header People and society worldwidebase

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Het Belgisch Koninkrijk
deel III

 
   
Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen zonder oorlogsverklaring BelgiŽ binnen. Toen Leopold III op 28 mei capituleerde, gaf hij geen gehoor aan de wens van de driepartijenregering-Pierlot (1939-1945) om uit te wijken. Het kwam tot een breuk tussen de koning en de ministers, die naar Frankrijk vertrokken en zich later te Londen vestigden. Met de Nederlandse regering te Londen werd op 5 sept. 1944 het Benelux-verdrag gesloten. Het Belgische grondgebied, dat volledig was bezet, kreeg een militair bestuur (Militšrverwaltung), dat evenwel de Belgische administratieve diensten, onder leiding van de secretarissen-generaal, aan het werk liet. De Belgische economie werd ingeschakeld in de Duitse oorlogsvoering en vanaf 1942 kwam er verplichte arbeidsdienst. Een deel van de bevolking stond tijdens de eerste dagen van de bezetting niet afwijzend tegenover de bezetter. In de winter 1940-1941 echter brachten de moeilijke ravitaillering en maatregelen als de opeising van voorraden en van arbeidskrachten, de zware oorlogsbelastingen, de deportatie van joden en van verzetslieden, enz. een kentering in de publieke opinie teweeg. Van toen af breidde de van bij het begin ontstane verzetsbeweging zich snel uit.  Anderzijds stonden de rexisten en het VNV, naast enkelingen die, zoals H. de Man, aanvankelijk aan de algemene ontreddering toegaven, gedurende de hele oorlog aan de zijde van de Duitsers. Geleidelijk werd het VNV in de gunst van de Duitsers overvleugeld door de beslister pro-Duitse DeVlag en Vlaamse SS. Na de geallieerde doorbraak uit NormandiŽ werd Brussel op 2 sept. 1944 en een paar weken daarna bijna het gehele Belgische grondgebied bevrijd, maar intussen was de beschieting van Antwerpen en Luik met Duitse V-wapens begonnen. Na het Ardennenoffensief was de bezetting voorgoed ten einde.
Na de Tweede Wereldoorlog. Het naoorlogse partijpolitieke leven bewandelde de tijdens het interbellum gebaande wegen. Het mislukte experiment met de Union dťmocratique belge (UDB) toonde aan dat er (althans tijdelijk) geen mogelijkheid tot vernieuwing was. In 1945 nam de katholieke partij de benaming Christelijke Volkspartij (CVP) aan en de door H. de Man ontbonden BWP diende zich aan als de Belgische Socialistische Partij (BSP). De liberalen vormden hun partij in 1961 tot de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) om. Het Vlaams-nationalisme kwam in 1954 terug in de politieke arena, maar pas vanaf 1961 zou de Volksunie (VU), onder invloed van de scherper wordende spanningen tussen de Nederlandstalige en Franstalige gemeenschappen, uitgroeien tot een belangrijke formatie. Later dan in Vlaanderen leidden de gemeenschapstwisten tot de oprichting van nieuwe partijen in WalloniŽ en Brussel: het Rassemblement wallon (RW), resp. het Front dťmocratique des Bruxellois francophones (FDF), die een snelle groei kenden in de jaren zeventig maar na 1980 over hun hoogtepunt heen waren. De groeiende tegenstellingen tussen Nederlands en Frans sprekenden werkten bovendien tegen het einde van de jaren zestig als ontbindende factor op de katholieke en liberale partijen. Tien jaar later (1978) deed zich ook in de socialistische partij een breuk voor. In de jaren tachtig verwierven de 'groene' partijen Agalev en Ecolo een vaste plaats in het Parlement.
Na twee regeringen van nationale unie, waar ook de KPB toe behoorde, werden sinds 1946 opnieuw coalitieregeringen op de been gebracht, die een vrij gedifferentieerde samenstelling kenden. In tegenstelling tot de periode 1919-1939 werden de katholieken enkele malen in de oppositie gedreven en kwamen ook enkele ťťnpartijkabinetten (CVP) aan de macht. Vanaf 1974 werden de zgn. communautaire partijen regeringsbekwaam geacht.
Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog laaiden de levensbeschouwelijke tegenstellingen hoog op. De omstreden houding tijdens de oorlog en de eventuele terugkeer van Leopold III zetten de linkse (socialistische, liberale en communistische) en de rechtse (katholieke) partijen tegen elkaar op in de Koningskwestie. Doordat dit conflict bovendien grotendeels samenviel met de Vlaams-Waalse tegenstelling (in Vlaanderen sprak de meerderheid zich uit voor de terugkeer van de koning, in WalloniŽ tegen de terugkeer), bracht het BelgiŽ op de rand van een burgeroorlog, die slechts kon worden vermeden door de troonsafstand van Leopold, ten voordele van zijn zoon Boudewijn (1951). De CVP maakte van haar bij de verkiezingen van 1950 behaalde meerderheid gebruik om een ruime subsidiŽring aan het vrij (katholiek) onderwijs toe te staan. Toen het socialistisch-liberale kabinet-Van Acker (1954-1958) deze maatregelen ongedaan maakte, brak in het land een tweede Schoolstrijd los. Na de CVP-verkiezingsoverwinning van 1958 ondertekenden de drie zgn. nationale partijen het Schoolpact, dat de onderwijsvrede en de levensbeschouwelijke pacificatie herstelde.
