header Paleontologie

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Fossielen
 

 
   


Fossielen zijn sporen van dieren of planten die door de natuur op verschillende manieren werden bewaard, soms vele miljoenen jaren geleden.
Ooit stierf een Ichtyosaurus (foto rechts) en zonk naar de bodem van de zee. In de loop van de tijd werd zijn skelet bedekt met modder, die langzamerhand veranderde in massieve rotslagen. Het ingesloten geraamte werd zo geleidelijk een fossiel. Later kwam door bewegingen in de aardkorst dat gedeelte van de zeebodem boven water te liggen. Door erosie, als gevolg van de inwerking van ijs, water en wind verdween langzaamaan de rots, waardoor het fossiele geraamte tevoorschijn kwam.
Als een dier sterft, wordt het lichaam vaak opgegeten door andere dieren of het gaat over tot ontbinding. Maar de harde delen, de schalen of botten en de tanden, worden niet zo gemakkelijk vernietigd. De noodzakelijke voorwaarde voor het 'conserveren' is, dat het dier betrekkelijk snel wordt begraven, dus voordat de natuur tijd heeft om de beenderen in stof te veranderen door wisselingen in temperatuur of druk. De meeste kans op conservatie bestaat in de zee, vooral dichtbij de kust, wat er de reden van is dat bijna alle fossielen worden aangetroffen in rotsen die uit bezinksel zijn ontstaan. In dergelijke rotsen zijn zelfs fossielen van landdieren aangetroffen, mogelijk doordat ze bij overstromingen in zee terecht zijn gekomen.
Fossielen kunnen in een aantal verschillende vormen voorkomen. Meestal wordt het werkelijke geraamte geconserveerd. Dit gebeurde, wanneer dieren omkwamen in moerassen of diepe kuilen en snel door de aarde werden bedekt. Onder zeer ongewone omstandigheden kan het ganse dier worden geconserveerd. In Alaska en in SiberiŽ zijn mammoets (de voorlopers van de tegenwoordige olifanten) gevonden, die in ijs waren gewaard en vrijwel nog volledig intact waren !
Meestal verstenen de begraven geraamten echter en veranderen dus in steen. Dit wordt veroorzaakt door het grondwater, dat minerale stoffen afzet in de poriŽn van de beenderen, een proces dat als permeatie bekend staat. Anderzijds kan het ook gebeuren dat elk deeltje van de substantie weggevreten wordt en vervangen wordt door een deeltje van een minerale stof. Versteende beenderen ontstaan meestal op de eerste manier en versteend hout op de laatste manier.
Het komt voor dat begraven substanties  totaal worden weggevreten door het opborrelende grondwater, zodat er een open ruimte in de rots overblijft, die overeenkomt met de oorspronkelijke vorm van het dier. Later kan het grondwater deze holte vullen met minerale stof, waardoor als het ware een stenen afgietsel van het dier ontstaat. Interessant zijn de holten die zo zijn ontstaan van insecten, die zijn blijven kleven aan hars dat uit een boom drupte. Deze zijn geleidelijk hard geworden en tot barnsteen gevormd en hoewel het meeste van die insecten uitdroogde en verdween, kunnen de omtrekken van de oorspronkelijke vorm aan de holte van het doorzichtige materiaal duidelijk onderscheiden worden. Holten van uiterst dunne dieren of voorwerpen, zoals bijvoorbeeld bladeren, worden gewoonlijk afdrukken of indrukken genoemd.
Vele plantenfossielen zijn eenvoudig resten koolstof, die de werkelijke vorm van het oorspronkelijke dier of voorwerp weergeven en ook fossielen van weke ongewervelde dieren zijn gewoonlijk op deze manier gevormd. Soms is het versteende geraamte van een dier omgeven door een dun laagje koolstof, dat de werkelijke omtrek van het lichaam aangeeft van het dier, zoals het in feite was.
Ongewone fossielen zijn ontstaan door de sporen van dieren, achtergelaten in de modder, die later hard werd en tenslotte rots is geworden. Er zijn bijvoorbeeld zeer gave voetafdrukken gevonden van een dinosaurus aan de oever van een vroegere waterloop in de Gobi-woestijn in Centraal AziŽ en in vele andere streken.
Fossielen vormen een sleutel tot het verleden. Ze geven een verklaring van het veranderende levenspatroon in de loop der eeuwen. Het moeilijkste blijft om de juiste tijd erop te kleven. We staan bijvoorbeeld voor een dertig meter hoge kalkrots. Geologen hebben gerekend dat per duizend jaar ťťn centimeter van de hoogte aan kalk werd gevormd. Een fossiel dat negen meter boven een ander fossiel gevonden wordt is dus 900.000 jaar jonger dan dat andere fossiel. Dit levert echter slechts een 'relatieve' ouderdom op, dus het verschil ten opzichte van elkaar. De werkelijke ouderdom kan pas worden bepaald, nadat de ouderdom van de kalkrots is vastgesteld.

 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

© copyright WorldwideBase 2005-2009