Is één van de
planeten van het Zonnestelsel, naar grootte de vijfde, naar afstand
tot de zon de derde onder de hoofdplaneten. De Aarde heeft één
satelliet, de Maan; het stelsel Aarde–Maan wordt ook wel als een
dubbelplaneet opgevat. Tot de planeet Aarde behoren ook de atmosfeer
en de magnetosfeer (zie aardmagnetisme).Hoewel Aarde, Maan en Zon
strikt genomen eigennamen zijn van hemellichamen (zoals Mars, Deimos
en Sirius), is het ongebruikelijk deze drie eigennamen met een
hoofdletter te schrijven indien zij niet nadrukkelijk als eigennaam
worden gebruikt.

Geschiedenis van de
aarde
Het ontstaan van de aarde is onverbrekelijk verbonden met de
geschiedenis van het zonnestelsel. De aarde neemt daarin een bijzondere
plaats in. Zij is groot genoeg om een atmosfeer vast te houden. Zij
beweegt zich op een dusdanige afstand van de zon dat aan de buitenzijde
een temperatuur bestaat waarbij water in vloeibare vorm aanwezig is.
Deze combinatie van factoren, die bij geen van de andere binnenplaneten
wordt aangetroffen, is van wezenlijk belang voor de aardgeschiedenis.
Zij berust op de voortdurende wisselwerking tussen de vaste aarde, de
hydrosfeer, de atmosfeer en het leven. Radioactieve warmte (in de loop
van de aardgeschiedenis geleidelijk afgenomen) en zonnestraling
(geleidelijk toegenomen) vormen de energiebronnen voor de aarde.
Geologische perioden
De geologische tijd wordt in drie grote eenheden (aeonen) verdeeld:
Archaeïcum (tot 2500 miljoen jaar geleden), Proterozoïcum (van 2500 tot
590 miljoen jaar geleden) en Phanerozoïcum (vanaf 590 miljoen jaar
geleden). Deze grenzen zijn arbitrair. De grens tussen Archaeïcum en
Proterozoïcum berust op de ontwikkeling van de aardkorst, terwijl de
grens tussen Proterozoïcum en Archaeïcum het ontstaan van het leven
markeert. De oudste nu bekende gesteenten zijn 3960 miljoen jaar oud. Er
blijft dus een interval van 600 miljoen jaar, waarover langs geologische
weg nagenoeg niets bekend is.
Baanvlak
Gedurende de gehele omloop om de zon blijft de aardas in dezelfde stand;
derhalve blijft ook het baanvlak van de aarde steeds een hoek vormen met
het equatorvlak. Denkt men zich dit laatste uitgebreid tot het
hemelgewelf, dan vormt de snijlijn van het equatorvlak met het
hemelgewelf de hemelequator. De snijlijn van het aardbaanvlak met het
hemelgewelf is de ecliptica. Uit de helling van het equatorvlak met
23°26¢ ten opzichte van het aardbaanvlak volgt dat ook beider projectie
op het hemelgewelf een zelfde hoek vertoont, de zgn. helling van de
ecliptica. De helling van de ecliptica ondergaat ingevolge de precessie
kleine veranderingen; zij kan in de loop van een langere periode
variëren van 21°55¢ tot 24°36¢. Uit de helling van de ecliptica vloeien
de afwisseling van de jaargetijden en de ongelijke lengte van dag en
nacht voort. Bovendien bewerkt de constante scheve stand van de aardas
gedurende de loop om de zon, dat afwisselend elk van de beide halfronden
het ene halfjaar naar de zon is toegewend, het andere van de zon
afgewend. Ecliptica en hemelequator snijden elkaar in twee diametraal
tegenover elkaar liggende punten, de punten van dag- en nachtevening,
ook aangeduid als resp. lentepunt en herfstpunt. Wanneer de zon
(schijnbaar) in zo'n equinox staat, dan gaat zij precies in het oosten
op en in het westen onder, de dagboog die zij dan beschrijft is gelijk
aan de nachtboog, dag en nacht zijn dan derhalve even lang.
