header kids

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

 Klein duimpje

 

Meer sprookjes : klik hier >>

 

Er was eens een houthakker die met zijn vrouw in het bos woonde. Zij hadden zeven kinderen ... allemaal jongens. Ze waren heel arm en de kinderen waren nog te klein om hun brood te verdienen. Het deed hun ook veel verdriet dat de jongste zo zwak was en nooit sprak. Toen hij geboren werd was hij nauwelijks zo groot als een duim en hij werd dan ook Duimpje genoemd. Het arme kind was thuis het zwarte schaap en kreeg altijd ongelijk. Intussen was hij de slimste van al z'n broers, en al sprak hij weinig, hij luisterde des te meer.

Toen kwam er een heel slecht jaar. Er was hongersnood en wel zo erg dat de ouders besloten om hun kinderen weg te doen.
Op een avond, toen de jongens naar bed waren, zat de houthakker met zijn vrouw bij de haard. En met een krop in de keel zei hij haar : 'je ziet wel moeder, we kunnen onze kinderen geen eten meer geven. Ik zou het niet voor mijn ogen kunnen aanzien moesten ze van de honger sterven en daarom heb ik besloten om ze morgen in het bos verloren te laten lopen.'
Schreiend gaf de moeder toe.

Klein Duimpje had zijn ouders horen spreken. Hij was stilletjes opgestaan en had zich verstopt onder de stoel van zijn vader. Zo had hij alles afgeluisterd. Hij kroop daarna terug onder de dekens maar moest zoveel nadenken dat hij de ganse nacht niet kon slapen.
Hij stond vroeg op en ging zijn zakken vullen met witte keitjes uit de beek. toen ging het hele gezin weg, maar Klein Duimpje vertelde niets van wat hij wist aan zijn broers. De kinderen raapten takjes en stokjes in het bos, en terwijl ze druk bezig waren slopen vader en moeder stilletjes weg langs een verborgen paadje.Toen de kinderen merkten dat ze alleen waren begonnen ze te roepen en te wenen.

Klein Duimpje wist wel hoe ze thuis moesten geraken, want hij had langs de weg voortdurend steentjes laten vallen. Toen de ouders thuiskwamen stond er hen een dienaar van een rijke heer uit het dorp op te wachten met tien goudstukken, die ze nog moesten krijgen. Nu waren ze gered, maar de moeder verweet haar man : zie je nu wel, jij wou de kinderen verloren laten lopen. Ik had het toch gezegd dat je er spijt van zou krijgen.
Ondertussen stonden de kinderen aan de deur van hun huis, en ze riepen 'hier zijn we, hier zijn we'. Moeder haastte zich naar de deur en de kinderen aten als wolven van het eten dat vader en moeder van die goudstukken gekocht hadden.

