header Paleontologie

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Het belang van
Fossielen

 

 
   
Rotsen vormen de sleutel met het verleden. Voor de geoloog zijn het net bladzijden uit een geschiedenisboek. Ze zijn echter wel moeilijker te lezen, omdat ze gescheurd kunnen zijn, omgebogen, ondersteboven en verspreid over een groot gebied.
De geologische tijdschaal is hoofdzakelijk gebaseerd op de opbrengsten van uit bezinksel ontstane rotsen en bestrijkt de tijdsruimte van de lange geschiedenis van de aarde. Die stelt geologen in staat om gebeurtenissen in volgorde van tijd te plaatsen en ze in de juiste periode onder te brengen.
Uit neerslag of bezinksel ontstane sedimentaire rotsen zijn gevormd door bezinksel onder water. Het is logisch dat een bepaalde laag bezinksel neergeslagen moet zijn voor de laag erboven, en dus ouder moet zijn. Daaruit volgt dat als de rotsen boven de zee uitrijzen, de bovenste laag jonger is dan de laag eronder. Als elk gebied een simpele structuur had , dan zou deze theorie overal opgaan, maar in vele streken zijn de lagen verdraaid, gebarsten of zelfs helemaal omgekeerd door bewegingen van de aarde.
Een nog grotere moeilijkheid bij het samenstellen van de geologische tijdschaal is het feit dat geen enkel gebied volledige reeksen overblijfselen uit een bepaald tijdperk bevat. Als dit zo was, dan zou de dikte van de bedekkende sedimentaire rots ongeveer honderdvijftig kilometer bedragen. In feite heeft de neerslag van bezinksel steeds plaatsgevonden in het ene gebied, terwijl in een ander gebied het land door erosie (water en wind) werd afgebroken (zoals tegenwoordig). Wanneer er onregelmatigheden in rotsen voorkomen, dan duidt dat op een tijdsonderbreking. Het grote probleem is de tussenpassende lagen te herkennen en te weten waar en wanneer ze gevonden kunnen worden. Daar ligt nu precies de grote waarde van de fossielen.
Het was William Smith, de man die in Engeland geldt als de grondlegger van de geologie, die zich aan het einde van de 18de eeuw realiseerde dat bepaalde fossielen behoren bij bepaalde rotsformaties. Hij redeneerde dat het daardoor mogelijk moest zijn een zekere rotsformatie te bepalen, waar die ook wordt aangetroffen, aan de hand van de fossielen die deze bevat. De reden dat bepaalde fossielen alleen maar in bepaalde rotsen worden gevonden is vrij eenvoudig : de levensvormen hebben zich voortdurend  geleidelijk aan ontwikkeld in de lange geschiedenis van de aarde. Een bepaalde plant of een bepaald dier hoort dus in een overeenkomstige periode en de fossiele overblijfselen of sporten zullen alleen voorkomen in rotsen die in deze periode werden gevormd. Aangezien het ontwikkelingspatroon duidelijk blijkt uit de opeenvolgende rotslagen, als ze niet teveel zijn verstoord, is het mogelijk sommige rotsen in bepaalde gebieden te herkennen als opvulling van de tijdsonderbrekingen in andere gebieden, door de fossielen van overeenkomstige levensvormen die ze bevatten. Op dezelfde manier toont een onnatuurlijke opeenvolging van fossielen aan, dat er rotslagen 'overgeslagen' zijn. Met de hulp van fossielen is het dus mogelijk om een overzicht te maken van rotsen van verschillende ouderdom, gerangschikt in tijdsvolgorde (geologische maatstaven) en zo de geologische tijdsschaal samen te stellen (zie bovenstaand schema).

De geologische tijdschaal
De geologische tijdschaal geeft de onderlinge ouderdomsverschillen van geologische gebeurtenissen aan. Deze laat zien dat de grote, moerasachtige wouden, waaruit de grote hoeveelheid steenkool in de wereld is ontstaan, voorkwamen na de periode dat de rode zandsteen uit de devoon-periode werd afgezet en voordat de aardbewegingen plaatsvonden waardoor het Appalachian-gebergte in Noord Amerika omhoog kwam, een bergketen misschien even hoog als nu de Alpen. Maar je krijgt niet de werkelijke, absolute leeftijd van de steenkoollagen of de rode zandsteen. Pas door de ontdekking en ontwikkeling van de radioactiviteit werd het mogelijk een relatief nauwkeurige verdeling en indeling voor de geologische tijdschaal op te stellen, waardoor de betrekkelijke, relatieve tijd kon worden omgezet in absolute, werkelijke tijd. Van bepaalde rotsen kan de ouderdom worden bepaald door de radioactieve mineralen die ze bevatten. Radioactieve elementen zoals uranium en thorium worden afgebroken of vallen uiteen in stabielere elementen (in dit geval lood). Omdat de mate waarin dit gebeurt kan worden berekend, is het mogelijk door het noteren van de hoeveelheid lood die is voortgebracht door het uranium of thorium in dergelijke rotsen, de ouderdom ervan vast te stellen. In de praktijk is dit moeilijker dan het hier theoretisch wordt voorgesteld, want één gram uranium levert in een miljoen jaar slecht 0,0000136 gram lood op.  Een zeer kleine vergissing in de vaststelling van de verhouding uranium/lood, betekent sowieso een afwijking van vele miljoenen jaren in het eindresultaat voor de ouderdom van die rots.
Dit is niet het enige probleem, want in het algemeen worden radioactieve mineralen aangetroffen in rotsen die uit vuursteen bestaan, waarvan het vaak zelfs moeilijk is de geologische ouderdom te bepalen. Indien die bepaalde rots voorkomt als een lavastroom in sedimentaire rotslagen, dan kan de geologische ouderdom gemakkelijk worden bepaald aan de hand van de steenlagen eronder en erboven. Maar misschien zijn ze een gevolg van erin gedrongen gesmolten materiaal uit de sedimentaire rotsen eronder : ze zijn dan jonger dan de erin doorgedrongen sedimentaire rotsen ... maar hoeveel jonger ?  Als de rots van vuursteen vrijwel even oud blijkt te zijn als de ermee verbonden sedimentaire rotsen, dan kunnen ze dienen als merktekens op de geologische tijdschaal.
 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

© copyright WorldwideBase 2005-2009