Ouderdom
De ouderdom van de aarde als zelfstandig lichaam kan alleen langs
indirecte weg worden afgeleid uit de verhouding van de stabiele
loodisotopen 206Pb en 207Pb, die ontstaan als eindproduct van
radioactief verval van resp. 238U en 235U. Door het verschil in
halveringstijden (resp. 4460 en 700 miljoen jaar) verandert de
verhouding in de loop van de tijd. Uit de nu bestaande verhouding kan de
verlopen tijd worden berekend, indien de uitgangsverhouding bekend is.
Deze wordt gevonden uit de verhouding in bepaalde meteorieten (chondrieten),
die geen radioactieve moederelementen bevatten en mogen worden beschouwd
de oorspronkelijk verhouding weer te geven. Naast de isotopen 206Pb en
207Pb wordt ook de niet radiogene loodisotoop 204Pb gebruikt. Langs deze
weg vindt men een ouderdom van 4540 miljoen jaar. Dit getal wordt
ondersteund door ouderdomsbepalingen van radioactieve meteorieten en van
gesteente van de Maan.
Zomer- en winterhalfjaar
Aan de ellipsbaan zijn twee bijzondere punten te onderscheiden, het
perihelium, dat is het dichtst bij de zon gelegen punt, en het aphelium,
het verst van de zon gelegen punt. De aarde passeert het perihelium
omstreeks 2 jan., het aphelium omstreeks 3 juli. Dit houdt in dat de
aarde in januari ca. 5 miljoen km dichter bij de zon staat dan in juli,
waardoor de verschillen tussen gemiddelde wintertemperatuur en
gemiddelde zomertemperatuur op het noordelijk halfrond geringer zijn dan
op het zuidelijk halfrond. Volgens de tweede wet van Johannes Kepler
beweegt de aarde zich in het perihelium sneller dan in het aphelium. Ons
zomerhalfjaar duurt dan ook 8 dagen langer dan het winterhalfjaar (op
het zuidelijk halfrond is het juist andersom). Bovendien heeft deze
variatie in baansnelheid tot gevolg dat de duur van de ware zonnedag in
de loop van het jaar niet steeds dezelfde is.
Schijnbare zonsbeweging
In de oudheid meende men dat de zon deze cirkel inderdaad aflegde, maar
Nicolaus Copernicus heeft in 1543 duidelijk gemaakt, dat ook die
beweging een schijnbare is. De beweging der planeten, van maan en
kometen kan men alleen maar op bevredigende wijze verklaren door aan te
nemen dat de aarde een der planeten is en zich om de zon beweegt,
terwijl die zon in dit geval als stilstaand referentiecentrum kan worden
beschouwd. De schijnbare beweging van de zon ontstaat doordat men de zon
telkens tegen de achtergrond van een ander gedeelte van de sterrenhemel
waarneemt, op gelijke wijze als men vanuit een rijdende trein een boom
in het landschap ziet ‘meebewegen’ ten opzichte van de horizon. James
Bradley vond in 1728 een treffende bevestiging van de uitspraak van
Copernicus, doordat hij de aberratie van het licht ontdekte. Pas in de
vorige eeuw lukte het de sterrenkundigen voldoende precies waarnemingen
te verrichten om het gevolg van de aardbeweging ook bij vaste sterren
vast te stellen door de jaarlijkse parallax van een aantal vaste sterren
te meten.
