header sport


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Bergsport

 
   


Atletiek
Autosport
Badminton
Basket
Bergsport
Boksen
Boogschieten
Cricket
Duiken
Duivensport
Football
Gewichtheffen
Golf
Handbal
Hengelsport
Honkbal
Hockey
Ijshockey
Jacht
Jiujitsu
Judo
Kanosport

Karate

Korfbal
Motorsport
Olympische Spelen
Paardensport
Roeisport
Rugby
Schaatssport
Schermen
Skisport

Snooker
Surfing
Tafeltennis
Tennis
Turnen
Voetbal
Volleybal
Waterpolo
Waterskisport
Wielrennen
Worstelen
Zeilsport
Zwemmen

Bergsport, het maken van tochten in de bergen, met als doel het bereiken van een bepaalde top of het volgen van een bijzondere route. De motivatie hiertoe kan sportief van aard zijn of kan het genieten van de natuur ten doel hebben, terwijl soms ook wetenschappelijke doeleinden nagestreefd worden. Aangezien het sportieve karakter lange tijd met beklimmingen in de Alpen werd verbonden, is de term alpinisme nog steeds een zeer gangbare aanduiding.
In de jaren tachtig werden ook kunstmatige wanden uit beton, baksteen of hout geschikt gemaakt voor beklimmingen, zowel indoor als outdoor. Deze nieuwe tak van de bergsport, gericht op atletische vaardigheid in het beklimmen van buitengewoon steile of overhangende wanden met weinig houvast, heet ‘sportklimmen’.
De bergsport kende geen wedstrijdvormen of strakke spelregels waardoor prestaties zich onderling laten vergelijken. Pas na de opkomst van het sportklimmen, aan het eind van de jaren tachtig, werden er in West-Europa op grote schaal klimwedstrijden georganiseerd. Deze spelen zich meestal af aan kunstmatige klimwanden in een sportpaleis of stadion. Veel alpinisten missen in dit soort competitie echter de risico's en ontberingen, waardoor het klimmen in de Alpen en de Himalaja een fysieke én mentale prestatie wordt.
In de Alpen zijn vanaf het begin van de 20ste eeuw pogingen gedaan om een classificatie te maken van de moeilijkheid van beklimmingsroutes. De bekendste is de Alpenschaal, waarin de moeilijkheidsgraden worden uitgedrukt in een Romeins cijfer. Oorspronkelijk kende deze zes gradaties, van I (gemakkelijk) tot VI (uiterst moeilijk) met nuanceringsmogelijkheden (bijv. IV-, VI+). Met het sportklimmen en daarmee de intensivering van de atletische prestatie bleek de differentiemogelijkheid te gering en is men overgegaan op de zgn. uitgebreide UIAA-schaal, die inmiddels tot het cijfer X loopt. Er bestaan ook nationale schalen, zoals de Franse schaal, herkenbaar aan het gebruik van cijfers en letters (bijv. 7a, ongeveer gelijk aan VIII), en de Amerikaanse schaal, herkenbaar aan een decimale punt (bijv. 5.8, ongeveer VI-).

1. Techniek en hulpmiddelen
De normale hulpmiddelen van de klimmer zijn een stevige schoen met rubberprofielzool (voor routes uitsluitend in rots eventueel een lichte schoen met speciaal stroeve zool zonder profiel), de pickel (als steun en zekeringsmiddel en eventueel om treden in ijs te hakken), de stijgijzers (10 tot 12-puntige sporen onder de schoenen, die zelfs in zeer steil ijs een goede greep bieden) en het touw (9–11 mm dikke kunstvezel, 30–50 m lang, ter onderlinge beveiliging). De groeiende vaardigheid brengt de alpine gemeenschap er steeds meer toe om zonder, of althans met zo min mogelijk kunstmiddelen te werk te gaan. Haken (en de steeds meer gebruikelijke metaalblokjes met lus, die men tijdelijk in een geschikte rotsspleet klemt, tracht men slechts als zekering te gebruiken, niet om zich aan op te trekken.
Ook bij het beklimmen van de hoogste bergen in de Himalaja is er een duidelijke tendens om het gebruik van hulpmiddelen te reduceren om daarmee de sportieve uitdaging te vergroten. Tot de kenmerken van ‘de expeditiestijl’ behoorden: het opzetten van vaste kampen langs de beklimmingsroute en het voorzien van de moeilijke of gevaarlijke delen van de route met vaste touwen, inlandse dragers voor het transporteren van lasten van kamp naar kamp en zuurstofapparatuur om de ijle lucht te compenseren. Steeds meer streeft men naar de ‘alpine stijl’: zonder vaste steunpunten en touwen, géén dragers boven het basiskamp en zonder zuurstofflessen.

