header kinderbase


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Meisjes en jongens

 

terug naar de startpagina >>

 




de realiteit >>


de verschillen >>


gelijke kansen >>


hoe moet dat gebeuren >>



In het basisonderwijs is zowat drie vierde van de scholen gemengd. Het invoeren van het gemengd onderwijs was destijds een 'bom' in de ogen van heel wat conservatieve ouders, ook al ligt het voor de hand.  Kinderen worden gemengd opgevoed in een gezin en komen terecht in een gemengde situatie bij de dagmoeder of in het kinderdagverblijf, zodat gemengd studeren een logisch verlengstuk is.
En toch is die 'maatschappelijke mentale overgang' niet zonder slag of stoot gebeurd en blijkbaar nog steeds niet, want heden ten dage draait het gemengd onderwijs nog niet altijd  honderd procent rond. En dan kan men zich de vraag stellen of het gemengd onderwijs echt wel zo'n goeie zaak is, of als het ergens verkeerd wordt aangepakt : zijn er effectief wezenlijke verschillen in de persoonlijkheid van jongens en meisjes, moeten jongens en meisjes in hun studie anders benaderd worden, schort er ergens iets aan de mentaliteit en het inzicht van de leraars of van de bevoegde en vakkundige instanties die zich over het 'leergebeuren' ontfermen ? Met andere woorden : wat loopt er fout ?

De realiteit

Meisjes lopen inderdaad op een andere manier school dan jongens: ze zijn meer gemotiveerd, passen zich makkelijker aan de schoolcultuur aan, maar worden precies daardoor makkelijker over het hoofd gezien. Ze hebben dubbel zoveel faalangst en hebben vaak een negatief zelfbeeld. Ze zijn dikwijls slimmer, maar houden minder stand in studierichtingen en stromen niet in gelijke mate door naar de verschillende vormen van hoger onderwijs. Jongens worden als stouter of brutaler ervaren. Ze lopen meer risico op slechte schoolresultaten. Ze moeten twee keer zo vaak blijven zitten. Geweld, leerachterstand en hooliganisme zijn grotendeels jongensproblemen.

Het onderwijs is er tot nu toe niet in geslaagd om die verschillen weg te werken. Integendeel, ze worden er dikwijls nog versterkt. De meeste leerkrachten zijn zich niet bewust van hun verschillend gedrag t.o.v. jongens en meisjes. Dat versterkt vaak de bestaande verschillen en benadeelt meisjes.

De verschillen

Meisjes zijn anders dan jongens. Er zijn m.a.w. genderverschillen. Dat betekent echter niet dat er geen individuele verschillen tussen jongens of meisjes zijn. Meisjes of jongens kunnen zich anders gedragen dan hun doorsnee-groep. Het komt erop aan om de verschillen te (her)kennen en er ruimte aan te geven. Meisjes en jongens zijn evenwaardig, maar niet gelijk.

Enkele verschillen:

1. Een andere ontwikkeling

Jongens ontwikkelen zich op fysiek en psychologisch vlak doorgaans later dan meisjes. Een meisje komt gemiddeld op haar twaalfde in de puberteit, een jongen ongeveer achttien maanden later. Dat merken leerkrachten goed in de overgangsjaren tussen lager en secundair onderwijs, waar sommige meisjes al echt 'vrouw' zijn en waar de jongens nog als echte 'kinderen' achter de bal aanhollen. Dit blijft een groot deel van het secundair onderwijs zo. «Doe niet zo kinderachtig», is een oneerlijke opmerking als je jongensgedrag met meisjesgedrag vergelijkt. Iedereen mag zich in zijn eigen tempo ontwikkelen.

2. Andere sociale tradities en verwachtingen: bij de groep horen

Jongens tasten hun sociale omgeving af en meten zich aan elkaar om status te verwerven binnen de groep. Er is niets mis mee om je sterke kanten te tonen, want zo bouw je status op. Bij meisjes werkt dat anders. Voor hen is bij de groep horen van het grootste belang. Vaak doen ze moeite om kwaliteiten (goed zijn in wiskunde) te verdoezelen, uit angst anders niet door de groep te worden geaccepteerd. Zelfs in hun studiekeuze laten ze zich leiden door de groep. Ze kiezen conformistischer: ze doen wat de meeste meisjes doen. Terwijl meisjes van acht nog hun eigen weg durven gaan, wordt de sociale druk om te conformeren snel groter. Ook jongens spiegelen zich aan de groep, maar aangezien de verwachtingen collectief hoger liggen, remt dat hen minder makkelijk af in hun mogelijkheden.