Ellipticiteit
Volgens de eerste wet van Kepler (1609) vormt de baan van de aarde een
ellips. De Zon staat in een van de brandpunten. De afmetingen van de
aardbaan zijn echter niet volkomen vast, omdat haar ligging en vorm ten
gevolge van de op de aarde werkende storingen van in de buurt gelegen
andere hemellichamen veranderingen ondergaan. De lengte van de halve
grote as (ook wel de gemiddelde afstand van de aarde tot de zon genoemd)
geldt als astronomische eenheid en wordt gewoonlijk op 149, 6 miljoen km
gesteld. De ellipticiteit van de baan wordt uitgedrukt door middel van
de numerieke excentriciteit (de halve afstand tussen de brandpunten
gedeeld door de halve grote as). Deze neemt momenteel af met 0, 000!043
per eeuw en bedraagt thans 0,016!745. Op basis van deze waarde kunnen de
baangegevens worden berekend. Ook de ligging van de aardbaan in de
ruimte is veranderlijk.
1. Vorm en grootte
De aarde heeft ongeveer de vorm van een bol, een feit dat reeds in de
oudheid bekend was (Pythagoras, 6de eeuw v.C., Aristoteles, 4de eeuw
v.C.), doch dat later in vergetelheid raakte, zodat in de middeleeuwen
aan de aarde de vorm van een min of meer platte schijf werd toegedacht.
Zonder bijzondere hulpmiddelen is de bolvorm te constateren o.a. uit de
begrenzing van het blikveld door de horizon en het verdwijnen van
schepen achter de kim, uit de cirkelvormige schaduw op de maan bij
maansverduistering (zie eclips) en uit het feit dat de hoogte van de
poolster toeneemt naarmate men naar het noorden gaat. De kromming van de
aarde komt gemiddeld ongeveer overeen met die van een bol met een straal
van 6370 km. Denkt men zich een plat vlak rakend aan de ‘aardbol’, dan
zal op 1 km afstand van het raakpunt de bol 7,8 cm van het vlak
verwijderd zijn; de verwijdering neemt in eerste instantie kwadratisch
toe met de afstand. Voor afstanden tot enkele tientallen kilometers kan
men bij benadering stellen dat het middelpunt van een rechte
verbindingslijn tussen twee punten op zeeniveau op ca. 2a2 cm onder
zeeniveau ligt, indien de afstand tussen de beide punten a km bedraagt.
1.1 Geoïde
Bij beschouwingen over de vorm van de aarde ziet men af van het
zichtbare reliëf van de landmassa's, en men beschouwt als aardfiguur het
oppervlak van de in rust gedachte zeeën en oceanen, dat men zich onder
de continenten voortgezet denkt. Dit oppervlak, geoïde genaamd, is het
niveauvlak of equipotentiaalvlak van de zwaartekracht op gemiddeld
zeeniveau; het staat in elk van zijn punten loodrecht op de richting van
het schietlood ter plaatse. De geoïde is veel gladder dan het
onregelmatige zichtbare aardoppervlak, maar de vorm, die bepaald wordt
door de massaverdeling in de aarde en door de aardrotatie, is toch
betrekkelijk grillig. De aardrotatie is de oorzaak van een aanmerkelijke
afwijking van de bolvorm, namelijk afplatting aan de polen en
uitstulping bij de equator: de pooldiameter is 42,8 km korter dan de
equatoriale diameter. De vorm kan goed worden benaderd door een
omwentelingsellipsoïde met de korte as tot omwentelingsas. Onder
bepaalde onderstellingen omtrent de verdeling van de aardmassa kan men
afleiden dat de ellipsoïdevorm theoretisch overeenkomt met de
evenwichtsvorm die deze massa aanneemt onder invloed van de
zwaartekracht.
