header sport


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Atletiek

 
   


Atletiek
Autosport
Badminton
Basket
Bergsport
Boksen
Boogschieten
Cricket
Duiken
Duivensport
Football
Gewichtheffen
Golf
Handbal
Hengelsport
Honkbal
Hockey
Ijshockey
Jacht
Jiujitsu
Judo
Kanosport

Karate

Korfbal
Motorsport
Olympische Spelen
Paardensport
Roeisport
Rugby
Schaatssport
Schermen
Skisport

Snooker
Surfing
Tafeltennis
Tennis
Turnen
Voetbal
Volleybal
Waterpolo
Waterskisport
Wielrennen
Worstelen
Zeilsport
Zwemmen

Atletiek (v. Gr. athlètikos = atletisch, v. athlos = wedstrijd), een sport die in haar oorspronkelijke vorm nauw verbonden is met de Griekse klassieke Olympische Spelen, die vanaf 776 v.C. om de vier jaar gehouden werden als onderdeel van een feest ter ere van de god Zeus. Behalve uit sportieve krachtmetingen bestond het vijfdaagse programma uit wedstrijden in de schone kunsten. De beste atleten kwamen tegen elkaar uit in een vijfkamp, die bestond uit hardlopen, verspringen, worstelen, speerwerpen en discuswerpen. De diverse sportieve onderdelen waren veel minder gereglementeerd dan nu het geval is; dit gold m.n. voor de krachtsporten (die overigens geheel los staan van de moderne atletiek). Ofschoon er geen exacte records bekend zijn van de oude Olympische Spelen, lijkt het aannemelijk dat de prestaties van toen inferieur waren aan die van nu.
Hoewel de atletiek in de huidige tijd nog steeds het hoofdnummer van de Olympische Spelen vormt, is de band tussen beide toch geleidelijk losser geworden. Tot uiting komt dit o.a. in het feit dat naast de Olympische Spelen tal van andere grote internationale atletiekevenementen worden gehouden. Zo worden er jaarlijks Europacupwedstrijden georganiseerd en vonden in 1977 in Düsseldorf voor het eerst officieuze wereldkampioenschappen plaats. Voorts genieten de indoorkampioenschappen (zowel EK als WK) grote populariteit.
Atletiek wordt wel aangeduid als ‘de moeder der sporten’; door de grote aandacht voor lopen, springen en werpen legt de atletiek de nadruk op de grondvormen van bewegen, vormen die in bijna alle andere sporten bestaan.
De meest courante nummers zijn (voor zowel mannen als vrouwen, tenzij anders wordt vermeld): hardlopen: 100 m, 200 m, 400 m, 800 m, 1500 m, 5 km, 10 km, marathon (42!195 m); hordelopen: 100 m (vrouwen), 110 m (mannen), 400 m; steeplechase 3000 m (mannen); snelwandelen: 10 km (vrouwen), 20 km (mannen), 50 km (mannen); discuswerpen; hink-stap-sprong; hoogspringen; kogelslingeren (mannen); kogelstoten; polsstokhoogspringen; speerwerpen; verspringen en de tienkamp (mannen) en zevenkamp (vrouwen).

