header_reptielen


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Slangen info

 

Slangenpagina klik hier

 

Slangen, de onderorde Serpentes of Ophidia van de Reptielen. Slangen stammen af van op hagedissen lijkende voorouders en zijn fossiel bekend vanaf het Boven-Krijt.

1. Verspreiding en leefwijze

De ca. 2500 soorten zijn over de gehele aarde verspreid. In de qua klimaat bewoonbare gebieden ontbreken zij slechts in Ierland, Nieuw-Zeeland en op een aantal eilanden in de Grote Oceaan. De meerderheid van de soorten leeft op de grond, vele kunnen niettemin goed klimmen en alle slangen kunnen zwemmen. In tropische bossen komen talrijke boomslangen voor.

Van de 25 in Europa inheemse soorten komen er drie in Nederland en België voor: de adder, de ringslang en de gladde slang.

2. Gedrag

Slangen zijn geen agressieve dieren en bijten slechts als zij zich belaagd voelen, en vele zelfs dán niet, bijv. de ringslang. Als afweerreacties komen verder voor: zich oprichten, opblazen of afplatten, waardoor het dier groter lijkt, de bek opensperren, sissen, gif spuwen, een stinkend vocht uit de cloacaklieren afscheiden, zich tot een bal oprollen en zich dood houden. Sommige soorten trillen met de staart als er gevaar is. Hieruit heeft zich het waarschuwend ratelen van de ratelslangen ontwikkeld. Een bij andere soorten omhoog gehouden, opzichtig gekleurd, bewegend staartuiteinde wordt door vijanden zeker voor de kop aangezien; de voor meerdere soorten gebruikte naam ‘tweekoppige slang’ vindt hier zijn verklaring.

3. Anatomie

Slangen zijn sterk gespecialiseerd. Het kopskelet is gekenmerkt door de elastische verbindingen tussen de beenderen van het hersenkapsel en de aangezichtsbeenderen. Deze laatste zijn ook onderling niet vergroeid, waardoor zowel de helften van de onderkaak als die van de bovenkaak onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen, zodat de bek stukje voor stukje over een grote prooi kan worden geschoven. Het zeer wijd openen van bek en keel wordt tevens mogelijk gemaakt door een extra scharnierpunt tussen onderkaak en schedel. Doordat schoudergordel en borstbeen ontbreken, zijn er ook na de keel geen beletselen. Slechts bij enkele groepen zijn de bekkengordel en achterpoten nog rudimentair te vinden. De wervels (141 tot 435, zie wervelkolom) dragen alle, behalve nek- en staartwervels, een paar ribben. De huid is bedekt met gladde of gekielde (d.i. van een opstaand richeltje voorziene) hoornschubben. De schubben zijn meestal klein op rug en zijden, maar zo breed als het lichaam op de buikzijde. De achterranden van deze schubben verhinderen bij voortbeweging het terugglijden. Door de lange, dunne vorm van de romp heeft de vorm en/of de ligging van enkele organen zich gewijzigd: de nieren liggen achter elkaar en van de longen is de linker meestal klein of afwezig. De opening van de luchtpijp komt tijdens het naar binnen werken van de prooi vlak achter de onderlip te liggen. Slangen hebben geen urineblaas.

Ondergronds levende slangen zijn veelal gekenmerkt door een rolrond lichaam, kleine buikschubben, gereduceerde ogen, weinig flexibele schedelbeenderen en verbrede of verstevigde schilden op de snuitpunt. Kleine buikschubben komen ook voor bij de meeste echt in water levende slangen, waaronder zowel zoetwater- als zeebewoners zijn. De laatste hebben tevens een zijdelings afgeplatte zwemstaart.

4. Voortbeweging

Doordat de ribben en daarmee de buikhuid in de lengterichting van de slang naar voren en naar achteren bewogen kunnen worden, kunnen de meeste slangen langzaam rechtlijnig voortkruipen. Snellere beweging komt altijd door kronkelbeweging tot stand, waarbij het dier zich met de buitenbochten van de kronkels tegen oneffenheden afzet. Op een glad oppervlak is een slang hulpeloos.