3. Anders omgaan met emoties: «Flink zijn»

Jongens moeten traditioneel 'flink' zijn. Daardoor onderdrukken ze vaak hun gevoelens. Je ziet m.a.w. wel dat er iets mis is, maar komt niet snel te weten wat. Meisjes zijn soms meesters in het verbergen van hun ware gevoelens, zodat je als leerkracht of ouder de illusie krijgt dat het goed met hen gaat, terwijl dat helemaal niet het geval is. Met meisjes valt wel makkelijker over hun emoties te praten.

4. Anders communicatief: «Hij luistert niet»

De taal van meisjes is over het algemeen minder direct dan die van jongens. «Kunnen we daar nog een oefening op maken» kan makkelijk betekenen «Ik snap er niks van». Dat past in de conformerende strategie van meisjes: zij zijn uit op consensus, niet op het bevestigen van hun status. Een directe mededeling of opdracht («Ik snap er niks van») wordt vermeden. Via indirect taalgebruik wordt de reactie van de anderen uitgetest. Meisjes begrijpen: «Het is hier koud» sneller als «Doe er wat aan» dan jongens. En indirecte taal begrijpen meisjes ook makkelijker dan jongens. Dus zijn jongens niet per se minder gehoorzaam als ze een indirecte vraag krijgen, maar ze interpreteren de vraag niet als dusdanig.

5. Andere hersenen: links en rechts

Recent onderzoek verklaart veel verschillen vanuit de functionering van de hersenen. Algemeen zouden vrouwen hun rechterhersenhelft - het deel dat communicatievaardigheid en emoties verwerkt - meer gebruiken dan mannen. Het hersenonderzoek is een snel evoluerende wetenschap, maar in grote lijnen is men het momenteel eens over enkele verschillen:

- Een mannelijk brein gaat op een zeer specifieke plaats aan het werk, een vrouwelijk veel globaler. Daardoor leggen meisjes makkelijker verbanden, en gaan jongens zich makkelijker op één ding concentreren.

- Het vrouwelijke brein pikt makkelijker emoties op dan het mannelijke. Jongens zijn dus niet 'ongevoelig'; ze hebben echter wel duidelijker signalen nodig.

- Meisjes zijn veel verbaler dan jongens. Hun taal ontwikkelt doorgaans sneller, ze hebben vaak een grotere woordenschat (meer synoniemen, meer woorden voor vormen en kleuren). Ook voor bv. lezen gebruiken meisjes de beide hersenhelften, jongens veeleer de linker.

- Voor ruimtelijk inzicht zou het mannelijke brein beter geschikt zijn. Wellicht daardoor hebben meisjes minder belangstelling voor sommige aspecten van de wiskunde en hebben ze dus een aangepaste aanpak nodig.

6. Zelfbeeld: wat denken anderen?

Meisjes richten zich voor hun zelfbeeld over het algemeen veel meer dan jongens op externe appreciatie. De manier waarop de media mannen en vrouwen in beeld brengen speelt hierin een rol. Meisjes zijn minder tevreden over zichzelf en maken zich meer zorgen over hun uiterlijk. Dat kan een effect hebben op hun gevoel van eigenwaarde en zelfbewustzijn en uit zich soms in concreet gedrag, van dieet tot anorexia. Meisjes die goede studieresultaten behalen, zijn hiervoor het meest kwetsbaar.

Gelijke kansen

Mogen meisjes meisjes zijn?    En jongens jongens?

Natuurlijk mag dat. Bovendien zouden de beide genders veel van elkaar kunnen leren: jongens een stuk gevoeligheid, meisjes een stuk redelijkheid. Maar omdat de mannelijke waarden in onze maatschappij veel meer worden gewaardeerd dan de vrouwelijke, zijn meisjes die het willen maken soms geneigd de mannelijke waarden over te nemen en hun eigen sterke kanten te verdoezelen of te onderwaarderen. En dat is een groot verlies.