1. Training en prestaties
Basis voor de langere loopnummers is het uithoudingsvermogen, vaak aëroob vermogen genoemd. Het aëroob vermogen is een maat voor de arbeid die de spieren kunnen leveren onder gebruikmaking van – met behulp van zuurstof uit glucose vrijgemaakte – energie. Bij overgang van rust naar inspanning moet het zuurstofaanbod aan de spieren verhoogd worden. Dit gebeurt door verandering in hartprestatie, bloedsomloop en ademhaling. Het bewerkstelligen van deze veranderingen kost tijd. Gedurende deze aanpassingstijd, die maximaal twee minuten duurt, moet de energie die nodig is voor de inspanning, op een andere manier geleverd worden. Hiertoe dient het anaëroob vermogen. Dit wordt enerzijds bepaald door de voorraad snel mobiliseerbare energie (in ATP en creatinefosfaat) waarover iemand beschikt, anderzijds door de snelheid waarmee zonder gebruikmaking van zuurstof uit glucose energie (via ATP) kan worden vrijgemaakt. Bij dit laatste proces wordt als eindproduct melkzuur gevormd. Aangezien anaërobe omstandigheden vooral voorkomen tijdens maximale krachtsinspanningen waarbij de doorbloeding van de spieren verre van optimaal is, kan lokaal zoveel melkzuur worden opgehoopt dat de buffersystemen (zie buffermengsel [fysiologie]) van de weefselvloeistof niet toereikend zijn om de zuurgraad binnen aanvaardbare grenzen te houden; de zuurgraad gaat dan snel stijgen waardoor pijngevoelige zenuwuiteinden geprikkeld worden en in extreme omstandigheden zelfs krampverschijnselen kunnen optreden door beïnvloeding van het contractiele systeem.
Bij de loopnummers tot 800 m speelt het anaërobe vermogen de belangrijkste energieleverende rol, omdat deze alle binnen de twee minuten vallen.
Wanneer een atleet op zijn maximale aërobe vermogen loopt, kan hij daarboven nog meer energie (dus snelheid) maken door te putten uit het anaërobe vermogen (eindsprint).
Bij de trainingen wordt aan de factor kracht – het vermogen van de spier om belastingen of weerstanden te overwinnen of te verplaatsen – de laatste jaren steeds meer aandacht geschonken. Krachttraining is vooral van belang voor sprinters, springers en werpers, maar levert voor vrijwel alle atletiekonderdelen rendement op. Een toename in kracht gaat nl. samen met een toename in explosiviteit en in snelheid. De bewering dat krachttraining ten koste gaat van de snelheid is door diverse onderzoekingen weerlegd.
Snelheid – het vermogen van de spieren zich snel samen te trekken – is nauw verbonden met kracht, omdat door middel van grotere spierkracht een bepaald bewegingstempo langer kan worden volgehouden. De sprinttraining is in zeer sterke mate gericht op het opvoeren van de pure snelheid. Bij de werp- en springnummers telt vooral de eindsnelheid, dat wil zeggen de snelheid op het moment dat het contact tussen werper en object of tussen springer en grond verbroken wordt. Bij discuswerpen bijv. is de snelheid op het moment dat de werper de discus los laat, de belangrijkste factor die bepaalt hoe lang de afgelegde afstand zal zijn.
Naast een gestaag voortgaande reeks prestatieverbeteringen bij de mannen zijn vooral de systematische prestatieverbeteringen bij de vrouwen opvallend. Het wereldrecord voor vrouwen op de 100 m stond in 1934 op 11, 7 seconden. In datzelfde jaar was het mannenrecord 10,3, een verschil van 13,6%. In 1954 was dit verschil tussen mannen en vrouwen op de 100 m gedaald tot 11,8% en in 1974 tot 9,1%. Tussen 1934 en 1974 nam het verschil tussen de 200 m records af van 24,6% tot 11,4%. Wereldrecords voor vrouwen op de 400, de 1500 en de 3000 m werden voor het eerst erkend in resp. 1957, 1967 en 1972. Vrouwen lopen nu ook een 5000 m, 10 km en de marathon. Het officieuze vrouwenmarathonrecord stond in 1971 op 3 uur en 35 s. Met het marathonrecord van Jackie Hansen (in 1975 liep zij de 42!195 m in 2 uur, 38 min. en 19 s) hadden de mannelijke Olympische winnaars van 1896 tot 1924 nog geen raad geweten. In 1985 was het record via diverse tussenstappen teruggebracht naar 2 uur, 21 min. en 6 s. Die tijd zou de gouden medaille hebben opgeleverd op de Spelen van 1948. Ook op de spring- en werpnummers is bij de vrouwen sprake van een duidelijke kwalitatieve groei. In 1977 sprong de DDR-atlete Rosemarie Ackermann als eerste over 2 m. Het wereldrecord 1987 bij de dames staat op naam van de Bulgaarse Stefka Kostadinova (2,09 m). De voortdurende recordverbeteringen in de moderne atletiek zijn – naast verbeterde en intensievere trainingsmethoden – ook te danken aan betere accommodaties en beter materiaal. Wat de accommodatie betreft is vooral de opkomst van de zgn. kunststofbanen (tartan, rekortan, bolidtan) van belang: deze blijken sneller dan de sintelbanen. Ook de indooratletiek (in een overdekte hal) wint aan populariteit. Voor indoor geleverde prestaties gelden aparte recordlijsten. Bij het verbeterde materiaal moet vooral het schoeisel genoemd worden en speciaal voor het polsstokhoogspringen de glasfiberstok, die bovendien tegenwoordig vaak een lichte kromming heeft (banana-pole).