Dank zij de relatief intact gebleven industriŽle infrastructuur, de muntsanering (1944), de opbrengsten van de uraniumproductie in de Belgische kolonie tijdens de oorlog, de dienstverlening van de haven van Antwerpen voor de geallieerde legers na de oorlog, het op dreef brengen van de steenkoolproductie, de Marshallhulp en de economische samenwerking in Benelux- en Europees verband, kon BelgiŽ zich snel herstellen. Werkgevers en werknemers hadden reeds tijdens de bezetting de wens tot een loyale samenwerking uitgedrukt, die gestalte kreeg in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. De Besluitwet op de maatschappelijke zekerheid (1944) voerde de verplichte werkloosheids- en ziekte- en invaliditeitsverzekering in. De economische vooruitgang kon echter niet beletten dat het land een grote structurele werkloosheid kende, die na het uitvaardigen van de Wet op de regionale expansie (1959) geleidelijk kon worden bedwongen. Vanaf 1960 diende zich een periode van hoogconjunctuur aan, voornamelijk dankzij de economische schaalvergroting (inwerkingtreding van de Europese Economische Gemeenschap). Bij de jaarwisseling 1960-1961 riep het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) een werkstaking uit tegen de Eenheidswet, die nieuwe belastingen en ernstige bezuinigingen oplegde. Teneinde de stagnerende economie te stimuleren, werd in 1966 een tweede regionale-expansiewet uitgevaardigd, die een nieuwe periode van hoogconjunctuur inluidde.
De internationale economische crisis van de jaren zeventig spaarde ook BelgiŽ niet. Het land kreeg de rekening gepresenteerd voor de te eenzijdige afstemming van zijn economie op verouderde sectoren. De overheid zag zich genoodzaakt de staal-, steenkool- en textielsector te herstructureren, een operatie die gepaard ging met de sluiting van bedrijven en mijnen en het verlies van duizenden arbeidsplaatsen, en die zwaar woog op de rijksfinanciŽn. De snelle groei van de werkloosheid (van 3,4% van de verzekerde bevolking in 1972 tot 18,5% in 1983) was mede de oorzaak van steeds grotere begrotingstekorten (in 1998 tot 13% van het bruto binnenlands product, bbp) en van de spectaculaire toename van de rijksschuld van 1956,8 miljard F in 1980 tot 6441,8 miljard F begin 1989). De centrumrechtse regeringen-Martens voerden vanaf 1982 een streng saneringsbeleid (met o.m. het Sint-Anna- of Pinksterplan, 1986) om het begrotingstekort in te dijken. Het herstelbeleid begon op het einde van de jaren tachtig vruchten af te werpen: het begrotingstekort kon worden teruggedrongen tot 7,7% van het bbp (1988) en de werkloosheid begon te dalen, mede dankzij de heroplevende conjunctuur.
De parlementsverkiezingen van 24 nov. 1991 wijzigden de machtsverhoudingen binnen de Belgische politieke wereld. Alle grote partijen verloren stemmen. De stemmenwinst ging in Vlaanderen in hoofdzaak naar het Vlaams Blok en in WalloniŽ naar Ecolo. Een derde van de kiezers had tegen de gevestigde partijen gestemd. Na het decennium-Martens (1981-1991), vormde de christen-democraat Jean-Luc Dehaene een rooms-rood kabinet (7 maart 1992), dat na de verkiezingen van 21 mei 1995 zichzelf opvolgde. De belangrijkste dossiers van deze regering waren de sanering van de rijksbegroting, de hervorming van de sociale zekerheid en de strijd tegen de werkloosheid. Voor premier Dehaene bleef echter het terugdringen van de torenhoge staatsschuld de dringendste taak van de regering. Via opeenvolgende bezuinigingsmaatregelen bedroeg het begrotingstekort in 1996 nog slechts 3,4% van het bbp. Met een tekort van 2,9% in 1997 wilde BelgiŽ gereed zijn om in 1998 opgenomen te worden in de kopgroep van de Europese Monetaire Unie (EMU).
Op het buitenlandse vlak werd de Benelux geleidelijk in werking gesteld. BelgiŽ sloot zich aan bij de UNO (1945), het Verdrag van Brussel (1948), de NATO (1949), het EGKS-verdrag (1951) en de verdragen van Rome en EURATOM (1957). De regering-Eyskens werd geconfronteerd met een groeiende emancipatiebeweging in Belgisch-Kongo. Op 30 juni 1960 deed BelgiŽ afstand van zijn soevereiniteit over de kolonie. De onlusten die onmiddellijk daarop in Kongo uitbraken, noopten BelgiŽ tot een gewapende interventie. De relaties met de ex-kolonie zouden problematisch blijven en geregeld worden gekenmerkt door ernstige spanningen.