1.2 Ellipsoïde
Voor veel doeleinden is het voldoende als grondfiguur van de aarde een
omwentelingsellipsoïde te nemen en de afwijkingen tussen deze ellipsoïde
en de geoïde te verwaarlozen. Bij een nauwkeurige beschrijving van de
vorm van de aarde gaat het echter juist om deze afwijkingen; men kiest
daarbij een zorgvuldig gedefinieerde omwentelingsellipsoïde als
referentie-oppervlak. De keuze van een referentie-ellipsoïde betreft
zowel de halve lange as a en de afplatting f als de plaats van het
middelpunt ten opzichte van het zwaartepunt van de aarde; de
omwentelingsas is evenwijdig aan de gemiddelde poolas. Met een
ellipsoïde met drie verschillende assen kan een iets betere aanpassing
worden verkregen aan hetgeen omtrent de vorm van de geoïde bekend is,
maar de geoïde wijkt ook hiervan nog zoveel af dat de wat betere
aanpassing niet opweegt tegen het gemak dat een omwentelingsellipsoïde
geeft bij berekeningen. Voor geodetische en cartografische doeleinden
zijn daarom uitsluitend omwentelingsellipsoïden in gebruik. Veel
toegepast is de in 1924 vastgestelde Internationale ellipsoïde. In 1967
werd door de Union Géodésique et Géophysique Internationale (UGGI)
aanbevolen voor wetenschappelijke doeleinden een ellipsoïde te
gebruiken. De geoïde wijkt nergens meer dan ongeveer 100 m af van een in
het zwaartepunt van de aarde gecentreerde ellipsoïde; overigens gebruikt
men ook wel enigszins verschillende waarden. Er zijn vele
geoïdeberekeningen uitgevoerd, vooral sinds er met behulp van
satellieten veel informatie is gekomen over het zwaartekrachtveld van de
aarde. De resultaten stemmen in hoofdzaken overeen, maar er zijn
onderlinge verschillen die worden veroorzaakt door het gebruik van
verschillende referentie-ellipsoïden, verschillende berekeningswijzen en
verschillend, steeds omvangrijker waarnemingsmateriaal.
2. Massa
De massa (de hoeveelheid materie) van de aarde werd het eerst bepaald
door Maskelyne in 1744, door de aantrekkingskracht van de aarde met die
van een berg te vergelijken. In nauwkeurigheid staat deze methode ver
achter bij moderne laboratoriummetingen. Het bepalen van de massa van de
aarde is een toepassing van de algemene aantrekkingswet van Isaac
Newton. Deze zegt dat twee lichamen elkaar aantrekken met een kracht die
evenredig is met hun massa's en omgekeerd evenredig met het kwadraat van
de afstand van hun zwaartepunten (zie bij gravitatie). Sedert de 18de
eeuw zijn verscheidene experimenten opgezet om op basis hiervan de massa
van de aarde te berekenen. Reeds in 1798 bepaalde Lord Henry Cavendish
een tamelijk nauwkeurige waarde voor de gravitatieconstante en berekende
daaruit de massa van de aarde; in 1881 voerde Ph.J.G. van Jolly proeven
met dit doel uit en vond een waarde die slechts 2% hoger ligt dan de 5,
98 × 1024 kg waarop de massa van de aarde tegenwoordig wordt gesteld. De
massa van de aarde verhoudt zich tot de massa van de zon als 1:332!946.
3. Het inwendige
De oudste uitspraak over de structuur van het inwendige van de aarde is,
voor zover bekend, de mening van Plato. Volgens Plato bestaat de aarde
uit een gloeiendvloeibare substantie, omgeven door een dunne gestolde
korst; op verschillende zwakke plaatsen wordt de korst doorbroken en
treedt de inwendige materie door de vulkanen als magma naar buiten. De
seismologie heeft geleerd dat de aarde voor het grootste gedeelte vast
is (ondanks het voorkomen van een zekere mate van beweeglijkheid). De
trillingen die bij de aardbevingen worden uitgezonden, en die de gehele
aardbol kunnen doorstralen, hebben het bewijs geleverd dat de aarde is
opgebouwd uit een aantal concentrische schillen, en daarom kan worden
vergeleken met een steenvrucht. Men kan spreken van de aardkorst als de
dunne opperhuid die de aarde omgeeft, van de aardmantel die verreweg het
grootste gedeelte uitmaakt, en van de aardkern als het centrale deel.