2. De onderdelen
Loopnummers. Traditioneel werden bij de loopnummers de korte afstand (tot en met 400 m), de middenafstand (tot en met 1500 m) en de lange afstand (boven 1500 m) onderscheiden. Door de snelle prestatieverbeteringen op m.n. de lange afstanden is deze indeling gedeeltelijk achterhaald. Zo wordt de 5000 m eigenlijk niet meer beschouwd als lange afstand, maar als uitloper van de middenafstand. Tegenwoordig worden de 5 en 10 km vaak pas beslist in de laatste ronde en dan is degene met een scherpe eindsprint in het voordeel. Soortgelijke ontwikkelingen zijn gaande op de marathon: de onderlinge verschillen aan de top worden steeds kleiner. Naast de ‘gewone’ lange afstanden komt ook het zgn. ultralange-afstandslopen tot ontwikkeling, overigens niet altijd erkend door de nationale bonden en de IAAF. Het gaat hier om wedstrijden over 100 km, 150 km, 100 mijl of zelfs nog grotere afstanden.
Op de 100, de 200 en de 400 en op de 100, 110 en 400 m horden wordt geknield gestart vanuit startblokken. De overige afstanden kennen een staande start. Bij alle afstanden is het vermogen om ontspannen te lopen van groot belang, omdat geheel of gedeeltelijk samengetrokken spieren extra energie kosten. De tijdwaarneming geschiedt tegenwoordig elektronisch; dit is vooral van belang voor de sprintnummers, waar de verschillen vaak zeer gering zijn. De loopnummers worden – met uitzondering van de afstanden boven de 10 km en het snelwandelen – afgewerkt op een ellipsvormige baan van doorgaans 400 m.
Op de 110 m horden vindt de atleet tien horden op zijn weg (106 cm hoog); de atletes ontmoeten op de 100 m horden tien horden van 84 cm hoogte. De hoogte van de tien horden op de 400 m horden is 91, 4 cm.
Op de estafettenummers over de lengte van maximaal 4 × 400 m geven de lopers elkaar een estafettestokje door. Bij estafettenummers over grotere afstanden tikken de leden van de ploegen elkaar aan. Het wisselen moet plaatsvinden binnen de 20 m lange wisselzone.
De marathon ontleent zijn naam en afstand aan het traject dat een boodschapper in 490 v.C. aflegde om de zege van de Grieken op de Perzen, bij Marathon behaald, in Athene bekend te maken.
Bij de 3000 m steeplechase moeten de deelnemers uithoudingsvermogen combineren met een uitstekende hordetechniek om de 28 hindernissen (91, 4 cm hoog) te overwinnen. Behalve over de hindernissen moeten de atleten nog zeven maal door een waterbak, die achter een horde is geplaatst.
Springnummers. De prestaties bij het hoogspringen zijn enorm gestegen. Tot het eind van de jaren zestig was de meest toegepaste techniek die van de rolsprong: de aanloop is schuin ten opzichte van de lat en de afzet geschiedt met het binnenste been. Sinds 1968 geniet de door de Amerikaan Dick Fosbury tijdens de Olympische Spelen van Mexico geïntroduceerde fosburyflop, waarbij de lat ruggelings wordt gepasseerd, de voorkeur onder atleten.
Bij het verspringen wordt de afzet gevormd door een houten balk, bij overschrijding waarvan de sprong ongeldig is. Als gesprongen afstand geldt de afstand tussen de voorkant van de afzetbalk en de achterste lichaamsafdruk in het zand van de springbak. Dit geldt ook voor de hink-stap-sprong, waarbij de balk echter 9 tot 11 m van de zandbak af ligt.
Bij het polsstokhoogspringen gebruikt men glasfiberpolsstokken die zeer elastisch zijn en tijdens de sprong sterk doorbuigen. De laatste ontwikkeling hier is de zgn. banana-pole, een voorgebogen stok die het voor de springer makkelijker maakt de stok tijdens de sprong te buigen. Zoals bij alle springnummers is bij het polsstokhoogspringen de aanlooplengte van groot belang; ze is voor iedere springer anders. De polsstok wordt tijdens de aanloop rechts van het lichaam gehouden indien de springer met het linkerbeen afzet.
Werpnummers. Het kogelstoten vindt plaats vanuit een ring met een diameter van 2, 135 m. De mannen stoten met kogels van 7,257 kg, de vrouwen met kogels van 4 kg. Men streeft er naar de aandrijvingsweg van de kogel zo lang mogelijk te maken. Daarin voorziet de zgn. O’Brien-techniek, waarbij men met de rug naar de stootrichting staat. De laatste jaren gebruikt men ook de Baryshnikov-techniek (afgeleid van het discuswerpen), waarbij de kogel na anderhalve draai wordt weggestoten.
Het discuswerpen werd door de Grieken al beoefend. Zij wierpen vanaf een schuin oplopende verhoging. Het gewicht van de door archeologen gevonden discussen varieert van 1, 5 tot ruim 5 kg. De tegenwoordig gebruikte discus weegt 2 kg voor de mannen; de atletes werpen met een 1 kg zware discus. Er wordt geworpen vanuit een ring met een diameter van 2,5 m. De discus moet neerkomen binnen een cirkelsector van 60°. De uitgangshouding van de werper is met de rug naar de werprichting. De werper maakt in de ring anderhalve draai voordat de afworp plaatsvindt, waardoor hij de discus een zo groot mogelijke snelheid kan geven.
Het speerwerpen was ook een onderdeel van de antieke vijfkamp. De houten of metalen speer van nu is bij de mannen 800 gram zwaar en 2, 60–2,70 m lang; de vrouwenspeer weegt 600 gram en heeft een lengte van 2,20–2,30 m. Ter hoogte van het zwaartepunt is de speer omwikkeld. De speer moet neerkomen binnen een sector van bijna 29°.
De kogel bij het kogelslingeren weegt 7, 257 kg; kogel en staaldraad mogen samen niet langer zijn dan 1,175 tot 1,215 m. De geworpen kogel moet terechtkomen binnen een sector van 60°. De werpring heeft een diameter van 2,135 m. De uitgangshouding voor de worp is met de rug naar de werprichting. De kogelslingeraar maakt drie draaien, waarna de afworp volgt.
Meerkampen. Bij de tienkamp, het zwaarste atletieknummer, moeten de atleten in twee dagen tien onderdelen afwerken. Op de eerste dag: 100 m, verspringen, kogelstoten, hoogspringen en de 400 m. Op de tweede dag 110 m horden, discuswerpen, polsstokhoogspringen, speerwerpen en de 1500 m. Voor iedere op een bepaald onderdeel geleverde prestatie krijgt de tienkamper een bepaald aantal punten. Uiteraard wint de atleet met de meeste punten na twee dagen. De zevenkamp bij de dames duurt ook twee dagen. Op de eerste dag worden afgewerkt de 100 m horden, het hoogspringen, het kogelstoten en de 200 m. Op de tweede dag volgen het verspringen, het speerwerpen en de 800 m. De atlete met de meeste punten na zeven onderdelen wint.

