De
invoering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht (1919; tot 1949 alleen voor
mannen) zou, op één uitzondering na (1950-1954), het behalen van een
volstrekte meerderheid door één partij uitsluiten. Voortaan was men
aangewezen op coalitieregeringen die tot stand kwamen op basis van een
compromis tussen de diverse partijprogramma's. De problemen rond de
wederopbouw deden in de onmiddellijke naoorlogse periode een klimaat van
nationale unie, d.i. een samenwerking van de drie zgn. nationale partijen
(katholieken, liberalen, socialisten), ontstaan, die tot 1921 bleef bestaan
en ook later nog zou voorkomen (1926-1927, 1935-1939, 1939-1940). Alle
overige kabinetten omvatten katholieken, die nu eens de liberalen, dan weer
de socialisten als partner zochten. De katholieke partij had het meest te
lijden onder de pressie van de Vlaams-nationalisten, die zich verenigden in
de Frontpartij. Deze werd in 1933 opgevolgd door het Vlaamsch Nationaal
Verbond (VNV), dat - evenals het rexisme, dat bij de verkiezingen van 1936
een kortstondig succes boekte - steeds meer in het vaarwater van het
fascisme en het nationaal-socialisme terechtkwam. De liberalen verloren een
deel van hun progressieve aanhang onder de arbeiders aan de BWP. Binnen deze
partij was een scheuring tussen de reformistische en de revolutionaire
strekking aanleiding tot het oprichten in 1921 van de Communistische Partij
van België (CPB; later Kommunistische Partij van België geheten).
Na de zware verwoestingen van de oorlog duurde het tot 1925 voordat de
economie zich (vrij moeizaam) had hersteld. Het zwakste punt ervan was de
positie van de frank, die veel van zijn waarde verloor en in 1924-1925
dieper dan ooit daalde. Het katholiek-socialistische
kabinet-Poullet-Vandervelde (1925-1926) zag zich de steun van de financiële
kringen ontzegd. Het dreigende bankroet werd vermeden door het saneringsplan
van E. Francqui, die als minister in het kabinet-Jaspar (1926-1927) de
spoorwegen denationaliseerde (oprichting van de NMBS) en de frank
devalueerde. Deze muntontwaarding gaf de industrie en de handel een sterke
impuls. Aan de economische bloei kwam vanaf 1931 een einde, onder invloed
van de wereldcrisis. Het deflatiebeleid kende geen succes en verhoogde de
reeds sterk toegenomen werkloosheid. Tegenover de machteloosheid van de
regering om de crisis te bedwingen plaatste de socialistische oppositie het
door H. de Man ontworpen Plan van de Arbeid. Het werd zeer fragmentarisch
uitgevoerd door de drieledige regering-Van Zeeland, die door een nieuwe
devaluatie van de frank (1935) het economische herstel inleidde. Voortaan
zou de overheid in toenemende mate ingrijpen in het economische leven.
Tijdens het interbellum werd de sociale wetgeving aanzienlijk uitgebreid.
Belangrijke maatregelen waren de erkenning van het stakingsrecht en de
syndicale vrijheid (1921), de beperking van de arbeidsdag en -week tot 8
resp. 48 uur (1921), de invoering van een jaarlijkse (zesdaagse) vakantie
(1936) en het vastleggen van een minimumloon (1936).
Aanvankelijk werden de Vlaamse eisen traag ingewilligd. De verkiezing van de
activist A. Borms (1928) tot Kamerlid had echter een schokwerking. De Gentse
universiteit werd volledig vernederlandst (1930), in de administratie en het
lager en secundair onderwijs werd het beginsel streektaal=voertaal ingevoerd
(1932), er kwam amnestie voor veroordeelde activisten (1937) en het leger
werd op regimentsniveau in Nederlandstalige en Franstalige eenheden
ingedeeld (1938). In zijn buitenlandse politiek streefde België naar nieuwe
veiligheidsgaranties. In sept. 1920 werd een Frans-Belgisch militair akkoord
gesloten dat, o.m. wegens het geheimhouden van zijn inhoud, scherpe kritiek
uitlokte van Vlaamsgezinde en socialistische zijde. Ook de Belgische
deelname aan de Ruhrbezetting (1923-1924) op basis van dit akkoord stootte
op hevig verzet in dezelfde kringen. In 1925 sloot België zich aan bij de
Locarnoverdragen , waardoor het in een ruimer systeem van collectieve
veiligheid werd opgenomen. Na de Duitse opzegging van de Locarnoverdragen
(1936) keerde België terug naar een neutraliteitspolitiek. Deze houding zou
echter niet beletten dat het land opnieuw in een oorlog zou worden
betrokken. |
|
|
|
|
|
|