3.1 Aardkorst
De aardkorst is een schil van betrekkelijk lichte gesteenten. De
continentale korst is 30 tot 50 km dik en bestaat in het algemeen uit
een laag van gesteenten die wat de seismische snelheid betreft veel
lijken op graniet of granodioriet. Omdat in deze gesteenten veel
silicium en aluminium voorkomen, wordt dit materiaal ook wel aangeduid
met de naam sial. Onder de eerste laag bevindt zich soms een tweede,
waarvan de seismische snelheid doet denken aan een zwaarder gesteente
zoals basalt en gabbro. Vanwege de daarin aanwezige silicium- en
magnesiummineralen wordt dit de sima-laag genoemd. Afwijkingen van deze
standaardkorst vindt men onder gebergten, waar een gebergtewortel
aanwezig kan zijn, zodat de totale aardkorst daar een dikte kan hebben
van 60 km.
De oceanische korst is veel dunner; onder een sedimentlaag van ca. 1 km
dikte bevindt zich ongeveer 5 km basalt. Een verdikte oceaanbodem wordt
geconstateerd onder vulkanische eilanden, zoals Hawaii. De aardkorst is
hier doorgebogen onder het gewicht van de uitgestroomde vulkanische
massa die dit eiland en andere van dezelfde soort gevormd heeft, en de
onderkant van de aardkorst ligt daar op abnormaal grote diepte.
De structuur van de aardkorst is zodanig dat deze als geheel in drijvend
evenwicht verkeert ten opzichte van het daaronder liggende gesteente (isostasie).
3.1.1 Samenstelling
In de samenstelling van de aardkorst blijken de chemische elementen
zuurstof, silicium, aluminium en ijzer samen 87,4% van het gewicht en
94,0% van het volume in te nemen. De overige elementen zijn in het
algemeen slechts in zeer geringe hoeveelheden aanwezig; slechts op
plaatsen waar de omstandigheden gunstig waren voor de concentratie van
bepaalde mineralen vormen zich opeenhopingen hiervan. Nauwkeurige
berekeningen omtrent de geochemische samenstelling van de aardkorst
bestaan slechts voor de bovenste lagen tot ca. 16 km diepte (naar de
Amerikaanse geochemicus F.W. Clarke ook ‘clarkegetallen’ genoemd).
3.1.2 Structuur
De structuur van de aardkorst wordt tegenwoordig onderzocht door middel
van zware explosies en door diepteboringen. Bij de explosies ontstaan
trillingen die langs de verschillende discontinuïteitsvlakken in de
aardkorst lopen en dan worden opgevangen in geofoons (seismografen
geschikt voor het registreren van zulke trillingen). Voor het onderzoek
van de oceaanbodem gebruikt men hydrofoons, die door middel van boeien
op het water drijven. De meest gevorderde boringen naar aardolie e.d.
bereiken een diepte van ca. 1, 5 km. In 1962 hadden de Amerikanen het
plan om in de oceaanbodem een put te boren tot op de Moho. Om
budgettaire redenen is dit plan nooit uitgevoerd. In 1970 werd op het
Kola-schiereiland door de Russen begonnen met het boren van en put tot
ca. 15 km diepte. Deze boring was in 1995 tot 12,6 km diepte gevorderd,
waarbij een temperatuur van 230 °C werd gemeten. De temperatuur in de
aardkorst neemt gemiddeld met 3 °C per 100 m diepte toe (geothermische
gradiënt).
