header_reptielen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

info Reptielen

 

Slangenpagina klik hier

 
Reptielen (v. Lat. reptare = kruipen) of Kruipende dieren, de klasse Reptilia van de onderstam gewervelde-dieren. De Reptielen ontstonden in het Boven-Carboon (ca. 260 miljoen jaar geleden). Zij onderscheidden zich van de andere in die tijd levende gewervelde dieren (de Vissen en de AmfibieŽn) door hun verhoornde huid en hun eieren met een verhoornde of kalkachtige schaal. Daardoor konden zij zich tot echte landbewoners ontwikkelen.

Anatomie en fysiologie
Huid

De huid bestaat aan de buitenzijde uit een dikke hoornlaag, die verdamping tegengaat. Klier en in de huid ontbreken vrijwel, met uitzondering van muskusachtige attractiestoffen afscheidende klieren bij krokodillen en sommige schildpadden, en stinkklieren in de opening van de cloaca bij sommige slangen. De hoornlaag is door plaatselijke verdikking verdeeld in schilden of plaatjes; als de verdikkingen elkaar dakpansgewijs overlappen, spreekt men van schubben. Het buitenste deel van deze hoornlaag wordt, behalve bij krokodillen en sommige landschildpadden, periodiek afgeworpen: in ťťn stuk bij slangen ( Ďslangenhemdí), in gedeelten bij de andere. In de goed ontwikkelde lederhuid kunnen verbeningen aanwezig zijn, het meest uitgesproken bij de schildpadden met hun rugschild (carapax) en buikschild (plastron); zulke beenschilden zijn dan stevig met de hoornschilden verbonden.

Skelet

Van het skelet vertoont de schedel grote verschillen in bouw. Het schedeldak kan uit aaneengesloten beenderen bestaan (schildpadden) of ťťn of twee openingen (slaapvensters) bezitten, met daaruit resulterende beenbruggen of -bogen (Gr.: apsides) tussen en onder de openingen. Een tot achter in de bek doorlopend gehemelte bezitten alleen de Krokodilachtigen. Bij de Slangen en Hagedisachtigen zijn er twee gewrichten tussen onderkaak en schedel in plaats van ťťn, nl. tussen onderkaak en vierkantsbeen, en tussen vierkantsbeen en schedel. Bij de Slangen zijn bovendien de linker- en de rechterhelften van de kaken niet met elkaar vergroeid. Deze anatomische bijzonderheden maken het wijd openen van de bek mogelijk. De wervel in het gebied van schedel tot staart kunnen alle een paar ribben dragen (slangen), of gedeeltelijk ribloos zijn (de lende- en heiligbeenwervels van krokodillen). Bij schildpadden zijn de rompwervels en de ribben met de carapax vergroeid. Slangen missen een borstbeen.

De ledematen staan veel meer naast de romp dan eronder, zodat ze deze niet goed dragen. De voortbeweging is daardoor in beginsel een kronkelbeweging van romp en staart in een horizontaal vlak, behalve bij de schildpadden. Het vergroeien van het rompskelet met het huidskelet bij deze groep ging samen met de verplaatsing van de schoudergordel naar een plaats binnen de ribben: een uitzonderlijke toestand. De aanwezigheid van een rudimentair bekken bij sommige slangen en pootloze hagedisachtigen toont aan dat hun pootloosheid secundair is.

Gebit en spijsvertering

Het gebit ontbreekt bij de schildpadden, die in plaats daarvan vaak een scherpe snavelachtige hoornbedekking op de kaken hebben. Tanden in kassen op de kaken hebben alleen de krokodillen. Bij slangen en hagedisachtigen zitten ook tanden op enkele beenderen van het monddak en zijn ze slechts oppervlakkig ingeplant. Meestal zijn reptielen homodont, dwz. dat alle gebitselementen min of meer gelijkvormig zijn. Gespecialiseerde afwijkende tanden zijn bijv. de giftanden van een aantal slangen (zie gifslangen). Het spijsverteringskanaal is afwijkend bij de krokodillen, die een spiermaag bezitten, maar geen blindedarm, die de meeste andere groepen wel hebben. De dikke darm komt uit in de cloaca. De uitscheiding van urine kost weinig water, doordat het stikstofafvalproduct vnl. het urinezuur is, dat gemakkelijk (wi]t) uitkristalliseert.

