In het
basisonderwijs is zowat drie vierde van de scholen gemengd.
Het invoeren van het gemengd onderwijs was destijds een 'bom' in de
ogen van heel wat conservatieve ouders, ook al ligt het voor de hand.
Kinderen worden gemengd opgevoed in een gezin en komen terecht in een
gemengde situatie bij de dagmoeder of in het kinderdagverblijf, zodat
gemengd studeren een logisch verlengstuk is.
En toch is die 'maatschappelijke mentale overgang' niet zonder slag of
stoot gebeurd en blijkbaar nog steeds niet, want heden ten dage draait
het gemengd onderwijs nog niet altijd honderd procent rond. En dan
kan men zich de vraag stellen of het gemengd onderwijs echt wel zo'n
goeie zaak is, of als het ergens verkeerd wordt aangepakt : zijn er
effectief wezenlijke verschillen in de persoonlijkheid van jongens en
meisjes, moeten jongens en meisjes in hun studie anders benaderd
worden, schort er ergens iets aan de mentaliteit en het inzicht van de
leraars of van de bevoegde en vakkundige instanties die zich over het
'leergebeuren' ontfermen ? Met andere woorden : wat loopt er fout ?
Meisjes
lopen inderdaad op een andere manier school dan jongens: ze zijn meer
gemotiveerd, passen zich makkelijker aan de schoolcultuur aan, maar
worden precies daardoor makkelijker over het hoofd gezien. Ze hebben
dubbel zoveel faalangst en hebben vaak een negatief zelfbeeld. Ze zijn
dikwijls slimmer, maar houden minder stand in studierichtingen en
stromen niet in gelijke mate door naar de verschillende vormen van hoger
onderwijs. Jongens worden als stouter of brutaler ervaren. Ze lopen meer
risico op slechte schoolresultaten. Ze moeten twee keer zo vaak blijven
zitten. Geweld, leerachterstand en hooliganisme zijn grotendeels
jongensproblemen.
Het onderwijs is er tot nu toe niet in geslaagd om die verschillen weg
te werken. Integendeel, ze worden er dikwijls nog versterkt. De meeste
leerkrachten zijn zich niet bewust van hun verschillend gedrag t.o.v.
jongens en meisjes. Dat versterkt vaak de bestaande verschillen en
benadeelt meisjes.
Meisjes
zijn anders dan jongens. Er zijn m.a.w. genderverschillen. Dat betekent
echter niet dat er geen individuele verschillen tussen jongens of
meisjes zijn. Meisjes of jongens kunnen zich anders gedragen dan hun
doorsnee-groep. Het komt erop aan om de verschillen te (her)kennen en er
ruimte aan te geven. Meisjes en jongens zijn evenwaardig, maar niet
gelijk.
Enkele verschillen:
1. Een andere ontwikkeling
Jongens ontwikkelen zich op fysiek en psychologisch vlak doorgaans later
dan meisjes. Een meisje komt gemiddeld op haar twaalfde in de puberteit,
een jongen ongeveer achttien maanden later. Dat merken leerkrachten goed
in de overgangsjaren tussen lager en secundair onderwijs, waar sommige
meisjes al echt 'vrouw' zijn en waar de jongens nog als echte 'kinderen'
achter de bal aanhollen. Dit blijft een groot deel van het secundair
onderwijs zo. «Doe niet zo kinderachtig», is een oneerlijke opmerking
als je jongensgedrag met meisjesgedrag vergelijkt. Iedereen mag zich in
zijn eigen tempo ontwikkelen.
2. Andere sociale tradities en verwachtingen: bij de groep horen
Jongens tasten hun sociale omgeving af en meten zich aan elkaar om
status te verwerven binnen de groep. Er is niets mis mee om je sterke
kanten te tonen, want zo bouw je status op. Bij meisjes werkt dat
anders. Voor hen is bij de groep horen van het grootste belang. Vaak
doen ze moeite om kwaliteiten (goed zijn in wiskunde) te verdoezelen,
uit angst anders niet door de groep te worden geaccepteerd. Zelfs in hun
studiekeuze laten ze zich leiden door de groep. Ze kiezen
conformistischer: ze doen wat de meeste meisjes doen. Terwijl
meisjes van acht nog hun eigen weg durven gaan, wordt de sociale druk om
te conformeren snel groter. Ook jongens spiegelen zich aan de groep,
maar aangezien de verwachtingen collectief hoger liggen, remt dat hen
minder makkelijk af in hun mogelijkheden.