De Vlaamse Beweging, die zwaar getroffen was door de repressie, kon zich maar moeizaam herstellen. Pas na de beslechting van de Schoolstrijd kwam er ruimte vrij voor belangrijke verwezenlijkingen op het gebied van de Vlaams-Waalse verhoudingen: splitsing van het ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (1961-1962), vastlegging van de taalgrens (1962), herziening van de taalwetgeving (1963). Deze maatregelen gingen gepaard met hernieuwde buitenparlementaire acties (Mars op Brussel, 1961 en 1962). Met de doorbraak van de Volksunie (VU) kwam, vanaf 1960, de federalistische idee aan bod, die ook in WalloniŽ aanhang kende. Hoewel de drie grote partijen het federalisme niet onderschreven, voelden zij zich genoodzaakt concessies te doen. Daartoe leidden zij de procedure tot herziening van de Grondwet in, waarmee het op 23 mei 1965 verkozen parlement werd belast. De CVP-BSP-regering beschikte echter niet over de noodzakelijke tweederde meerderheid om de herziening door te voeren. Moeilijkheden in verband met de ziekteverzekering leidden tot haar ontslag (febr. 1966), waarna een CVP-BSP-PVV-kabinet onder de leiding van P. vanden Boeynants werd gevormd. Hoewel deze regering het bevriezen van de taalvraagstukken gedurende twee jaar voorstond, struikelde zij over het probleem van de overheveling van de Franstalige afdeling van de Leuvense universiteit naar WalloniŽ (7 febr. 1968). De daaropvolgende vervroegde verkiezingen van 31 maart leverden forse winst op voor de federalistische partijen.
Vanaf 1970 stond het politieke leven grotendeels in het teken van de staatshervorming. De regering-Eyskens (CVP/PSC-BSP; 1968-1971) voerde de economische decentralisatie in en maakte met een grondwetsherziening een einde aan het unitaire BelgiŽ. De nieuwe Grondwet deelde BelgiŽ in vier taalgebieden in en erkende drie cultuurgemeenschappen en drie gewesten. In uitvoering van de Grondwet werden drie Cultuurraden opgericht, waarvan de Nederlandse en de Franse wetgevende bevoegdheid kregen, maar voor de uitvoering van artikel 107quater over de gewesten bleef vooral de begrenzing van Brussel een twistpunt, dat noch de nieuwe CVP/PSC-BSP-regering-Eyskens (1972), noch het drieledige kabinet-Leburton (1973-1974) kon oplossen. Nadat in 1974 een 'voorbereidende' gewestvorming was ingevoerd, kwam in mei 1977 een akkoord over het geheel van de staatshervorming tot stand tussen CVP, PSC, BSP, VU en FDF. Dat Egmontpact strandde in okt. 1978 op Vlaams verzet en op grondwettelijke bezwaren van de CVP.
Het zespartijenkabinet (CVP-PSC-SP-PS-PVV-PRL) van Wilfried Martens slaagde er in de zomer 1980 in een nieuwe grondwetsherziening door te voeren, die de cultuurautonomie verving door een ruimere gemeenschapsautonomie en de gewestvorming tot stand bracht. De drie gemeenschappen en het Vlaams en het Waals Gewest kregen, naast een Raad, een eigen regering (Executieve), maar over het statuut van Brussel kon andermaal geen akkoord worden gevonden. Vrij snel bleek dat de staatshervorming van 1980 leemten en gebreken vertoonde. Bovendien werden de christen-democratisch-liberale regeringen-Martens (1981-1985 en 1985-1987) geconfronteerd met nieuwe 'communautaire' problemen, o.m. de staatshulp aan de (vooral Waalse) staalbedrijven en de taalkennis van politieke mandatarissen in de Vlaamse faciliteitengemeenten. Die laatste kwestie, gekristalliseerd rond burgemeester Josť Happart van Voeren, leidde in de herfst 1987 tot een kortsluiting in het kabinet en de langste regeringscrisis uit de Belgische geschiedenis (dec. 1988-mei 1989). Een en ander bracht de politieke wereld ertoe de voor de jaren negentig geplande verdere hervorming van de staat te vervroegen. Via een nieuwe grondwetsherziening gaf een alweer door Martens geleide CVP-PSC-SP-PS-VU-regering in de tweede helft van 1988 een nog ruimere autonomie en meer financiŽle middelen voor de gemeenschappen en de gewesten, deze keer ook voor Brussel. Met de grondwetsherziening van 1993 werd BelgiŽ een echte federale staat en werd het mogelijk de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid vast te leggen en de gemeenschappen en gewesten de residuaire (alle overige) bevoegdheden toe te wijzen. Ook werd o.a. het (federale) tweekamerstelsel hervormd en er werd voorzien in de rechtstreekse verkiezing van de regionale parlementen. Zie het Vlaams Gewest en het  Waals Gewest. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kreeg zijn lang verwachte statuut in 1989.
Op 31 juli 1993 overleed plotseling koning Boudewijn, met zijn 42 jaar durend koningschap de langst regerende vorst in Europa. Hij werd opgevolgd door zijn broer, Albert II.
 
   

People and society worldwidebase

© copyright WorldwideBase 2005-2009