Het geluk van de ouders om hun kinderen weer bij zich te hebben duurde zo lang als de tien goudstukken duurden. Toen het geld op was, was er weer bittere armoede. Tenslotte werd er opnieuw besloten om de kinderen verloren te laten lopen in het bos. Klein Duimpje had zijn voorzorgen genomen en stak wat brood in zijn zak. Opnieuw lieten de ouders de kinderen achter in het bos, maar nu op een veel verdere en donkere plaats. Klein Duimpje zag echter tot zijn verbazing dat de broodkruimels die hij nu had uitgestrooid allemaal weg waren. De vogels hadden ze opgepikt.
Nu werden de kinderen echt heel bang. Ze zochten de weg, maar verdwaalden steeds maar verder.
Klein Duimpje klom in een boom en in de verte zag hij een lichtje branden. Toen besloten ze allemaal naar het huis te gaan waar er licht brandde. Ze klopten op de deur en een vriendelijke vrouw deed de deur open. Klein Duimpje zei dat ze verloren waren gelopen in het bos en vroeg of ze hier onderdak konden krijgen. Toen begon de vrouw te wenen ... arme kinderen, zei ze, weten jullie dan niet dat hier een menseneter woont, die kleine kinderen opeet !
Ach goede vrouw, zei Klein Duimpje, als we in het bos blijven deze nacht worden we door de wolven verscheurd. Misschien heeft die meneer medelijden met ons, als gij het hem vraagt ?
Toen bedacht de vrouw dat ze de kinderen misschien kon verstoppen tot de volgende nacht en ze liet hen binnenkomen. Ze kregen het lekker warm, toen er heel hard op de deur werd gebonsd ... het was de menseneter. De vrouw stopte de kinderen haastig onder bed en ging de deur opendoen. De menseneter ging direct aan tafel want hij had grote honger. Maar de malse schapenbout kon zijn honger blijkbaar niet stillen ... hij snoof met zijn neus links en rechts en zei 'ik ruik vers vlees'. Hij ging naar het bed en trok de jongens er n voor n vanonder. De arme kinderen vielen op hun knien en smeekten om hen te sparen, maar hij begon zijn groot mes scherp te maken.
Maar man toch, zei de vrouw, ge gaat die kinderen toch nu niet dood doen ... het is al zo laat en ik kan ze goed eten geven, dan worden ze dikker. De menseneter dacht eens goed na en knikte. Je hebt gelijk, zei hij, geef ze maar goed eten en stop ze maar tot morgen in bed. De brave vrouw was zeer blij en zette voor hen het beste eten op tafel. Maar de kinderen konden geen hap naar binnen krijgen, want ze bibberden van angst.
De menseneter had echter zeven dochters, ze waren allemaal nog klein. De moeder had ze al vroeg naar boven gebracht en ze sliepen alle zeven in een groot bed met een gouden kroontje op hun hoofd.
In diezelfde kamer stond echter nog zo'n groot bed, en daar stak de brave vrouw de zeven jongens in. Toen dat gebeurd was, ging ze zelf slapen.
Klein Duimpje had de kroontjes van de meisjes gezien en omdat hij bang was dat de menseneter spijt zou krijgen van zijn uitstel, stond hij stilletjes op tegen middernacht. Hij nam de mutsjes van zijn broers en ruilde ze voorzichtig voor de kroontjes van de slapende meisjes. Zo zou de menseneter de zeven jongens voor zijn dochtertjes houden en zijn dochtertjes voor de kinderen die hij wou vermoorden. En zo gebeurde het ook ... de menseneter kwam iets later wakker en nam zijn groot mes.
Hij sprong uit zijn bed en zocht tastend de kamer van de kinderen op. Er was geen licht in de kamer, maar hij wist dat hij zijn eigen kinderen kon herkennen aan hun kroontje. Hij kwam bij een bed en voelde de mutsjes. Hier moet ik zijn, zei hij, en hij sneed zonder aarzelen de kinderen de keel over. Toen ging hij tevreden opnieuw gaan slapen.
Klein Duimpje had ondertussen niet kunnen slapen en had alles gehoord.
Hij maakte vlug zijn broertjes wakker en ze besloten om het huis uit te vluchten. Ze slopen stil naar beneden, ze kwamen in de tuin en kleuterden vlug over de muur. Ze verdwenen in de nacht, zonder te weten waarheen.
De volgende morgen zei de menseneter tegen zijn vrouw, haal me die kinderen eens van boven. De vrouw vond boven haar eigen dochtertjes in een grote bloedplas en schrok zodanig dat ze flauw viel.
Tenslotte kwam de menseneter zelf kijken en werd woest. Ik ga het hen betaald zetten, schreeuwde hij, haal me mijn zevenmijlslaarzen, want ik moet de schelmen inhalen !
Al gauw vond hij de weg die de zeven jongens genomen hadden. Ze waren al bijna thuis toen ze de menseneter zagen afkomen. Met zijn laarzen sprong hij over de heuvels en over rivieren, alsof het kleine beekjes waren.
Klein Duimpje ontdekte plots een kloof in de rots en daar kropen ze allemaal in. De menseneter was door het vele zoeken zeer moe geworden en legde zich neer om wat te rusten. Toevallig was dat juist naast de rots waarin de kinderen zich verscholen hadden. Hij viel dadelijk in slaap.
Toen de kinderen het daverend gesnurk hoorden, beefden ze van angst. Maar Klein Duimpje sloot naar de slapende menseneter en trok voorzichtig zijn zevenmijlslaarzen uit. Hij deed ze zelf aan. Ze waren natuurlijk veel te groot.
Klein Duimpje had een plan. Hij rende met de zevenmijlslaarzen naar het huis van de menseneter. Toen hij daar de vrouw zag zei hij, vrouw, jou man is overvallen door rovers en als je niet al je juwelen meegeeft met mij, dan gaan ze hem vermoorden. Ik mocht zijn laarzen leven om ze te komen halen. De vrouw gaf verschrikt al haar juwelen mee met Klein Duimpje die zich naar huis haastte. Toen zijn vader en moeder en zijn broertjes (die intussen waren thuis gekomen) al deze juwelen zagen, jubelden ze van vreugde. Ze hadden nooit geen armoede meer en leefden nog lang en gelukkig !
 
   

Nieuwe pagina 1

copyright WorldwideBase 2005-2009