header Paleontologie

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

het
Tertiaire Tijdperk

 

 
   

Het begin van het tertiaire tijdperk, 70 miljoen jaar geleden, wordt gekenmerkt door grote veranderingen in het dierenleven. Het tijdperk van de overheersing van de reptielen was voorbij. Er is geen enkele dinosaurus bekend die na de krijtperiode nog in leven was. De ammonieten (een grote groep van slakachtige weekdieren uit de jura- en krijt-periode) waren eveneens uitgestorven, net als de belemnieten, een groep weekdieren  die verwant waren aan de tegenwoordige inktvissen. Wat dit uitsterven heeft veroorzaakt, is niet bekend.
De nieuwe heersers waren de zoogdieren en de vogels. Vooral de zoogdieren namen sterk in verscheidenheid en aantal toe. In rotsen uit het tertiaire tijdperk komen fossielen voor van soorten, die nu nog bestaan. Hierdoor is men in staat het tertiaire tijdperk in kleinere tijdseenheden te verdelen.
Het oudst is het paleoceen, dat weinig fossielen van thans nog bestaande weekdieren heeft opgeleverd. Daarna komt het eoceen met nauwelijks meer fossielen, het oligoceen met eveneens weinig fossielen. In de volgende periode, het mioceen, komen weliswaar meer fossielen voor van nu nog bestaande soorten, maar minder dan van uitgestorven exemplaren. Tenslotte komt het plioceen, waarin er meer fossielen van bestaande soorten zijn dan die van de uitgestorven soorten.
Gedurende het ganse tertiaire tijdperk was het klimaat warm. Weelderige wouden bedekten het grootste deel van BrittanniŰ en Noordwest Europa. In de zee kwamen talrijke warmwatervissen voor. De temperatuur begon pas te dalen in het begin van de ijstijd, tijdens het volgende kwartaire tijdperk.
In het begin van het ecoceen kwam de bodem als gevolg van aardbevingen omhoog. De rotsen in Midden Engeland werden gekanteld in de oostelijke richting die ze nu hebben. De zee trok zich terug naar Oost Engeland en daar hoopte zich  in een gebied dat zich zelden verder westelijk uitstrekte dan een lijn van de Wash tot de Exe, het sediment uit het eoceen op. Thans wordt dit bezinksel aangetroffen in twee 'kommen' : de ene bedekt het gebied van Londen en Oost Anglia en de andere beslaat gedeelten van Hampshire, Sussex en Dorset. Oorspronkelijk liepen deze twee gebieden in elkaar over, maar het kan ook zijn dat het gebied van Wealden er een eiland tussen vormde.
Wat betreft Noord Amerika in het tertiaire tijdperk, de Atlantische kust en de tegenoverliggende kust waren gedurende het grootste deel van het kaenozo´cum door de zee bedekt. De rotsen uit deze tijd bestaan voornamelijk uit zand, klei en krijtachtig mergel, zich uitstrekkend tot ongeveer 300 kilometer landinwaarts. De rivier Mississippi bestond als in het paleoceen, want de rotsen aan de westkust zijn door afzetting van het land gevormd (niet uit zeebezinksel) en bevatten veel ligniet (een soort steenkool met een laag koolstofgehalte). Het is duidelijk dat de Mississippi en andere rivieren daar een moeras in stand hielden. De grote dikte van afzetting uit het kaenozo´cum in de Golf van Mexico duidt erop, dat dit gebied langzaam daalde, terwijl de Mississippi bezinksel aanvoerde. Meer naar het zuiden, in Midden Amerika, kwam het land echter omhoog en daar zijn sedimenten uit het late kaenozo´cum dun of ze ontbreken geheel.
Tegen het eind van het mesozo´cum was het Appalachia-gebied in het oosten van de Verenigde Staten een zo goed als geheel platte vlakte. Gedurende het kaenozo´cum kwam dit gebied langzaam omhoog en daardoor ontstond het huidige Appalachia-gebergte. Er vonden geen sterke plooiing plaats, want de rotsen vertonen nog steeds het platte oppervlak, hoewel ze verscheidene honderden meters omhoog gekomen zijn. Door erosie van zachtere rotsen en tussentijdse rijzingen is het landschap ontstaan zoals dat er op vandaag uitziet.
De kust van de Stille Oceaan kwam gedurende het kaenozo´cum enkele malen omhoog en kwam weer onder water te staan, maar de zee overspoelde nooit uitgestrekte gebieden. Dikke lagen afzetting hoopten zich op in de 'troggen' om de bergen van de Sierra Nevada, die in deze tijd omhoog kwamen. Tijdens het kaenozo´cum waren de vulkanen zeer actief. De bewegingen van de aarde die gepaard gingen met de Laramide-bergvorming hielden op in het eoceen, maar in het mioceen vonden hernieuwde aardbewegingen plaats die zich af en toe herhaalden, tot in het pleistoceen.
Het klimaat tijdens het vroege kaenozo´cum was warm, zelfs in het noorden (wat blijkt uit de aanwezigheid van verschillende fossiele planten). Geleidelijk aan werd het echter kouder totdat, in het pleistoceen, de Grote Ijstijd begon.
 
   

Paleontologie



uw eigen startpagina
Aangepast zoeken

ę copyright WorldwideBase 2005-2009