5. Zintuigen

Van de zintuigen zijn de ogen meestal goed ontwikkeld. De oogleden zijn met elkaar vergroeid en doorzichtig geworden. Bij de vervelling blijkt ook van deze oogbedekking de buitenlaag afgestoten te worden; een slangenhemd (de binnenste buiten afgestroopte oude opperhuid) is derhalve een complete kopie van de buitenkant van de slang. Een uitwendige gehooropening en een trommelvlies ontbreken, zodat slangen vrijwel ongevoelig zijn voor luchttrillingen (het is dus niet de muziek van de slangenbezweerders die van belang is); bodemtrillingen e.d. worden echter goed waargenomen. Reuk-, smaak- en tastzin, waarbij de neus, het orgaan van Jacobson en de tong samenwerken, zijn zeer goed. Sommige slangen die warmbloedige prooi eten, hebben bovendien warmtegevoelige zintuigen: de ratelslangachtigen in een groefje achter elk neusgat, de boa's en pythons in de mondrand.

6. Voortplanting

Voor de voortplanting vinden de seksen elkaar vnl. door de reuk: het mannetje volgt het reukspoor van een ‘bronstig’ vrouwtje. Van een aantal soorten, o.a. de adder, zijn rivaliteits- ‘dansen’ tussen mannetjes bekend geworden. Bij de paring schuiven de dieren zich langs elkaar tot de cloacaopeningen elkaar raken, waarna het mannetje een van zijn twee hemipenes (zie penis) uitstulpt. De meeste slangensoorten zijn eierleggend, maar ovoviviparie komt vaak voor (bijv. adder en gladde slang); de Noord-Amerikaanse kousenbandslang (Thamnophis sirtalis, fam. Ringslangachtigen) is echt levendbarend. Enige zorg voor de eieren is bekend van de koningscobra uit de cobra's. Vrouwtjes van Pythons, maar ook de Noord-Amerikaanse modderslang (Farancia abacura, fam. Ringslangachtigen) ‘broeden’ op de eieren.

7. Voedsel

Het voedsel bestaat altijd uit levende dieren (althans in de natuur), met uitzondering van de Eieretende slangen. Voedselspecialisaties komen veel voor: er bestaan wormeneters, insecteneters, huisjesslakkeneters (maar zonder dat deze de huisjes eten), viseters, krabbeneters, paddeneters en slangeneters. De laatste, bijv. de koningscobra en de niet-giftige Amerikaanse kettingslangen (Lampropeltis; fam. Ringslangachtigen), eten ook gifslangen en zijn immuun voor het gif. Wurgen van de prooi komt vnl. voor bij soorten die (ook) vogels en zoogdieren eten (niet alleen bij de reuzenslangen dus). Alle slangen hebben spitse tanden om de prooi vast te houden. Veel slangen zijn aglyf (bezitten geen gespecialiseerde giftanden). Een aantal soorten heeft die wel (de gifslangen).

Vooral de knaagdiereters zijn zeer nuttig in landbouwgebieden en in opslagplaatsen. Goed gecamoufleerde giftige boomslangen kunnen echter lastig zijn in bijv. koffieaanplantingen. Van grote boa's en pythons en van de Zuidoost-Aziatische Acrochordus-soorten wordt de huid tot leer verwerkt. In Japan worden zeeslangen gegeten en in sommige streken pythons.

Slangen zijn een onderorde van de geschubde kruipende dieren (reptielen). Met meer dan 2.500 soorten tref je ze overal op aarde aan. Ze leven echter vooral in warme en gematigde streken. Alle slangen stammen van hagedissen af. In de loop van de tijd hebben ze zich ontwikkeld tot reptielen zonder poten die zich kronkelend voortbewegen. Slechts bij sommige soorten vindt men nog rudimentaire skeletdelen van bekkenbeenderen en achterpoten. Bij enkele reuzenslangen vind je in het achterste deel van de buik, in de buurt van de anusspleet, rudimenten van de poten. De meeste slangen kunnen hun kop slechts 30 cm van de grond optillen. Een uitzondering hierop vormt de brilslang. Het skelet van een slang bestaat uit de schedel, de wervelkolom en de ribben.

Het langgerekte lichaam is tussen de 15 cm en bijna 10 m lang. Een slang kan maximaal 435 wervels hebben! Het lichaam wordt bedekt met een huid die bestaat uit hoornachtige schubben.

Slangen hebben weliswaar heel goede ogen maar hun oogleden kunnen niet bewegen. Het bovenste ooglid is in de ontwikkeling teruggegaan en is vergroeid met het doorzichtige onderste ooglid. Hierdoor heeft de slang zo’n starre blik. Ter bescherming is boven elk oog een doorzichtige hoornschub gevormd (bril). De huid van de slang wordt enkele malen per jaar vernieuwd. Beginnend bij de 'bril' wordt de huid geleidelijk naar achteren geschoven. Hierdoor wordt de hele huid als een leeg omhulsel binnenste buiten gekeerd. Om zich van zijn huid te bevrijden kruipt de slangen over mossen, heide en andere ruwe plaatsen.