Gelijkekansenbeleid : de doelstellingen

De genderproblematiek draait niet alleen om twee seksen, maar ook om culturele en socio-professionele contexten van vrouwen en mannen, meisjes en jongens. Gelijkekansenbeleid is erop gericht beide genders de kans te geven zich optimaal te ontwikkelen.

Wat willen men bereiken?

1. Kennis en waardering van elkaars contexten (de bijdrage van man en vrouw en de waarde ervan in verleden en heden leren kennen en appreciëren)

2. Studiekeuzeverruiming zowel voor jongens als voor meisjes. Individueel moeten meisjes worden aangespoord economisch zelfstandig te zijn, jongens om zelfzorgend zelfstandig te zijn.

3.Participatie van meisjes en jongens op alle vlakken en niveaus van de maatschappij. Het komt erop aan zowel jongens als meisjes voor te bereiden op bijdragen in het privé-leven, het professioneel leven en het publieke leven.


DE THEORIE

Scholen en leerkrachten dienen rekening te houden met de verscheidenheid van de leerlingen. Ze moeten differentiëren om voor iedere leerling een optimale persoonlijkheidsontwikkeling, studierendement, doorstroming en spreiding naar niveaus en richtingen mogelijk te maken.


DE PRAKTIJK

De meeste leerkrachten zijn zich niet bewust van hun verschillend gedrag tegenover jongens en meisjes. Onderzoek met video-opnames heeft hen daarmee geconfronteerd. De manier waarop leerkrachten in de klas omgaan met meisjes versterkt de bestaande verschillen en benadeelt hen. Dat gebeurt onbewust, maar het heeft wel bijzonder kwalijke gevolgen voor de kansen op maatschappelijke participatie (zelfvertrouwen, leiding nemen).

Enkele observaties:

- Jongens vragen en krijgen ruim meer aandacht dan meisjes: meer kans om op vragen te antwoorden, meer aanmoediging.

- Meisjes worden gezien als vlijtig en de leerkracht verwacht makkelijker dat alles vanzelf gaat. Van hen wordt brutaal gedrag niet getolereerd, van jongens veeleer wel.

- Meisjes krijgen in de les andere vragen dan jongens: meisjes meer reproductievragen, jongens meer denkvragen. Meisjes krijgen minder tijd om te antwoorden. De leerkracht zal hen sneller het juiste antwoord voorzeggen, terwijl jongens worden aangemoedigd verder na te denken bij een fout antwoord.

Leerlingen zijn hier zo aan gewend geraakt dat ze, wanneer de leerkracht zich van deze verschillen bewust wordt en bewust de aandacht eerlijker gaat verdelen, dat in het begin aanvoelen als zouden de jongens benadeeld worden. Wat dus niet het geval is.

Hoe moet dat gebeuren

We zijn dus reeds zover dat we beseffen dat er fundamentele verschillen zijn tussen jongens meisjes, die duidelijk naar voor komen in het klasgebeuren.  We zijn dus ook zover dat we weten waar de kink in de kabel zit : die zit niet bij de jongens en de meisjes zelf, maar wel bij de aanpak door de leerkrachten.  Veel leerkrachten waren jarenlang gewoon om ofwel les te geven aan jongens ofwel aan meisjes, maar niet aan een gemengd publiek.  Wellicht werd er aan dat aspect tijdens de overgangsfase naar het gemengd onderwijs niet voldoende aandacht besteed, zodat de meeste leerkrachten hun manier van lesgeven bleven en nog steeds blijven hanteren.  Vanzelfsprekend leidt dit tot conflicten.
Dus moet er van hogerhand uit op één of andere manier extra aandacht worden besteed aan de leerkrachten en hun manier van lesgeven. Begeleiding hieromtrent van die mensen is een noodzaak, wil men het 'gemengd onderwijs' optimaliseren.

Enkele aandachtspunten voor de leerkracht :

1. De taal van de leerkracht

- In ons taalgebruik zitten stereotiepen die soms sterker zijn dan onszelf. Vaak draaien ze negatief uit voor vrouwen en positief voor mannen. «Wees eens een flinke jongen», «Maarten, jij bent een echte kletstante» of «Wiens papa werkt er thuis op internet?». U kan hier alert voor zijn.