3.2 Aardmantel
Het grensvlak tussen de aardkorst en de aardmantel wordt de
discontinuïteit van Mohoroviciç of afgekort Moho genoemd. De seismische
snelheden die onder de Moho worden gevonden, passen goed bij het
dieptegesteente peridotiet, dat grotendeels uit olivijn (Mg-Fe-silicaat)
bestaat, dit is een zwaar mineraal dat veel in basaltuitvloeiingen wordt
aangetroffen. De ca. 100 km dikke buitenste schil van de aardmantel
vormt samen met de daarop liggende aardkorst de harde lithosfeer of
steenschaal. Hierin komt een grote verscheidenheid van gesteenten en
mineralen voor, maar met toenemende diepte wordt de homogeniteit van de
gesteenten steeds groter. Onder de lithosfeer bevindt zich de
asthenosfeer, tussen ongeveer 100 en 200 km diepte onder de oceanen, en
tussen ongeveer 100 en 500 km diepte onder de vastelanden. De
asthenosfeer is een laag die door de hoge temperatuur minder hard is dan
de lithosfeer, en waarin gemakkelijker plastische bewegingen kunnen
plaatshebben. Men meent dat bij bewegingen van de aardkorst de
lithosfeerschollen over de asthenosfeer kunnen glijden (zie voorts
continentverschuiving, schollentektoniek).
3.3 Temperatuur en dichtheid
De temperatuur in de mantel is zeer onzeker. Als de geothermische
gradiënt tot grote diepte gelijk blijft zou de temperatuur in de
aardmantel veel meer dan 1000 °C bedragen. Waarschijnlijk is de
temperatuurgradiënt in de aardmantel veel kleiner dan in de aardkorst,
zodat bij de grens tussen de mantel en de kern de temperatuur niet ver
boven 2000 °C ligt. Dank zij de hoge druk smelt het gesteente van de
aardmantel niet. Door de hoge temperatuur is de vastheid van de
aardmantel een relatief begrip; zij geldt wel voor kort-periodieke
krachten zoals deze optreden bij de voortplanting van
aardbevingstrillingen, maar voor langdurige krachten is dit gedrag
viskeus. Dit wil zeggen dat zeer langzaam stromende bewegingen van het
mantelgesteente mogelijk en zelfs waarschijnlijk zijn. De relatieve
dichtheid van het gesteente in de aardmantel loopt van 3, 3 bij de
onderkant van de aardkorst tot 5,7 bij de grens tussen mantel en
aardkern. De elasticiteitsmodulus van het mantelgesteente (zie
elasticiteit [natuurkunde]) neemt naar binnen sterk toe onder invloed
van de druk; bij de grens van mantel en kern is de waarde 8 × 105 N/mm2
(de waarde voor staal onder normale omstandigheden is 2 × 105 N/mm2;
beneden een diepte van 1000 km is het gesteente van de aardmantel harder
dan staal).
3.4 Aardkern
Zeer abrupt is op een diepte van ca. 2900 km de overgang van de
aardmantel naar de aardkern; deze heeft een complexe structuur die het
noodzakelijk maakt een verdeling in een buitenkern en een binnenkern in
te voeren. De buitenkern is een schil van ca. 2000 km dikte; de centrale
binnenkern heeft een straal van ca. 1300 km. De inhoud van de binnenkern
is 1010 km3, van de buitenkern 1,5 × 1011 km3. Terwijl de buitenkern uit
een vloeistof bestaat, is de binnenkern vast. De aard van de stoffen in
de aardkern is zeer onzeker. De dichtheid van de kernvloeistof is zo
groot dat men algemeen denkt aan vloeibaar ijzer of nikkelijzer,
eventueel vermengd met een klein gehalte aan silicaten. De temperatuur
moet ca. 4000 °C bedragen. In de buitenste laag van de aardkern moet de
dichtheid ongeveer 10 kg/dm3 zijn, terwijl in het centrum de dichtheid
wordt geschat op 14 kg/dm3. De massa van de aardkern is 1,7 × 1021 ton,
dat is 28,4% van de totale massa van de aarde.