2. Verenigingen
De grote bergsportverenigingen dateren uit de 19de eeuw: Alpine Club (1857), Österreichischer Alpenverein (1862), Schweizer Alpen Club (1863), Club Alpino Italiano (1863), Deutscher Alpenverein (1869), Club Alpin Français (1874).
In Nederland werd op 24 mei 1902 opgericht de (thans Koninklijke) Nederlandse Alpen-Vereniging (KNAV), die zetelt in Utrecht. In 1949 werd de Sektion Holland van de Österreichische Alpenverein opgericht, die in 1974 de naam wijzigde in Nederlandse Bergsport Vereniging (NBV), gevestigd in Den Haag. Beide verenigingen richten zich nagenoeg op dezelfde groep bergwandelaars en -klimmers. Ze hebben gemeenschappelijke activiteiten en er is streven om tot integratie te komen. In België bestaan de Belgische Alpenclub (BAC) en Le Club Alpin Belge (CAB), beide met zetel te Brussel. Daarnaast is er een afdeling van de ÖAV in Vlaanderen (Vlaamse Bergsportvereniging). In de Belgische Ardennen wordt aan alpinisme gedaan.
De overkoepelende organisatie voor het alpinisme is de Union Internationale des Associations d'Alpinisme (UIAA), opgericht in 1932 te Chamonix en met een zetel te Genève. De UIAA is o.m. betrokken bij huttenbeheer, milieukwesties, keuringsnormen voor bergsportuitrusting en regulering van expedities. Zij beschikt over een documentatie- en inlichtingenbureau en organiseert jaarlijks een congres.