De kop van de slang bestaat uit sterk beweeglijke delen. Hierdoor kan hij ook grotere prooien verslinden. De beenderen van de kaken zijn door pezen met elkaar verbonden. De tanden van de slang zijn zeer bijzonder. Ze vertonen per familie grote verschillen. De tanden bevinden zich niet alleen in de boven- en onderkaak maar ook in de tussenkaak en in de verhemeltebeenderen. Ze zijn vergroeid met de beenderen en kunnen door nieuwe tanden vervangen worden. Deze groeien dan naast, voor of achter de oude tanden uit het bot.

Alle slangen hebben spitse haakvormige tanden, die naar achteren toe gekromd zijn. Daarmee kan de slang de prooi bijten en vasthouden, ze kunnen de prooi niet verscheuren of kauwen.

Gifslangen, die 18 procent uitmaken van alle slangensoorten, hebben speciaal gevormde tanden. Bij enkele soorten zitten deze tanden vooraan in de bek, bij andere soorten zitten ze achter in de kaak. Ze zijn voorzien van een kanaaltje of een groeve en het gif kan via gifklieren door dit kanaaltje in de tand vloeien.

Meestal pakt de slang zijn prooi bij de kop beet en houdt hij hem met zijn tanden vast. Hierdoor kan de slang het gif in de bijtwond spuiten. Vervolgens schuift de slang de ene kant van zijn kop naar voren en pakt hij de prooi een stukje verder op vast, daarna schuift de slang de andere kant van zijn kop naar voren enz. Dit proces wordt herhaald tot in de keel is verdwenen. De speekselklieren scheiden rijkelijk speeksel af om het voedsel beter door de wijd opengesperde mondholte te laten glijden. Na het doorslikken van de prooi schuift de slang de even tevoren volledig uitgerekte kaak weer in de oorspronkelijke positie. De nu volgende vertering verloopt langzaam. Slangen hebben een lange dunne tong, die ze voortdurend snel heen en weer bewegen. Terwijl men vroeger geloofde dat dit een teken van agressie was weet men nu dat de slang de tong gebruikt om geuren op te nemen.

Slangen planten zich voort door eieren te leggen. Gedurende de paartijd treft men dikwijls groepen van bepaalde soorten slangen bij elkaar aan. Mannetjes en vrouwtjes liggen dan in elkaar verstrengeld bij elkaar. De vereniging van de beide slangen verloopt zeer rustig. Vaak ligt het paartje urenlang bij elkaar, zonder zich te bewegen. De geslachtsdelen van de beide partners zijn daarbij stevig met elkaar verbonden. Na een periode van ongeveer 4 maanden zijn de eieren rijp om gelegd te worden en worden ze door het vrouwtje op een vochtige en warme plaats gelegd. Bij sommige soorten is de ontwikkeling van de jongen al zo ver gevorderd, dat ze al in het lichaam van de moeder het ei verlaten en levend geboren worden of direct nadat het ei gelegd is eruit komen. Het aantal van de eieren schommelt, afhankelijk van de soort, tussen de 6 en 40 stuks. Meestal zijn de jongen, wanneer ze uit het ei gekomen zijn, aan zichzelf overgelaten. Uitzonderingen vormen cobra's en pythons. Deze bewaken hun legsel en broeden zelfs op de eieren.

In gebieden met koude winters trekken slangen zich in het koude jaargetijde terug in een schuilplaats en houden gedurende deze tijd een winterslaap. Wanneer het in het voorjaar langzaam warmer wordt zonnen ze zich overdag en keren ze ‘s avonds als het weer koeler wordt weer naar hun schuilplaats terug.

Men onderscheidt verschillende slangenfamilies zoals bijvoorbeeld adders, ringslangen, reuzenslangen, gifslangen, zeeslangen en wrattenslangen.

Slangen hebben altijd al een grote rol gespeeld in de sagen van vele volken. Bij sommigen gelden slangen als het zinnebeeld van wijsheid, bij anderen staan ze voor valsheid en verleiding en verzoeking. Bij enkele volken in het gebied van de Witte Nijl worden ze zelfs als goden vereerd. Onze reuzenslangen werden in vroegere tijden voor draken aangezien. Ze werden in verhalen afgebeeld als monsters met extra angstaanjagende ledematen die alleen in de verbeelding bestonden.

 

 

Slangenpagina klik hier

 

Nieuwe pagina 1



uw eigen startpagina

© copyright WorldwideBase 2005-2009