3. Anders omgaan met emoties: «Flink zijn»
Jongens moeten traditioneel 'flink' zijn. Daardoor onderdrukken ze vaak
hun gevoelens. Je ziet m.a.w. wel dat er iets mis is, maar komt niet
snel te weten wat. Meisjes zijn soms meesters in het verbergen van hun
ware gevoelens, zodat je als leerkracht of ouder de illusie krijgt dat
het goed met hen gaat, terwijl dat helemaal niet het geval is. Met
meisjes valt wel makkelijker over hun emoties te praten.
4. Anders communicatief: «Hij luistert niet»
De taal van meisjes is over het algemeen minder direct dan die van
jongens. «Kunnen we daar nog een oefening op maken» kan makkelijk
betekenen «Ik snap er niks van». Dat past in de conformerende strategie
van meisjes: zij zijn uit op consensus, niet op het bevestigen van hun
status. Een directe mededeling of opdracht («Ik snap er niks van») wordt
vermeden. Via indirect taalgebruik wordt de reactie van de
anderen uitgetest. Meisjes begrijpen: «Het is hier koud» sneller als
«Doe er wat aan» dan jongens. En indirecte taal begrijpen meisjes ook
makkelijker dan jongens. Dus zijn jongens niet per se minder gehoorzaam
als ze een indirecte vraag krijgen, maar ze interpreteren de vraag niet
als dusdanig.
5. Andere hersenen: links en rechts
Recent onderzoek verklaart veel verschillen vanuit de functionering van
de hersenen. Algemeen zouden vrouwen hun rechterhersenhelft - het deel
dat communicatievaardigheid en emoties verwerkt - meer gebruiken dan
mannen. Het hersenonderzoek is een snel evoluerende wetenschap, maar in
grote lijnen is men het momenteel eens over enkele verschillen:
- Een mannelijk brein gaat op een zeer specifieke plaats aan het werk,
een vrouwelijk veel globaler. Daardoor leggen meisjes makkelijker
verbanden, en gaan jongens zich makkelijker op één ding concentreren.
- Het vrouwelijke brein pikt makkelijker emoties op dan het mannelijke.
Jongens zijn dus niet 'ongevoelig'; ze hebben echter wel duidelijker
signalen nodig.
- Meisjes zijn veel verbaler dan jongens. Hun taal ontwikkelt doorgaans
sneller, ze hebben vaak een grotere woordenschat (meer synoniemen, meer
woorden voor vormen en kleuren). Ook voor bv. lezen gebruiken meisjes de
beide hersenhelften, jongens veeleer de linker.
- Voor ruimtelijk inzicht zou het mannelijke brein beter geschikt zijn.
Wellicht daardoor hebben meisjes minder belangstelling voor sommige
aspecten van de wiskunde en hebben ze dus een aangepaste aanpak nodig.
6. Zelfbeeld: wat denken anderen?
Meisjes richten zich voor hun zelfbeeld over het algemeen veel meer dan
jongens op externe appreciatie. De manier waarop de media mannen en
vrouwen in beeld brengen speelt hierin een rol. Meisjes zijn minder
tevreden over zichzelf en maken zich meer zorgen over hun uiterlijk. Dat
kan een effect hebben op hun gevoel van eigenwaarde en zelfbewustzijn en
uit zich soms in concreet gedrag, van dieet tot anorexia. Meisjes die
goede studieresultaten behalen, zijn hiervoor het meest kwetsbaar.
Mogen meisjes meisjes
zijn? En jongens jongens?
Natuurlijk mag dat. Bovendien zouden de beide genders veel van elkaar
kunnen leren: jongens een stuk gevoeligheid, meisjes een stuk
redelijkheid. Maar omdat de mannelijke waarden in onze maatschappij veel
meer worden gewaardeerd dan de vrouwelijke, zijn meisjes die het willen
maken soms geneigd de mannelijke waarden over te nemen en hun eigen
sterke kanten te verdoezelen of te onderwaarderen. En dat is een groot
verlies.
Gelijkekansenbeleid : de doelstellingen
De genderproblematiek draait niet alleen om twee seksen, maar ook om
culturele en socio-professionele contexten van vrouwen en
mannen, meisjes en jongens. Gelijkekansenbeleid is erop gericht beide
genders de kans te geven zich optimaal te ontwikkelen.