4. Verdeling van de aardoppervlakte
Als hoofdverdeling van de aardoppervlakte geldt die in land en water,
derhalve de horizontale verdeling. Deze verdeling is zeer ongelijk:
water neemt van de 510, 1 miljoen km2 van de totale oppervlakte het
grootste deel in, nl. 361,2 miljoen km2 of 70,8%, land slechts 148,9
miljoen km2 of 29,2%. De grote landmassa's zijn voornamelijk op het
noordelijk halfrond geconcentreerd, waar zij rondom de Noordelijke
IJszee gegroepeerd zijn, met slechts betrekkelijk smalle
wateroppervlakten ertussen. Daarentegen lopen de landmassa's op het
zuidelijk halfrond naar het zuiden spits toe, waar zij worden gescheiden
door de zeer brede watervlakten van de Grote Oceaan, Atlantische Oceaan
en Indische Oceaan. Projecteert men een tweetal halfronden, waarvan het
eerste de grootst mogelijke landoppervlakte, het andere de grootst
mogelijke wateroppervlakte omvat, dan blijkt het ‘landhalfrond’, waarvan
de ‘pool’ in de buurt van de monding van de Loire ligt, toch nog altijd
voor 53,2% uit water te bestaan tegen 46,8% land; op het
‘waterhalfrond’, waarvan de ‘pool’ ten zuidoosten van Nieuw-Zeeland
ligt, bedraagt het wateroppervlak 88,6% van het halfrond, tegen 11,4%
land. Oceanen en continenten liggen ongeveer tegenover elkaar:
Antarctica tegenover de Noordelijke IJszee, Europa tegenover de Grote
Oceaan, Noord-Amerika tegenover de Indische Oceaan, Azië tegenover de
Atlantische Oceaan. Deze symmetrie hangt wellicht samen met een
regelmatig patroon van bewegingen in de aardmantel.
4.1 Hoogteverdeling
De verticale verdeling van de aardoppervlakte onderscheidt de
hooggelegen en diepe delen van de aarde; uitgangsniveau vormt hierbij de
gemiddelde zeespiegel. De gemiddelde hoogte van het continent boven de
zeespiegel bedraagt 875 m, de gemiddelde diepte van de zeeën 3729 m. Een
aardbol zonder hoogten en diepten zou gelijkmatig zijn bedekt met een
ca. 2450 m diepe zee. Brengt men de verdeling van hoog en laag in een
curve tot uitdrukking (de hypsografische curve), dan blijkt ca. 75% van
het vasteland onder 1000 m hoogte te liggen, terwijl in de oceanen
diepten tussen 3000 en 6000 m het meest voorkomen. Het hoogste punt op
het vasteland bereikt 8848 m (Mount Everest in de Himalaja); de grootste
tot nu toe gemeten zeediepten, meer dan 11 km, liggen in de Marianentrog
en de Filippijnentrog.
5. Bewegingen
De voornaamste bewegingen van de planeet Aarde zijn: a. een draaiende
beweging om haar eigen as, de rotatie of aswenteling; b. een
baanbeweging rondom de Zon, de revolutie.
5.1 Rotatie
De aarde draait om een denkbeeldige as, die het aardoppervlak snijdt in
de geografische noord- en zuidpool. Deze as noemt men de momentane
rotatie-as, of kortweg de aardas; het verlengde hiervan is de hemelas.
De aswenteling van de aarde geschiedt in west-oostelijke richting, van
het noorden uit gezien derhalve tegen de wijzers van de klok in. Deze
aardrotatie vormt de oorzaak van de afwisseling van dag en nacht; de
aarde volbrengt namelijk, gemeten aan de terugkeer van de culminatie van
een vaste ster, één omwenteling in 23 uur 56 minuten en 4,090 seconden
(sterrendag) en, gemeten aan de terugkeer van de zonneculminatie, één in
24 uur (middelbare zonnedag). De rotatie-as vormt met het vlak van de
aardbaan om de zon een hoek van 66°34¢; daarmee samenhangend vormt het
vlak van de aardbaan een hoek van 23°26¢ met het vlak van de equator.
Deze scheve stand van de rotatie-as vormt de voorwaarde voor de
wisseling van de jaargetijden. Voor het bestaan van de aardrotatie zijn
verschillende bewijzen gegeven. Daarvan is historisch gezien de
slingerproef van Foucault een der belangrijkste. De asrotatie heeft meer
gevolgen dan alleen de dagelijkse beweging der hemellichamen. Ook de
afplatting van de aarde, de richting van een passaat, de
bewegingsrichting van een zeestroming en de windrichting rond een
depressie hangen er direct mee samen (zie coriolisversnelling).
