een veelvoud aan Aziaten om. In Polen vielen de doden vooral onder de burgerbevolking, ca. 5 miljoen. In China sneuvelden ca. 1,3 miljoen militairen. ItaliŽ, Frankrijk, Groot-BrittanniŽ en JoegoslaviŽ telden elk honderdduizenden gesneuvelde militairen en omgekomen burgers. De Amerikanen verloren bijna 300!000 militairen. Een aparte categorie slachtoffers in deze oorlog vormden de joden (zie holocaust). Uiteindelijk werden ca. zes miljoen Europese joden vermoord, met name in door de nationaal-socialisten ingerichte vernietigingskampen
 

 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

© copyright WorldwideBase 2005-2009