- Zeg in een gemengde klas niet: «Wie het niet begrijpt, steekt zijn vinger maar op», maar wel: «Als je het niet begrijpt, steek je je vinger maar op». Zo zorgt u voor identificatiemogelijkheden. Vermijd een uitspraak zoals: «Kom mannen, we vertrekken.» De meisjes zullen wellicht wel meekomen, maar ze zijn op dat moment emotioneel buitenstaanders.


2. De stijl van de leerkracht

De doorsnee gespreksstijl van mannen en vrouwen verschilt.

- Wees als vrouwelijke leerkracht tegenover jongens directer. Dan 'luisteren' jongens beter. Dus: «Nu moet het stiller» i.p.v. «Er is hier te veel lawaai.»

- Mannelijke leerkrachten kunnen inzien dat hun directe taalgebruik door de meisjes als agressief wordt aangevoeld. Spreek meer in termen van suggesties i.p.v. directe orders. «Misschien is het een goed idee verschillende kleuren te gebruiken voor die titeltjes» i.p.v. «Neem nu een groene pen.»

- Een gevarieerde aanpak spreekt beurtelings jongens en meisjes aan. In een gemengde klas is een leerkracht (m/v) echter sneller geneigd tot een directe gespreksstijl, wat de jongens beter doet reageren, maar de meisjes niet aanmoedigt om in de interactie te participeren. Ga daar bewust mee om.

- Door de directe en indirecte gespreksstijl expliciet onder de aandacht te brengen, kan iedereen inzicht verwerven in de stijl die ze zelf niet hanteren en zo meer begrip opbrengen voor de andere sekse. Zonder een expliciete benadering dreigt het misverstand als zou je meisjes met fluwelen handschoentjes moeten aanpakken en zouden jongens enkel reageren als je hen afblaft.


3. Uw eigen 'rol'

- Jongens hebben de behoefte om zich uit te leven en dat komt bij vrouwen wel eens over als 'wild' of ongecontroleerd. Hou daar als vrouwelijke leerkracht rekening mee. Uiteraard mogen kinderen op de speelplaats geen gevaar voor zichzelf of de anderen zijn, maar ravotten moet kunnen, ook nog na de lagere school.

- Jongens hebben behoefte aan mannelijke rolmodellen, maar in het onderwijs zijn de vrouwen ruim in de meerderheid. Sommige jongens hebben ook thuis niemand om zich aan te spiegelen. Moedig jongens aan om in een sportclub of jeugdbeweging te gaan waar mannelijke rolmodellen zijn. Hebt u maar enkele mannelijke leerkrachten op school? Bekijk dan eens hoe het grootst mogelijk aantal kinderen er mee in contact kan komen. Omgekeerd is ook nodig.

Verschillen tussen jongens en meisjes worden nog versterkt door verschillen in sociale klasse en afkomst. In migrantengezinnen met een mediterrane cultuur (voornamelijk Turkse en Marokkaanse gezinnen) primeert de groep op het individu. Vanaf acht à tien jaar doen de meisjes een aanzienlijk deel van het huishouden, ook na schooltijd. De families hebben over het algemeen slechts een beperkt zicht op de onderwijsmogelijkheden hier. Ze hebben het Nederlands vaak niet vroeg genoeg onder de knie, wat tot algemene achterstand leidt. De vaak negatieve verwachtingen van de leerkrachten versterkt dit alles nog eens, zodat deze kinderen vaak niet in de meest geschikte onderwijsvormen en studierichtingen terechtkomen en gauw schoolmoe zijn.

Ook bij laaggeschoolden en kansarmen is het conservatieve rollenpatroon vaak nog uitgesproken aanwezig. Vrouwen en mannen halen er hun zelfvertrouwen en fierheid juist uit de traditionele rollen. Ze hebben ofwel geen ofwel weinig boeiend werk. De thuiscultuur van hun kinderen verschilt sterk van die van de school. De ouders hebben weinig zicht op de mogelijkheden en stimuleren hun kinderen niet om een degelijke studierichting te kiezen.

Met inzicht in en begrip voor deze situatie kunnen leerkrachten erop letten dat zowel meisjes als jongens niet in de netten van
traditionele ongelijkheid verstrikt raken. Het is vooral van vitaal belang dat er duidelijk met hun ouders wordt gecommuniceerd. Daarbij moet de drempel zeer laag liggen.