Wat willen men bereiken?
1. Kennis en waardering van elkaars contexten (de bijdrage van man en
vrouw en de waarde ervan in verleden en heden leren kennen en
appreciëren)
2. Studiekeuzeverruiming zowel voor jongens als voor meisjes.
Individueel moeten meisjes worden aangespoord economisch zelfstandig te
zijn, jongens om zelfzorgend zelfstandig te zijn.
3.Participatie van meisjes en jongens op alle vlakken en niveaus van de
maatschappij. Het komt erop aan zowel jongens als meisjes voor te
bereiden op bijdragen in het privé-leven, het professioneel leven en het
publieke leven.
DE THEORIE
Scholen en leerkrachten dienen rekening te houden met de verscheidenheid
van de leerlingen. Ze moeten differentiëren om voor iedere leerling een
optimale persoonlijkheidsontwikkeling, studierendement, doorstroming en
spreiding naar niveaus en richtingen mogelijk te maken.
DE PRAKTIJK
De
meeste leerkrachten zijn zich niet bewust van hun verschillend gedrag
tegenover jongens en meisjes.
Onderzoek met video-opnames heeft hen daarmee geconfronteerd. De manier
waarop leerkrachten in de klas omgaan met meisjes versterkt de bestaande
verschillen en benadeelt hen. Dat gebeurt onbewust, maar het heeft wel
bijzonder kwalijke gevolgen voor de kansen op maatschappelijke
participatie (zelfvertrouwen, leiding nemen).
Enkele observaties:
- Jongens vragen en krijgen ruim meer aandacht dan meisjes: meer kans om
op vragen te antwoorden, meer aanmoediging.
- Meisjes worden gezien als vlijtig en de leerkracht verwacht
makkelijker dat alles vanzelf gaat. Van hen wordt brutaal gedrag niet
getolereerd, van jongens veeleer wel.
- Meisjes krijgen in de les andere vragen dan jongens: meisjes meer
reproductievragen, jongens meer denkvragen. Meisjes krijgen minder tijd
om te antwoorden. De leerkracht zal hen sneller het juiste antwoord
voorzeggen, terwijl jongens worden aangemoedigd verder na te denken bij
een fout antwoord.
Leerlingen zijn hier zo aan gewend geraakt dat ze, wanneer de leerkracht
zich van deze verschillen bewust wordt en bewust de aandacht eerlijker
gaat verdelen, dat in het begin aanvoelen als zouden de jongens
benadeeld worden. Wat dus niet het geval is.
We zijn dus
reeds zover dat we beseffen dat er fundamentele verschillen zijn tussen
jongens meisjes, die duidelijk naar voor komen in het klasgebeuren. We
zijn dus ook zover dat we weten waar de kink in de kabel zit : die zit
niet bij de jongens en de meisjes zelf, maar wel bij de aanpak door de
leerkrachten. Veel leerkrachten waren jarenlang gewoon om ofwel les te
geven aan jongens ofwel aan meisjes, maar niet aan een gemengd publiek.
Wellicht werd er aan dat aspect tijdens de overgangsfase naar het
gemengd onderwijs niet voldoende aandacht besteed, zodat de meeste
leerkrachten hun manier van lesgeven bleven en nog steeds blijven
hanteren. Vanzelfsprekend leidt dit tot conflicten.
Dus moet er van hogerhand uit op één of andere manier extra aandacht
worden besteed aan de leerkrachten en hun manier van lesgeven.
Begeleiding hieromtrent van die mensen is een noodzaak, wil men het
'gemengd onderwijs' optimaliseren.
Enkele aandachtspunten voor de leerkracht :
1.
De taal van de leerkracht
- In ons taalgebruik zitten stereotiepen die soms sterker
zijn dan onszelf. Vaak draaien ze negatief uit voor vrouwen en positief
voor mannen. «Wees eens een flinke jongen», «Maarten, jij bent een echte
kletstante» of «Wiens papa werkt er thuis op internet?». U kan hier
alert voor zijn.
- Zeg in een gemengde klas niet: «Wie het niet begrijpt, steekt zijn
vinger maar op», maar wel: «Als je het niet begrijpt, steek je je vinger
maar op». Zo zorgt u voor identificatiemogelijkheden.