Ademhaling en bloedsomloop

De ademhaling geschiedt met longen, bij sommige in het water levende schildpadden ondersteund door huidademhaling door de sterk doorbloede wand van bek en cloaca, waarin water kan stromen. Bij de meeste reptielen bestaat het hart uit twee boezems en twee niet geheel van elkaar gescheiden kamers; alleen bij de krokodillen is het tussenschot compleet. Toch vindt ook bij deze groep enige vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed plaats, doordat de uit de kamers komende slagaders aan hun basis niet geheel van elkaar gescheiden zijn. De recente soorten van de Reptielen zijn in principe ectotherm ( Ďkoudbloedigí), wat wil zeggen dat de lichaamstemperatuur afhankelijk is van de temperatuur van de omgeving.

Zenuwstelsel

De hersenen zijn het hoogst ontwikkeld bij de Krokodilachtigen: zij zijn de eerste (laagste) gewervelde dieren met een echte hersenschors (neopallium). Wat betreft de zintuigen: de ogen zijn meestal goed ontwikkeld, behalve bij sommige gravende vormen. Slangen en sommige hagedisachtigen hebben vergroeide en doorzichtig geworden oogleden. Het trommelvlies van het gehoororgaan ligt meestal aan het oppervlak, maar ontbreekt bij slangen. De reuk speelt bij vele reptielen een belangrijke rol. Een tot de reptielen beperkt reuk-smaakorgaan is het orgaan van Jacobson in het monddak.

Voortplanting

De voortplanting vindt in principe plaats door op het land gelegde dooierrijke eieren, waaruit geheel ontwikkelde jongen komen. De eieren hebben een schaal die te sterke uitdroging voorkomt. Een dergelijke schaal maakt inwendige bevruchting noodzakelijk. De brughagedis heeft geen apart copulatieorgaan. Krokodillen en schildpadden hebben een penis. Het aantal eieren per legsel varieert van enkele honderden bij zeeschildpadden tot twee bij sommige hagedisachtigen. Van de Squamata is een aantal soorten ovovivipaar: de vrouwtjes houden de eieren zo lang in het lichaam dat zij onmiddellijk na het leggen uitkomen. Echte viviparie, dwz. met een placenta-achtige verbinding tussen moeder en embryo, komt o.a. voor bij de Hagedisachtigen (enkele soorten van de Skinken). Bij enkele hagedisachtigen is parthenogenese aangetoond: er zijn alleen wijfjes, waarvan de eieren zich zonder bevruchting ontwikkelen.

Geografische verspreiding en habitat

Reptielen komen als Ďwarmteminnende koudbloedigení vnl. in de tropen voor. Binnen de poolcirkels kunnen ze niet leven. Alle milieus, behalve de lucht, worden door de recente reptielen bewoond. Er zijn gravende, op het land levende en boombewonende slangen en hagedisachtigen. Ook in zeer droge gebieden komen slangen, hagedisachtigen en schildpadden voor. De waterdieren onder de reptielen, zoals zeeschildpadden en zeeslangen, moeten als secundaire waterbewoners worden beschouwd.

Paleontologie

De overgang tussen de AmfibieŽn en hun evolutionele nakomelingen, de Reptielen, is fossiel minder duidelijk bekend omdat het hoofdverschil tussen AmfibieŽn en Reptielen niet is gelegen in skeleteigenschappen, maar in de wijze waarop zij zich voortplanten. De eieren van de AmfibieŽn zijn niet voorzien van een harde schaal. Uit de eieren komen larven die in het water opgroeien en pas na hun gedaanteverwisseling op het land kunnen leven. Bij de Reptielen daarentegen stelt het hardschalige ei het embryo in staat in zijn eigen vloeibare omgeving op te groeien. Nadat de ontwikkeling voltooid is, breekt het dier uit zijn eischaal als een klein, maar volledig gevormd dier. Daardoor kunnen de Reptielen verder verwijderd van grote waterlichamen leven en zich vrijelijk over het landoppervlak bewegen op zoek naar voedsel en geschikte woonplaatsen.

Vroege vormen

De eerste reptielen moeten in het Carboon uit de AmfibieŽn ontstaan zijn. De eerste als reptielen herkenbare groep wordt gevormd door de Captorhinomorpha, welke tot de Cotylosauria wordt gerekend.

Uit de Captorhinomorpha hebben de Thecodontia zich ontwikkeld. De Thecodontia ontwikkelden zich als zodanig tijdens de Trias. Men veronderstelt dat een deel van de Thecodonten endotherm ( Ďwarmbloedigí) was: zij konden hun temperatuur onafhankelijk van de omgevingstemperatuur op peil houden. Sommige evolueerden tot krokodilachtige, in het water levende vormen, andere tot viervoetige landroofdieren.

