header Paleontologie

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Het Silurium
 

 
   

De silurium-periode begon ongeveer 350 miljoen jaar geleden, onder bijna identieke omstandigheden als tijdens het ordovicium. Er werd weer schelpachtig bezinksel neergelegd in het ondiepe water, grint in de geulen en zwarte leisteen in het diepe water. De vulkanen waren echter niet langer actief, afgezien van enkele plaatselijke uitbarstingen, zoals in de Mendip-heuvels in Engeland. Graptolieten waren talrijk aanwezig en zijn nog steeds de fossielen die dienen voor het bepalen van de ouderdom van de rotsen. De meeste soorten uit het ordovicium waren uitgestorven, maar de nieuwe, uit ťťn streng bestaanden monograptus verscheen en de fossielen hiervan kenmerken de silurium-rotsen. De monograptus en enkele verwanten waren de laatste graptolieten die tot ontwikkeling kwamen.
De allerlaatste exemplaren verdwenen tegen het einde van het silurium en daarmee stierf de soort definitief uit.
In het ondiepe water waren vele soorten trilobieten uit het ordovicium overgebleven, maar de kenmerkende trinucleus en asaphus waren verdwenen. Soorten met grote ogen, zoals phacops en dalmanites waren opvallend. Men neemt aan dat de zeer speciale gestekelde soorten zoals deiphon geschikt waren om te zwemmen. DiatomeeŽn waren talrijk en er zijn hele schelpen-banken bewaard gebleven op plaatsen waar ze zich ophoopten op de zeebodem. Ook kwamen veel koralen voor, die riffen vormden, net als tegenwoordig, waar het zeewater helder was en vrij van modderig bezinksel. Hoewel ze niet nauw verwant waren aan de huidige soorten, schijnt hun levenswijze gelijk te zijn geweest. Daarom neemt men aan dat het water waarin ze tijdens het silurium groeiden, in diepte en temperatuur gelijk was aan de tegenwoordige koraalzeeŽn. In zeer laat silurium-bezinksel zijn enkele schalen en stekels gevonden, die erop wijzen dat de vroege vissen zich begonnen te vermenigvuldigen.
De silurium-periode wordt in drie gedeelten verdeeld. Eersthet Llandovery, dan het Wenlock en tenslotte het Ludlow. In het begin van het Llandovery trok de zee zich in Wales ietwat terug naar het oosten, maar overigens waren de gebieden waar bezinksel werd gevormd dezelfde als die aan het eind van het ordovicium. De geografische toestand is nauwkeurig bekend uit rotsonderzoek. Het bezinksel van ondiep water als zandsteen en modder met schelpenresten in Zuid Wales duidt erop dat in het Llandovery de kunstlijn dicht bij het zuidoosten lag. Tijdens deze periode vonden kleine aardbewegingen plaats en in Wales kwam in het late Llandovery de zee weer uit het oosten binnen, zelfs tot aan Birmingham.
Wenlock en Ludlow zijn genoemd naar steden in Shropshire. In Shropshire zelf bleef de zee ondiep en uit het heldere, warme water werd kalksteen neergeslagen. Modder wordt afgewisseld door kalksteen, waardoor de tijden worden aangegeven toen er weer bezinksel in het gebied werd aangevoerd. Tegenwoordig vormt kalksteen de bekende kustranden van Shropshire, met leisteen die de tussenliggende dalen vormt.
 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

© copyright WorldwideBase 2005-2009