Vermijd een uitspraak zoals: «Kom mannen, we vertrekken.» De meisjes
zullen wellicht wel meekomen, maar ze zijn op dat moment emotioneel
buitenstaanders.
2.
De stijl van de leerkracht
De doorsnee gespreksstijl van mannen en vrouwen verschilt.
- Wees als vrouwelijke leerkracht tegenover jongens directer.
Dan 'luisteren' jongens beter. Dus: «Nu moet het stiller» i.p.v. «Er is
hier te veel lawaai.»
- Mannelijke leerkrachten kunnen inzien dat hun directe
taalgebruik door de meisjes als agressief wordt aangevoeld.
Spreek meer in termen van suggesties i.p.v. directe
orders. «Misschien is het een goed idee verschillende kleuren te
gebruiken voor die titeltjes» i.p.v. «Neem nu een groene pen.»
- Een gevarieerde aanpak spreekt beurtelings jongens en meisjes aan. In
een gemengde klas is een leerkracht (m/v) echter sneller geneigd tot een
directe gespreksstijl, wat de jongens beter doet reageren, maar de
meisjes niet aanmoedigt om in de interactie te participeren. Ga daar
bewust mee om.
- Door de directe en indirecte gespreksstijl expliciet onder de aandacht
te brengen, kan iedereen inzicht verwerven in de stijl die ze zelf niet
hanteren en zo meer begrip opbrengen voor de andere sekse. Zonder een
expliciete benadering dreigt het misverstand als zou je meisjes met
fluwelen handschoentjes moeten aanpakken en zouden jongens enkel
reageren als je hen afblaft.
3. Uw eigen 'rol'
- Jongens hebben de behoefte om zich uit te leven en dat
komt bij vrouwen wel eens over als 'wild' of ongecontroleerd. Hou daar
als vrouwelijke leerkracht rekening mee. Uiteraard mogen kinderen op de
speelplaats geen gevaar voor zichzelf of de anderen zijn, maar ravotten
moet kunnen, ook nog na de lagere school.
- Jongens hebben behoefte aan mannelijke rolmodellen, maar
in het onderwijs zijn de vrouwen ruim in de meerderheid. Sommige jongens
hebben ook thuis niemand om zich aan te spiegelen. Moedig jongens aan om
in een sportclub of jeugdbeweging te gaan waar mannelijke rolmodellen
zijn. Hebt u maar enkele mannelijke leerkrachten op school? Bekijk dan
eens hoe het grootst mogelijk aantal kinderen er mee in contact kan
komen. Omgekeerd is ook nodig.
Verschillen tussen jongens en meisjes worden nog versterkt door
verschillen in sociale klasse en afkomst. In
migrantengezinnen met een mediterrane cultuur (voornamelijk
Turkse en Marokkaanse gezinnen) primeert de groep op het individu. Vanaf
acht à tien jaar doen de meisjes een aanzienlijk deel van het
huishouden, ook na schooltijd. De families hebben over het algemeen
slechts een beperkt zicht op de onderwijsmogelijkheden hier. Ze hebben
het Nederlands vaak niet vroeg genoeg onder de knie, wat tot algemene
achterstand leidt. De vaak negatieve verwachtingen van de leerkrachten
versterkt dit alles nog eens, zodat deze kinderen vaak niet in de meest
geschikte onderwijsvormen en studierichtingen terechtkomen en gauw
schoolmoe zijn.
Ook bij laaggeschoolden en kansarmen is het conservatieve
rollenpatroon vaak nog uitgesproken aanwezig. Vrouwen en mannen halen er
hun zelfvertrouwen en fierheid juist uit de traditionele rollen. Ze
hebben ofwel geen ofwel weinig boeiend werk. De thuiscultuur
van hun kinderen verschilt sterk van die van de school. De ouders hebben
weinig zicht op de mogelijkheden en stimuleren hun kinderen niet om een
degelijke studierichting te kiezen.
Met inzicht in en begrip voor deze situatie kunnen leerkrachten erop
letten dat zowel meisjes als jongens niet in de netten van
traditionele ongelijkheid
verstrikt raken. Het is vooral van vitaal belang dat er duidelijk met
hun ouders wordt gecommuniceerd. Daarbij moet de drempel zeer laag
liggen.