3. Geschiedenis
De huidige vorm van ontspannings- en prestatiesport is ontstaan in het midden van de 19de eeuw, toen vooral Britten met plaatselijke gidsen systematisch de tot die tijd veelal onbeklommen Alpentoppen begonnen te ‘veroveren’. De herkomst van dit menselijk streven om tegen de zwaartekracht in en met een zekere dosis gevaar hoge en markante punten te bereiken, is historisch vaag.
De eerste vermeldingen van tochten door gebergten hebben een militaire achtergrond: Xenophon trok in 401 v.C. met zijn 10!000 Grieken door de ketens van noordelijk Klein-Azië naar de Zwarte Zee, Hannibal overviel de Romeinen door in 219 v.C. met zijn legers over een tot heden onbekende Alpenpas te trekken. Zijn tijdgenoot, Philippus V van Macedonië, beklom in 191 v.C. de 2900 m hoge Mons Haemus in de zuidelijke Balkan om een zo groot mogelijk gebied te verkennen. De glorie van koning Karel VIII van Frankrijk was in het geding toen Antoine de Ville, een van zijn aanvoerders, op 26 juni 1492 de zeer steile Mont Aiguille (2097 m) in de Vercors met een aantal manschappen beklom. Een esthetische emotie bewoog de Italiaanse dichter Petrarca, die in 1336 verhaalde van zijn bestijging van de Mont Ventoux (1912 m) in de Provence. Religieus doel was de 3557 m hoge Rochmelon (Rocciamelone), een sneeuwtop boven de Mont Cenis-pas, die regelmatig bezocht werd nadat een zekere Bonifacio Rotario uit Asti er op 1 sept. 1358 een bronzen triptiekje had geplaatst.
Wetenschappelijke nieuwsgierigheid dreef de gebroeders Deluc in 1754 naar de Brévant (2524 m) bij Chamonix, waar ze de atmosferische druk en de temperatuur waarbij water kookte registreerden. Heel lang zouden thermometer en barometer tot de uitrusting behoren van hen die de bergen introkken, hetzij uit werkelijke wetenschappelijke interesse, hetzij als camouflage voor een passie die in het algemeen dwaas werd gevonden. De werkelijke exploratie van het gebergte werd ingeluid door: cartografen, mineralogen, botanici, glaciologen en natuuronderzoekers. De bekendste was H.B. de Saussure (1740–1799), hoogleraar in de experimentele filosofie in Genève, die regelmatig naar het nabije Chamonix trok om er metingen uit te voeren. Mede geïnspireerd door de door hem uitgeloofde prijs voor degene die een weg naar de top van Europa's hoogste berg, de Mont Blanc (4807 m), zou vinden, ondernamen de arts M.G. Paccard en de kristallenzoeker J. Balmat diverse pogingen daartoe. Op 8 aug. 1786 hadden zij succes. De Saussures Voyages dans les Alpes (4 dln., 1779–1796), waarin ook zijn eigen bestijging in het jaar daarop wordt beschreven (hij werd op zijn tocht geassisteerd door Balmat en zeventien andere gidsen), is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkelingen. In 1809 beklom de eerste vrouw, Maria Paradis, de Mont Blanc.

In het begin van de 19de eeuw was er sprake van een soort veroveringsdrift. Alle toppen van de Alpen werden successievelijk ‘bedwongen’: de Grossglockner (Oostenrijks hoogste top, 3798 m, in 1800), de Ortler (de hoogste top in Zuid-Tirol, thans Italiaans grondgebied, 3905 m, in 1804), de Zugspitze (met 2964 m Duitslands hoogste berg, in 1820), de Monte Rosa (Zwitserlands hoogste berg, 4638 m, in 1855) en vele andere. Door de rivaliteit tussen de gidsen, een ongeluk tijdens de afdaling waarbij vier van de zeven tochtgenoten de dood vonden en de publiciteit waarmee dit alles omringd werd, kreeg de eerste beklimming van de Matterhorn (4477 m) op 14 juli 1865 grote bekendheid. Deze bekroning van vijf jaar achtereen herhaalde pogingen heeft de leider, Edward Whymper (1840–1911), zowel lof als verguizing bezorgd. Het succes markeerde tevens de afsluiting van een tijdperk. In de tweede helft van de 19de eeuw ging het vinden van nieuwe routes naar de reeds op andere wijze benaderde toppen een doel op zichzelf worden.
Waren tot dusverre genoemde bestijgingen bijna alle uitgevoerd met hulp van en soms onder leiding van plaatselijke gidsen, nu begon men steeds meer zelfstandig te klimmen. De eerste authentieke beklimming van de Pelvoux (Dauphiné, Frankrijk) was die van Victor Puiseux in 1848, die alleen omhoog ging, omdat zijn gidsen hem maar tot halverwege wilden vergezellen. Met zijn zoon Pierre, behorend tot de oprichters van de Franse Alpenclub, bevorderde hij ook het gidsloos klimmen, dat ook onder de Britten, Oostenrijkers en Italianen veel aanhangers zou krijgen. Tot de vroegste gidslozen behoorden Purtscheller (1849–1900), Mummery (1856–1895) en Zsigmondy (1861–1885). De ontwikkeling was een natuurlijk gevolg van de geleidelijk aan grotere vertrouwdheid met de bergen en het groeiend toerisme. Ook het plaatsen van hutten droeg bij tot de verzelfstandiging van de alpinist, die voor onderkomen en proviand geen dragers meer nodig had. Gidsloos klimmen – na onder deskundige leiding verkregen ervaring – is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering.