5.1.1 Bewegingen aardas
De positie van de aardas ten opzichte van het aardlichaam (dus ten
opzichte van de figuuras) ondergaat kleine, onregelmatige schommelingen.
Ook de plaats van de polen is dus veranderlijk. Deze verplaatsingen van
de polen zijn echter zeer gering, zij bedragen zelden meer dan 10 m. Het
gevolg is echter dat de geografische breedte (zie coördinaten
[aardrijkskunde]) van een bepaald punt op aarde een klein beetje
varieert. Deze breedtevariatie wordt nauwkeurig bestudeerd. Behalve de
kleine schommelingen van de rotatie-as in de aarde (periode van Chandler)
ondergaat deze as ook nog twee bewegingen in de ruimte (wijzigingen in
de stand van de aardas ten opzichte van het vlak van de ecliptica) als
gevolg van de wisselende aantrekking van zon en maan op de equatoriale
verdikking (het surplus aan massa in de gebieden om de evenaar). Deze
bewegingen zijn de precessie en de nutatie.
5.1.2 Rotatievariaties
Ook de rotatiesnelheid is aan veranderingen onderhevig, onder te
verdelen in drie typen, nl. de seculaire, de onregelmatige en de
periodieke variatie. De seculaire variatie wordt veroorzaakt door de
wrijving van de getijden, die ontstaan door de gravitatiewerking van de
zon en de maan op de watermassa's van de aarde. Hierdoor neemt de
rotatiesnelheid van de aarde regelmatig af; per eeuw neemt de dag dan
ook met 0, 0015 s toe. Aangezien de gemiddelde duur van één omloop van
de aarde om de zon niet is veranderd, telde het jaar vroeger meer
(kortere) dagen dan nu. Een fraaie bevestiging vond men in fossiele
schelpen en koralen uit het Devoon: de groeilijntjes tonen aan dat het
jaar toen meer dan 400 dagen telde. Onregelmatige en periodieke
variaties kunnen ontstaan door vormveranderingen van de aardkorst, door
bewegingen van de vloeibare aardkern, door de invloed van de wind op de
aardkorst en door andere effecten. Sinds 1955 kan men met behulp van de
atoomklok variaties in de rotatiesnelheid van de aarde zeer nauwkeurig
bepalen.
5.2 Aardbaan
De aarde beweegt zich in een elliptische baan om de zon op een
gemiddelde afstand van 149!600!000 km. Zij volbrengt een omloop om de
zon, gerekend ten opzichte van het lentepunt, in 365 dagen 5 uren 48
minuten en 45, 97 seconden, een tijdsverloop dat het tropische jaar
wordt genoemd. Zoals de rotatie van de aarde een schijnbare dagelijkse
beweging van de hemellichamen veroorzaakt, geeft de baanbeweging
aanleiding tot een jaarlijkse schijnbare beweging. Daardoor zien wij
gedurende het gehele jaar steeds andere sterren met de zon op- en
ondergaan, totdat na verloop van een omloop van de aarde deze
teruggekeerd is tot het punt, dat zij twaalf maanden tevoren verlaten
heeft. Terwijl de zon ten gevolge van de asrotatie van de aarde
dagelijks juist als de sterren van oost naar west schijnt te bewegen,
constateren wij dat zij zich tevens ten opzichte van de vaste sterren
een beetje oostwaarts verplaatst (59¢ per dag). In een tijdsverloop van
ongeveer 3653 dag doorloopt zij een volledige cirkel aan de hemel. Deze
cirkel wordt de zonneweg of de ecliptica genoemd. Deze gaat door de
twaalf sterrenbeelden die samen de dierenriem vormen, en door het
sterrenbeeld Slangendrager (Ophiuchus) |