header Paleontologie

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

De Krijt-periode
 

 
   



Krijt [geologie], het bovenste van de drie systemen, en de daarmee overeenkomende periode, van het MesozoÔcum. Radiometrische ouderdom: 135 tot 65 miljoen jaar.

1. Grenzen en indeling
Het Berriasien wordt als onderste etage beschouwd, al levert de nauwkeurige grens ten opzichte van de Jura moeilijkheden. Het Krijt wordt in twee series (en tijdvakken) verdeeld: Onder- en Boven-Krijt (of ĎChalkí), ieder met zes etages. De belangrijkste indexfossielen zijn ammonieten, (met verschillen tussen de boreale en de mediterrane provincies), belemnieten (in de boreale provincie), foraminiferen en nannoplankton. In het middengedeelte van het Krijt, vooral Aptien/Albien en Turonien, komen op grote schaal zwarte schalies voor die wijzen op anaŽrobe omstandigheden in vele sedimentatiegebieden.

2. Paleogeografie
+++  foto bovenaan : Noord Amerika in de vroege Krijt-periode en onderaan in de late Krijt-periode +++
Tijdens het Krijt werd noordelijke Atlantische Oceaan steeds groter; tegelijkertijd begon ook de zuidelijke Atlantische Oceaan zich te openen. Als gevolg hiervan gingen Noor-Amerika en EuraziŽ langzaam uit elkaar. Ook de overige continenten, die Gondwana vormden, gingen uit elkaar (zie continentverschuiving). Een gevolg daarvan was dat de randen van de zuidelijke continenten door de zee overspoeld werden (transgressie). Na een duidelijke teruggang van de zee op de overgang Jura/Krijt trad geleidelijk een nieuwe transgressie op die haar hoogtepunt bereikte in het Boven-Krijt. In de Tethys begonnen de begrenzende continenten naar elkaar toe te bewegen.
West-Europa kwam tegen het einde van de Jura grotendeels droog te liggen, al ging in sommige gebieden de sedimentatie in continentale faciŽs door. Deze Wealden-faciŽs (continentale faciŽs van het Onder-Krijt) bestaat uit zand en klei, soms met koollagen. Het zijn afzettingen van rivieren en in meren en moerassen (veen). In het Germaanse bekken drong de zee reeds in het Valanginien uit het noorden binnen, in het Bekken van Parijs begon dat langzaam uit het zuidoosten, in het Barrťmien. Eerst in het Albien werd de verbinding tussen het Bekken van Parijs en Zuid-Engeland hersteld. Intussen bereikte de transgressie uit het noorden het zuidoosten van Engeland al eerder, zodat de mariene sedimentatie daar met het Aptien ( ĎLower Greensandí) hervat werd. De mariene afzettingen zijn vooral kleien, soms met zand langs de bekkenranden, in het Neder-Saksische bekken en ook in Nederland, bijv. de Bentheimer zandsteen (Valanginien) en de Gildehauser zandsteen (Haute-rivien). De voortgaande transgressie leidde ertoe dat de paleozoÔsche massieven meer en meer door de zee werden bedekt. De voet van de Ardennen in Zuid-Limburg werd pas in het Campanien door de zee bereikt, getuige de afzetting van het mariene Zand (Formatie) van Vaals dat naar het zuiden overgaat in het Zand (Formatie) van Aken, dat waarschijnlijk gedeeltelijk op het land is afgezet. Op het Zand van Vaals rust de Formatie van Gulpen, een zeer lichtgekleurde tot witte, fijnkorrelige kalksteen, die op haar beurt bedekt wordt door de Formatie van Maastricht, een lichtgele, vaak bioklastische kalksteen, of in het oosten van Zuid-Limburg door de Kunrader kalksteen, een afwisseling van harde en zachte kalksteenlagen. In BelgiŽ sluit het Bekken van Bergen aan bij het Bekken van Parijs.
Op de Wealden begon de mariene sedimentatie met het Albien, aanvankelijk met bioklastische afzettingen en mergels, in het Coniacien overgaand in lichte kalkstenen. De hogere delen ervan, het Krijt van Obourg en van Nouvelles (Campanien), van Spiennes en van Ciply, en ten slotte het ĎTufkrijtí van Saint-Symphorien zijn vergelijkbaar met Zuid-Limburg, waarmee pas in het Maastrichtien een directe verbinding tot stand kwam. Tijdens het hoogtepunt van de transgressie in het Boven-Krijt lag een groot deel van West-Europa onder zee. In het noorden stak het Baltisch schild er boven uit, in het westen een deel van de Caledoniden en het Armorikaans massief. Het massief van Brabant was grotendeels onder de Krijtzee verdwenen, maar delen van de Ardennen en de Rijngebergten met Vogezen en Zwarte Woud bleven droog. Dit hogere gebied stond in verbinding met het Boheems massief, zodat het Zuid-Duitse bekken zijn betekenis in het Krijt verloren had. Oostwaarts reikte de transgressie over grote delen van de Russische tafel. Tot deze uitgestrekte platzeefaciŽs behoort ook het Krijt van het Juragebergte. De Helvetische zone van de Alpen vertoont een diepere faciŽs. Deze subalpine helvetische trog kan tot in het zuidoosten van Frankrijk worden vervolgd. Dit gebied bleef ook in het Onder-Krijt een marien sedimentatiegebied, met dikke afzettingen van mergels met ammonieten. Een deel van de namen van de etages van het Onder-Krijt is aan dit gebied ontleend. In de centrale delen van de Alpen (Penninische zone, Oost-Alpen) leidden beginnende orogene bewegingen tot afzetting van een flysch-faciŽs in het Boven-Krijt.

