header_reptielen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Ratelslangachtigen

 

Slangenpagina klik hier

 

Ratelslangachtigen of Groefkopadders, de familie Crotalidae van de Slangen.

Anatomie en fysiologie
Ratelslangachtigen worden gekenmerkt door het bezit van een armtegevoelig zintuig in de vorm van een groeve of verdieping met een membraan beiderzijds tussen neusgat en oog. Overigens komen deze giftige slangen sterk overeen met de Adderachtigen, waarmee ze soms tot één familie verenigd worden. Beide groepen hebben de meest geperfectioneerde giftanden van alle slangen; deze zijn als injectienaalden gebouwd (solenoglyf), staan vooraan op de bovenkaken, liggen in de gesloten bek naar achteren geklapt en worden bij het bijten opgericht en in de prooi geslagen, waarna de slang meestal weer loslaat. De slang volgt dan het geurspoor en – althans de Groefkopadders – het warmtespoor van de mogelijk nog een eind weggevluchte vogel of het zoogdier. Het gif van deze groep werkt vooral op bloed en bloedvaten, maar daarop bestaan uitzonderingen.

De Ratelslangachtigen zijn bijna alle eierlevendbarend.

Soorten en verspreiding

Ratelslangachtigen komen voor in Amerika en Zuid-Azië. De ratelslangen (Crotalus), met ca. 25 soorten, en de dwergratelslangen (Sistrurus, Noord-Amerika), met drie soorten, heten ratelslang naar de bij het vervellen achtergebleven, droge huidringen van de verdikte huid aan het staarteinde, die bij gevaar als ratel worden gebruikt ter afschrikking of waarschuwing; een pasgeboren ratelslangetje heeft nog geen ratel. Sommige andere geslachten vibreren met het staarteinde als er gevaar dreigt, maar hebben geen ratel.

De echte ratelslangen (Crotalus) leven op één soort na in Noord-Amerika, met als grootste soort de diamantratelslang (C. adamanteus; tot 2,5 m lang); alleen C. durissus (tot 1,75 m), met een sterk afwijkend gif, leeft in tropisch Zuid-Amerika. De horenratelslang (C. cerastes), komt voor in de woestijnen in het zuidwesten van de Verenigde Staten en in noordwest-Mexico. Het is een bleekgele slang die 's nachts op prooien als kleine zoogdieren en hagedissen jaagt. Deze slang, die in Noord-Amerika sidewinder wordt genoemd, beweegt zich zijwaarts door met zijn lichaam een S-vormige kronkeling te maken. Het lichaam staat daardoor in een hoek met de bewegingsrichting, zodat een reeks van parallelle strepen in het zand ontstaat. De Texaanse ratelslang (C. atrox) en de diamantratelslang laten het bij verstoring niet altijd bij een waarschuwing met hun ratel: zij gaan een verstoorder of belager ook achterna.

In Midden- en Zuid-Amerika komen ca. 35 soorten voor van het geslacht lanspuntslangen (Bothrops; zo geheten naar de driehoekige kop). De grootste is de gewone lanspuntslang (B. atrox; tot 2, 5 m). Het ca. 30 soorten tellende Zuidoost-Aziatische geslacht Indische boomadders (Trimeresurus) heeft, evenals het geslacht lanspuntslangen, boombewonende soorten met een grijpstaart. De grootste tropisch Amerikaanse gifslang is de bosmeester (Lachesis mutus); tot 3,6 m lang, eierleggend. Het geslacht Ancistrodon heeft drie soorten in Noord-Amerika en negen in Zuid-Azië; één komt ook in Zuid-Rusland voor.
 

 

Slangenpagina klik hier

 

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009