Tweevoetigen

Veel Thecodonten hadden poten die onder het lichaam stonden en daardoor een betere ondersteuning van het lichaamsgewicht gaven met als gevolg een doelmatiger beweeglijkheid. De meer doelmatige houding en gang van de Thecodonten verklaren het grote succes van drie groepen reptielen die uit de Thecodonten ontstonden: de Pterosauria, de Krokodilachtigen en de DinosauriŽrs. Naast deze drie groepen Reptielen zijn ook de Vogels, ontstaan in de Jura , afstammelingen van de Thecodonten. Een enkele vorm ontwikkelde de gewoonte rechtop op de achterpoten te lopen. De tweevoetige houding veroorloofde een veel snellere gang op zoek naar prooien; de tweevoetige vormen waren hoofdzakelijk vleesetende roofdieren. In de tweevoetige vormen waren de voorpoten niet langer vereist voor de voortbeweging en zodoende vrij zich te ontwikkelen tot nieuwe structuren als grijpklauwen om de prooi te grijpen en vast te houden, en vleugels om de verovering van de lucht mogelijk te maken.

Uitsterven

Het uitsterven van de DinosauriŽrs als dominante groep van landbewonende gewervelde dieren heeft tot gevolg gehad dat het landoppervlak geleidelijk ter beschikking is gekomen van de zich ontwikkelende Zoogdieren. De Zoogdieren zijn ontstaan uit de Therapsida, zoogdierachtige reptielen.

Tot de uitgestorven groepen van de Reptielen behoren behalve de bovengenoemde groepen o.a. nog de orden Pelycosauria (met o.a. Dimetrodon), Sauropterygia (met als belangrijke onderorde de Plesiosauria) en de Vishagedissen.

Reptielen 2

De reptielen of kruipende dieren zijn de eerste gewervelde dieren die zich volledig hebben ingesteld op het leven aan land. Ze hebben een gehoornde huid die ze beschermt tegen uitdrogen. Meestal is de huid geleed door middel van schubben of schilden, dit komt de beweeglijkheid ten goede. Soms zitten er stukjes been tussen de schubben of schilden. In tegenstelling tot hun voorouders, de amfibieŽn, vindt de voortplanting, door middel van een echte paring, altijd op het land plaats. In de eieren die op het land worden gelegd en die meestal een leerachtige schaal hebben ontwikkelt het jong zich totdat het levensvatbaar is. In het ei voorzien de dooier en verschillende membranen het jong van alle nodige voedingstoffen. Tegelijkertijd beschermt de schaal het embryo tegen roofdieren en uitdroging. Nadat het jong uit het ei gekomen is, is het in staat in leven te blijven op het land. De eerste reptielen hebben zich ongeveer 300 miljoen jaar geleden tijdens het late Carboon ontwikkeld. Dit gebeurde ongeveer 60 miljoen jaar nadat de eerste amfibieŽn aan land waren gegaan.

Te midden van de weelderige plantengroei ontstonden uit de eerste, kleine, plompe oerreptielen verschillende soorten zoals landschildpadden, krokodillen, voorstadia van hagedissen. Als eerste ontstonden echter de gigantische dinosauriŽrs. Deze konden zich over de gehele aarde verspreiden. Er bestonden weliswaar zoogdieren maar die speelden een ondergeschikte rol. Enkele reptielen, zoals bijvoorbeeld de uitgestorven vissauriŽrs, keerden weer terug naar de zee. Hun ledematen veranderden weer in vinnen en een staart die leek op die van een vis. Hiermee konden ze snel in het water bewegen.

Tot de huidige reptielen behoren ongeveer 20 soorten krokodillen, meer dan 220 soorten schildpadden en veel meer dan 5000 geschubde reptielen, zoals hagedissen en slangen. Deze onderscheiden zich behalve door vorm en grootte vooral door het type schedel. De eerste reptielen en ook de schildpadden hebben een zware schedelbouw, krokodillen, hagedissen en slangen daarentegen hebben schedelopeningen achter de ogen. Deze schedelopeningen reduceren het gewicht aanzienlijk en ze bieden ook nog aanhechtingsvlakken voor de kaakspieren. Door deze versterkte kaakmusculatuur (spieren), kan het dier de bek ver opensperren, maar ook stevig toebijten.
 

 

Slangenpagina klik hier

 

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009