3. Flora en fauna
Een grote verandering voltrok zich in de landflora met de verschijning van de eerste bedektzadige planten in het Onder-Krijt en hun grote ontplooiing in het Boven-Krijt. Mariene sedimenten bevatten soms in grote hoeveelheden de overblijfselen van kalkflagellaten. Onder de eencellige dieren beleefden de Foraminiferen een bloeitijd. Kiezelsponzen zetten hun jurassische ontwikkeling voort. Koralen zijn vooral in het Boven-Krijt belangrijke rifbouwers. Brachiopoden gingen in betekenis verder achteruit. Mosdiertjes daarentegen namen met grote verscheidenheid een belangrijke plaats in. Onder de tweekleppige weekdieren moeten de Rudisten worden genoemd, die met hun uitgesproken asymmetrische schaal dikwijls rifbouwend zijn; de inoceramen hebben een beperkte betekenis als indexfossielen. De Ammonieten, ontwikkelden tegen het einde van het Krijt allerlei bizarre schaalvormen. Na het Maastrichtien komen zij niet meer voor. Belemnieten blijven van belang. Onder de Stekelhuidigen zijn de Zee-egels van betekenis. Bij de Vissen nemen de Beenvissen met het Boven-Krijt de dominerende plaats van de Beensnoeken over. Onder de Reptielen bereiken de DinosauriŽrs hun grote bloeitijd (o.a. de hoogopgerichte landdinosauriŽr Iguanodon uit de Wealden van Bernissart, prov. Henegouwen, de 30 m lange planteneter Brontosaurus, de moerasbewoner Atlantosaurus en de schrikwekkende vleeseter Tyrannosaurus). De DinosauriŽrs sterven met het einde van het Krijt uit. Uit andere groepen van reptielen moet de in zee levende Maashagedis worden genoemd. Van de Vogels zijn uit het Krijt slechts enkele vertegenwoordigers bekend. Tegen het einde van het Onder-Krijt vond onder de Zoogdieren een splitsing plaats in Buideldieren en zoogdieren met een placenta. In het Boven-Krijt ontwikkelden zich de laatste in uiteenlopende richtingen (o.a. Insecteneters en Primaten).
De grote faunistische veranderingen (snel uitsterven van vele groepen) met het einde van het Krijt worden in verband gebracht met de inslag van een groot buitenaards lichaam. Waarschijnlijk was het een in drie of meer meteorieten uiteengevallen komeet; in aanmerking komen de inslagkrater Chicxulub (Maya-woord voor Ďhet achterwerk van de duivelí) op het Mexicaanse schiereiland YucatŠn, 200 km doorsnede, de Manson-krater in Iowa, doorsnede 30 km en de Popigay-krater in het midden van SiberiŽ, doorsnede 100 km. Een belangrijk argument voor de inslagtheorie is de aanwezigheid op tal van plaatsen op aarde van een dun kleilaagje met een hoog gehalte aan iridium, op de grens van Krijt en Paleogeen. Iridium, een metaal uit de platinagroep, is in de aardkorst buitengewoon zeldzaam, maar heeft kosmisch een veel grotere verspreiding. De atmosferische gevolgen, vnl. een stijgen van de temperatuur met 10 įC door het vrijkomen van gigantische hoeveelheden kooldioxide, moeten een groot deel van de hele voedselketen beÔnvloed hebben. Naast het uitsterven van de grote dinosauriŽrs (kleine soorten, met een lichaamsgewicht van ca. 25 kg, zijn nog uit het Paleoceen bekend) zijn er ook grote veranderingen in tal van groepen van ongewervelde dieren en bij planten (in zee levende algen).

4. Klimaat
Sporen van vergletsjeringen zijn uit het Krijt niet bekend. De Tethys was een warme oceaan en aan weerszijden komen in een brede gordel overvloedig kalksedimenten met riffen voor. Afzettingen met koollagen zijn wijdverbreid, evenals evaporieten. Alle gegevens wijzen op een minder uitgesproken klimaatzonering dan thans. 18O/16O-verhoudingen in de carbonaten van zeefossielen wijzen voor grote delen van Europa op watertemperaturen tot 25 įC.

5. Tektonische en magmatische activiteit
In het gebied van de Tethys begonnen tegen het einde van het Onder-Krijt de alpine orogenetische bewegingen, die zich in het Boven-Krijt voortzetten (austrische fase, pre-Gosaufase). Het karakter van de metamorfose wijst er op dat langs de randen van de Tethys onderschuiving plaatsvond. Het onregelmatige reliŽf leidde tot afzetting van flysch-sedimenten in de Penninische zone. In het hele alpine gebergtesysteem, van het Iberisch Schiereiland tot Zuidoost-AziŽ, is het Boven-Krijt een tijd van bewegingen. Hetzelfde geldt voor de randen van de Grote Oceaan, waar deze bewegingen soms gepaard gingen met intrusie van granodiorietische gesteenten. Zwakke bewegingen, gedeeltelijk langs breuken, vonden ook in Noordwest-Europa (o.a. in Nederland) plaats (subvariscische bewegingen). Zij gaven soms aanleiding tot aanzienlijke erosie.

6. Delfstoffen
Steenkool, meestal zachte, bitumineuze kool, wordt o.a. in Noord-Amerika ontgonnen. Zand- en kalkstenen vormen overal belangrijke reservoirgesteenten waaruit aardolie wordt gewonnen; in Nederland zijn dit vooral de zanden in het Onder-Krijt (Schoonebeek; Zuid-Holland). De magmatische activiteit die gepaard ging met de alpine bewegingen, heeft zowel in het gebied van de Tethys als om de Grote Oceaan tot het ontstaan van ertsafzettingen geleid. Kalkstenen van het Krijt worden ontgonnen als bouwsteen en als grondstof voor de kunstmest- en de cementindustrie.
 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

© copyright WorldwideBase 2005-2009