Na de Eerste Wereldoorlog kwam het gebruik van rotshaken in Duitsland en Italië in zwang. Hoewel deze haken in het begin alleen gebruikt werden als zekeringspunt, niet om aan omhoog te klimmen, verminderden ze de risico's bij een val en daardoor de psychologische barrière om tot het uiterste te gaan. Grote wanden kwamen hierdoor in het vizier. Na de Tweede Wereldoorlog was er een korte periode waarin er met behulp van een ongelimiteerde hoeveelheid rotshaken en touwladdertjes direttissima's (klimroutes die zo direct mogelijk naar de top leiden) geklommen werden. Degenen die de weg van de technische hulpmiddelen verlieten en weer de avontuurlijke weg insloegen, waren de Italianen Walter Bonatti in de jaren 1951–1965 en Reinhold Messner in de jaren 1965–1970. De nieuwe uitdagingen werden gevonden in solobeklimmingen, winterbeklimmingen, loodrechte ijswanden, ‘vrije’ beklimmingen (haken alleen ter zekering) en het aan elkaar rijgen van routes (bijv. Matterhorn-, Eiger- en Grandes Jorasses-noordwanden, met helikoptertransport van top naar voet). Uit deze soms wat kunstmatige ondernemingen bleek dat de Alpen niet meer het uiterste aan alpinistische uitdagingen boden. Al in de 19de eeuw trokken alpinisten naar andere werelddelen om daar onbekende gebergten te exploreren en toppen te beklimmen. Zo werd het hoogste punt van het westelijk halfrond, de 6950 m hoge Aconcagua in Chili, in 1897 voor het eerst bestegen door de Zwitserse gids Zurbriggen, de Kilimanjaro (5893 m) in Afrika reeds in 1889 door Meyer en Purtscheller. De hoogste en meest tot de verbeelding sprekende toppen liggen echter in Centraal-Azië: de ketens van de Himalaja, de Karakoram, met de daar westelijk op aansluitende Hindoe Koesj en Pamir. Veertien pieken reiken tot meer dan 8000 m, waarvan acht in Nepal (o.a. de hoogste, de Mount Everest, van 8848 m). Onder de pioniers in Azië zijn te noemen: Freshfield (in de Kaukasus, 1868), Conway (Himalaja, 1892) en ook de Nederlanders Ph. Chr. Visser en zijn echtgenote, J. Visser-Hooft, die vier expedities naar het Karakoramgebergte hielden in 1922, 1925, 1929–1930 en 1935 en er gletsjergebieden in kaart brachten. Het bereiken van de hoogste toppen vorderde langzaam. Een van de redenen hiervoor was dat Nepal tot 1948 geen buitenlanders toeliet. De eerste 7000-er (Trisul, 7120 m, in de Gharwal Himal) werd in 1907 beklommen, de eerste 8000-er (Annapurna, 8091 m, in Nepal) in 1950 door de Fransen Herzog en Lachenal. Op 29 mei 1953 werd de Mount Everest beklommen door de Nieuw-Zeelander Hillary en de sherpa Tenzing Norgay (van John Hunts Britse expeditie). In de daarop volgende tien jaren werden ook de andere 8000-ers beklommen.

Mijlpalen in het ‘himalajisme’ daarna zijn de beklimming van de Annapurna-zuidwand (Don Whillans en Dougal Haston, expeditie o.l.v. Chris Bonington, 1970), de beklimming van een 8000-er door een tweemanstouwgroep (Reinhold Messner en Peter Habeler op Gasherbrum I, 1975), de eerste solobeklimming van een 8000-er (Messner op Nanga Parbat, 1978) en de beklimming van de Mount Everest zonder zuurstofapparatuur (Messner en Habeler, 1978). Messner is ook de eerste die alle veertien achtduizenders beklommen heeft (1986).
 
   

Nieuwe pagina 1

© copyright WorldwideBase 2005-2009