4. Handboeken en materialen

Recent onderzocht men nieuwe handboeken wereldoriëntatie op hun emancipatorische waarde. De handboeken legden wel enkele roldoorbrekende accenten, maar zonder enige duiding. Het grote probleem blijkt dat vrouwen duidelijk minder in de kijker komen dan mannen. Zo wijdt een handboek bv. 30 bladzijden aan stemrecht en de arbeidersstrijd maar slechts een halve zin aan het vrouwenstemrecht. Ook worden overwegend mannenberoepen toegelicht en blijft sport beperkt tot voetballen en wielrennen. Hoe kunnen leerkrachten voor evenwicht zorgen?

- Als leerkracht kan u uw handboek aanvullen zodat er meer evenwicht is in de voorbeelden. Leg niet alleen uit wat de bakker doet maar praat ook over de bakkerin. Een postbode, busschauffeur of garagist hoeven niet noodzakelijk mannelijk te zijn.

- Roldoorbrekend materiaal op zich volstaat niet. De kinderen moeten er ook attent op worden gemaakt. In de kleuterklas had de Sint spullen gebracht voor de verschillende speelhoeken, o.a. een stofzuiger. Eén van de jongens merkte op: «Juf, maar de Sint heeft niets gebracht voor de jongens.» Hij vond meteen bijval van de andere jongens. Toen vroeg Juf: «En Arne, ga jij dan niet meer in de keuken spelen?» Natuurlijk wel, want dat was één van zijn favoriete plekjes in de klas. «En wie z'n papa stofzuigt er al eens?» Veel vingers de hoogte in. Pas toen was er geen protest meer. Doordat hun aandacht er expliciet was op gericht, begrepen de jongens dat 'meisjesspullen' ook door hen werden gebruikt.


5. Meisjes-vriendelijk lesgeven

Als alle vakken gegeven worden op een manier die beide seksen aanspreekt, zien we ook
een gelijkere interesse. Enkele tips:

- Bied genoeg concrete toepassingen, want meisjes zien veel meer dan jongens graag het nut in van waar ze mee bezig zijn. Ze zoeken ook veel meer naar verbanden in de leerstof.

- Denk bij vraagstukken en bij technologische opvoeding ook aan 'zachte' voorbeelden. Een mixer is net zo goed een elektrisch toestel als een boormachine.

- Hou rekening met de verschillende aanvangssituatie in technische materies. Wie thuis al vaker heeft geëxperimenteerd op de computer of met andere vormen van elektronica (vaak jongens tegenover meisjes, maar ook sociale klasse speelt een rol), heeft een voorsprong.

- Waardeer fouten maken bij experimenteren als iets positiefs, iets waarvan je kan leren. Meisjes durven minder experimenteren. Pas als ze denken het helemaal te snappen, wagen ze meer.

- Hou als leerkracht de handen in de zakken. Jongens zijn meer geneigd al experimenterend een oplossing te zoeken. Meisjes roepen vlugger hulp in als ze het niet begrijpen. Gerichte vragen en hints kunnen meisjes stapsgewijs tot de oplossing brengen. Dat ondersteunt hun zelfstandigheid.


6. Studiekeuzeverruiming

Sinds 1983 is er wettelijk gelijke toegang tot alle beroepsopleidingen op elk niveau en in elke studierichting. In de praktijk zijn meisjes een minderheid in studiedomeinen van techniek (ook toegepaste wetenschappen en informatica). Jongens vormen dan weer een minderheid in de domeinen van administratie-distributie en verzorging (TSO-BSO) en in paramedische, pedagogische en sociale richtingen van het hoger onderwijs.

- Het onderwijs richt zich op de verruiming aan studie- en beroepskeuze. Traditionele vrouwenberoepen beslaan maar een klein deel van de arbeidsmarkt, en liggen hoofdzakelijk in bediendenfuncties waarvoor een hogere scholing is vereist. Kiezen uit een ruimere waaier (dus ook techniek) biedt in principe ruimere mogelijkheden op inschakeling.

- Voor de verruiming van studiekeuze voor jongens was tot nu toe geen economische prikkel aanwezig. Dat zou wel eens kunnen veranderen onder druk van de toenemende behoefte aan zorg in de samenleving (verouderende bevolking). Economische conjunctuur en beschikbare overheidsbudgetten spelen een grote rol in mogelijkheden voor niet traditionele keuzes.
 

 
   

Kinderen

© copyright WorldwideBase 2005-2009