4. Handboeken en materialen
Recent onderzocht men nieuwe handboeken wereldoriëntatie op hun
emancipatorische waarde. De handboeken legden wel enkele
roldoorbrekende accenten, maar zonder enige duiding. Het grote probleem
blijkt dat vrouwen duidelijk minder in de kijker komen dan mannen. Zo
wijdt een handboek bv. 30 bladzijden aan stemrecht en de arbeidersstrijd
maar slechts een halve zin aan het vrouwenstemrecht. Ook worden
overwegend mannenberoepen toegelicht en blijft sport beperkt tot
voetballen en wielrennen. Hoe kunnen leerkrachten voor evenwicht zorgen?
- Als leerkracht kan u uw handboek aanvullen zodat er meer evenwicht is
in de voorbeelden. Leg niet alleen uit wat de bakker doet maar praat ook
over de bakkerin. Een postbode, busschauffeur of garagist hoeven niet
noodzakelijk mannelijk te zijn.
- Roldoorbrekend materiaal op zich volstaat niet. De kinderen moeten er
ook attent op worden gemaakt. In de kleuterklas had de Sint spullen
gebracht voor de verschillende speelhoeken, o.a. een stofzuiger. Eén van
de jongens merkte op: «Juf, maar de Sint heeft niets gebracht voor de
jongens.» Hij vond meteen bijval van de andere jongens. Toen vroeg Juf:
«En Arne, ga jij dan niet meer in de keuken spelen?» Natuurlijk wel,
want dat was één van zijn favoriete plekjes in de klas. «En wie z'n papa
stofzuigt er al eens?» Veel vingers de hoogte in. Pas toen was er geen
protest meer. Doordat hun aandacht er expliciet was op gericht, begrepen
de jongens dat 'meisjesspullen' ook door hen werden gebruikt.
5. Meisjes-vriendelijk lesgeven
Als alle vakken gegeven worden op een manier die beide seksen
aanspreekt, zien we ook
een
gelijkere interesse.
Enkele tips:
- Bied genoeg concrete toepassingen, want meisjes zien veel meer dan
jongens graag het nut in van waar ze mee bezig zijn. Ze zoeken ook veel
meer naar verbanden in de leerstof.
- Denk bij vraagstukken en bij technologische opvoeding ook aan 'zachte'
voorbeelden. Een mixer is net zo goed een elektrisch toestel als een
boormachine.
- Hou rekening met de verschillende aanvangssituatie in technische
materies. Wie thuis al vaker heeft geëxperimenteerd op de computer of
met andere vormen van elektronica (vaak jongens tegenover meisjes, maar
ook sociale klasse speelt een rol), heeft een voorsprong.
- Waardeer fouten maken bij experimenteren als iets positiefs, iets
waarvan je kan leren. Meisjes durven minder experimenteren. Pas als ze
denken het helemaal te snappen, wagen ze meer.
- Hou als leerkracht de handen in de zakken. Jongens zijn meer geneigd
al experimenterend een oplossing te zoeken. Meisjes roepen vlugger hulp
in als ze het niet begrijpen. Gerichte vragen en hints kunnen meisjes
stapsgewijs tot de oplossing brengen. Dat ondersteunt hun
zelfstandigheid.
6.
Studiekeuzeverruiming
Sinds 1983 is er wettelijk gelijke toegang tot alle beroepsopleidingen
op elk niveau en in elke studierichting.
In de praktijk zijn meisjes een minderheid in studiedomeinen van
techniek (ook toegepaste wetenschappen en informatica). Jongens vormen
dan weer een minderheid in de domeinen van administratie-distributie en
verzorging (TSO-BSO) en in paramedische, pedagogische en sociale
richtingen van het hoger onderwijs.
- Het onderwijs richt zich op de verruiming aan studie- en beroepskeuze.
Traditionele vrouwenberoepen beslaan maar een klein deel van de
arbeidsmarkt, en liggen hoofdzakelijk in bediendenfuncties waarvoor een
hogere scholing is vereist. Kiezen uit een ruimere waaier (dus ook
techniek) biedt in principe ruimere mogelijkheden op inschakeling.
- Voor de verruiming van studiekeuze voor jongens was tot nu toe geen
economische prikkel aanwezig. Dat zou wel eens kunnen veranderen onder
druk van de toenemende behoefte aan zorg in de samenleving (verouderende
bevolking). Economische conjunctuur en beschikbare overheidsbudgetten
spelen een grote rol in mogelijkheden voor niet traditionele keuzes.
|