3. Organisatie
In België kwam men omstreeks 1880 in Antwerpen en Gent voor het eerst in aanraking met de Engelse atletiek. In 1889 werd de snel in populariteit toenemende sport georganiseerd door de Belgische Bond van Wedloop Verenigingen. De Belgische Atletiek Bond werd op 3 maart 1912 te Luik opgericht en sloot zich in 1912 aan bij de IAAF; in 1929 kreeg hij het predikaat ‘Koninklijke’. De KBAB (Koninklijke Belgische Atletiek Bond; Fr.: Ligue Royale Belge d'Athlétisme, LRBA) organiseert jaarlijks nationale kampioenschappen en verschillende andere grote wedstrijden (o.m. de Memorial Ivo van Damme) en zendt atleten uit naar internationale ontmoetingen. België heeft tot nu toe – vooral op de loopnummers – atleten van internationaal topniveau geleverd: o.a. Roger Moens, Gaston Roelants, Emiel Puttemans, Vincent Rousseau, Lieve Slegers en Ivo van Damme.
Per 1 april 1978 werd de KBAB gesplitst in een Vlaamse Atletiekliga (officieel orgaan Atletiekleven) en een Ligue Belge Athlétique Francophone (officieel orgaan La vie athlétique). De KBAB blijft het overkoepelend orgaan.
De eerste in Nederland georganiseerde atletiekwedstrijd vond plaats in 1878 op het landgoed Rooswijck in Velsen. Op het programma stond een wedstrijd over 100 m en een over 2000 m, die beide werden gewonnen door de legendarische Pim Mulier. Van 1889 tot 1895 werd in georganiseerd verband atletiek bedreven in de Voetbal- en Athletiekbond (de latere KNVB), die werd opgevolgd door de Nederlandse Athletiek Bond. Aan zijn bestaan kwam een einde toen op 28 mei 1901 de Nederlandse Athletiek Unie werd opgericht, die bij haar zilveren jubileum het predikaat ‘Koninklijke’ ontving. De KNAU is aangesloten bij de op 17 juli 1912 opgerichte International Amateur Athletic Federation (IAAF). Men mag in Nederland slechts aan atletiekwedstrijden deelnemen als men medisch is gekeurd en over een wedstrijdlicentie beschikt. Officieel orgaan van de KNAU is De Atletiekwereld. Befaamde Nederlandse atletes zijn: Fanny Blankers-Koen, Ria Stalman, Nellie Cooman en Ellen van Langen.
 
   

Nieuwe pagina 1

© copyright WorldwideBase 2005-2009