| |
Aalscholvers,
de familie Phalacrocoracidae van grote, donkere watervogels, uit
de orde Pelikaanachtigen, met ca. 30 soorten, verspreid over
bijna de gehele wereld. Zij hebben een lange snavel, met een
haakvormige punt aan de bovensnavel. Bij het zwemmen wijst de
snavel iets naar boven. Ze vliegen – met de hals wat naar boven
gericht – in linie of in V-formatie. Het verenkleed wordt bij
het duiken nat, zodat zij buiten het water de veren moeten laten
drogen, waarbij ze een houding met gespreide vleugels aannemen.
Soorten
In Europa komen drie soorten voor.
De aalscholver (Phalacrocorax carbo) heeft een gemiddelde lengte
van 90 cm; de kleur van het verenkleed is donkerbruin tot zwart
met witte kin en wangen in het broedkleed (zie Vogels). Hij
duikt en zwemt onder water op jacht naar prooi. Het voedsel
bestaat vrijwel uitsluitend uit vis, met een zekere voorkeur
voor aal, verder snoek, baars en haring. De vorm Ph. carbo
sinensis is broedvogel van het vasteland van Europa. In 1962
waren er in Nederland slechts 800 broedparen in twee kolonies,
een absoluut dieptepunt; in 1985 waren er 10!300 paren in een
stuk of tien kolonies waarvan enkele zeer recent gesticht.
Enkele grote kolonies liggen o.a. in Wanneperveen en in het
natuurreservaat Naardermeer. Aalscholvers broeden ook in de
Oostvaardersplassen en in het Breede Water (gem. Westvoorne).
Zij nestelen hier in bomen; in andere landen ook wel op rotsen.
Er worden 3–4 (soms tot 6) eieren gelegd. De jonge aalscholvers
gaan in het winterhalfjaar voor een groot deel naar het zuiden.
De volwassen vogels zwerven hier rond, ook aan de kust.
In België broedt de aalscholver in een kolonie in het
natuurreservaat De Blankaart (prov. West-Vlaanderen). De vorm
Ph. carbo carbo is o.a. broedvogel in Groot-Brittannië en
Noorwegen; in Nederland is deze vorm slechts enkele malen
aangetroffen. Aalscholvers kunnen vrij oud worden (zo'n twintig
jaar) en zijn pas na drie à vier jaar volwassen. De aalscholver
behoort tot de orde van de roeipotigen. Hij komt voor op alle
continenten van onze aarde. Meestal leeft hij in kustgebieden
van zeeën en in de nabijheid van meren, je treft hem niet op
volle zee aan.
De aalscholver is ongeveer 1 meter lang, zijn vleugels hebben
soms wel een spanwijdte van 1,50 meter. Het verenkleed is
glanzend zwart-groen en bruin, de ondersnavel en de hals zijn
wit. In de broedtijd krijgen de mannetjes witte veren op hun kop
en in de nek.
Aalscholvers hebben een lange, slanke, rekbare hals. Op de
bovensnavel zit een haak. In tegenstelling tot pelikanen duiken
aalscholvers wel naar prooidieren. Ze zijn ongeveer 20 tot 30
seconden onder water en ze zwemmen met behulp van de zwemvliezen
aan hun poten. De staart doet dan dienst als roer.
Het verenkleed van de aalscholver is waterdoorlatend. Dit moet
wel omdat hij anders niet zou kunnen duiken. Wanneer de vogel
een vis pakt neemt hij deze eerst mee naar de oppervlakte. Daar
slikt hij hem dan door. Na een succesvolle jacht gaat de
aalscholver naar een rustige plekje aan de oever. Hier schudt
hij het water uit zijn veren.
Aalscholvers zijn zeer sociale dieren. Ze broeden dicht naast
elkaar, zal ze vliegen vormen ze een V-formatie.
Deze vogels zijn niet zeer geliefd bij vissers omdat ze grote
hoeveelheden vis eten.
De kuifaalscholver (Ph. aristotelis aristotelis), 75 cm lang,
broedt en is standvogel op rotsige kusten en eilanden van
West-Europa; deze is in Nederland en België een zeldzame
kustvogel; hij is vooral op pieren, zoals de havenhoofden van
IJmuiden, nu en dan te zien. De vorm Ph. aristotelis desmarestii
broedt op de rotsige kusten aan de Middellandse Zee.
Veel kleiner dan de aalscholver is de dwergaalscholver (Ph.
pygmaeus). Het verenkleed is glanzend groenachtig zwart, kop en
hals echter roodbruin. Het voorhoofd draagt een kleine opstaande
kuif. De soort broedt in moerassen en aan rivieren o.a. in
Bulgarije, Turkije en om de Kaspische Zee; buiten de broedtijd
leeft hij ook in het oostelijk deel van het
Middellandse-Zeegebied. |
|
|
|
|
|
|