|
In het hart van Nubië, 260 km ten zuiden van Aswan, liggen de
meest indrukwekkende monumenten van het oude Egypte; de rotstempels van Abu Simbel. De twee tempels werden
gebouwd tussen 1290 en 1224 voor Christus, tijdens de regeringsperiode van Egyptes machtigste farao Ramses
II. Een bezoek aan Abu Simbel is een van de hoogtepunten van een bezoek aan Egypte, zelfs wanneer je al
ernstige verschijnselen van tempelmoeheid begint te vertonen na een bezoek aan steden als Aswan en Luxor.
De geschiedenis
In de 66 jaar dat Ramses II regeerde heeft hij naast zijn bouwijver in
Thebe zeven tempels in Nubië gebouwd, waarvan twee in Abu Simbel. Abu Simbel is gewijd aan de triade van
Amon-Re, Re-Harakty en Ptah (God van de duisternis). Dieper liggende motieven voor de bouw van het complex
midden in de Nubische woestijn waren Ramses II's zelfverering en het tonen van macht aan de Nubiërs.
Waarschijnlijk lag ook de liefde voor Nefertari ten grondslag aan de bouw.
De herontdekking
De Zwitser J.L.Burckhardt heeft de tempel op 22 mei 1813
'herontdekt'. Toevallig zag hij vier halve steenfiguren boven het zand uitsteken. De Italiaan Battista
Belzani maakte een paar jaar later de ingang van de tempel vrij.
De redding
De beslissing van President Nasser om de grote dam bij Aswan aan te
leggen hield in dat Abu Simbel en een groot aantal andere antieke tempels en heiligdommen in het
Nassermeer zouden verdwijnen. Om dit te
voorkomen liet Unesco de twee tempels tussen 1964 en 1968 naar een hoger gelegen plaats verhuizen. Bij
deze gigantische operatie werd de tempel in 17.000 stukken gezaagd, en op de huidige plek, 65 meter hoger
dan de oude lokatie, weer opgebouwd. Om de indruk van een rotstempel te wekken werd aan de achterzijde van
de tempel een betonnen koepel gebouwd. Het behoud van de rotstempels van Abu Simbel staat te boek als de
grootste reddingsaktie van Unesco. Van de zeven rotstempels van Ramses II zijn er vier helemaal of
gedeeltelijk gered voordat het Nassermeer volstroomde.
De
Grote tempel van Ramses II
Met veel machtsvertoon staan de 20 meter hoge beelden voor de rotspylonen van de Grote
Tempel. Deze beelden werden ter plekke vervaardigd, en net zoals de tempel uit de rotsen gehakt. Duidelijk
is te zien dat de tempel ter meerdere glorie van Ramses diende, die hier als gelijke van de goden werd
geëerd.
Na
de ingang volgt het grote voorhof met acht Osiriszuilen. Op de wanden zie je Ramses II ten strijde trekken
tegen de Nubiërs en de Aziaten. Op het voorhof komen verschillende zijvertrekken uit. In deze ruimtes
werden tempelschatten en relikwieën bewaard. Na het voorhof volgt de kleine zuilenzaal, waar vier met
reliëfs bewerkte zuilen staan. Het allerheiligste ligt in het verlengde van de zuilenzaal en is voorzien
van hiërogliefen van offerscenes. Tegen de achterste muur zitten vier beelden. Van links naar rechts zijn
dit Ptah, Amon-Re, Ramses II en Re-Harakhty.
Licht in de tempel
De tempel is zo georienteerd dat tweemaal per jaar, op 22
februari en 22 oktober, de eerste stralen van de ochtendzon recht in het 64 m diep gelegen heiligdom
binnendringen. De stralen gaan reiken door de lengte van de tempel tot aan het allerheiligste, en
verlichten de beelden van de goden tegen de achtermuur. Alleen Ptah, de God van de duisternis, wordt niet
beschenen.
De
kleine tempel van Hathor
Rechts van de Grote tempel staat de kleinere tempel van Hathor. Ramses II liet deze tempel bouwen voor
zijn vrouw Nefertari. De façade bestaat uit zes staande beelden, vier van Ramses II en twee van Nefertari.
Zij wordt hier even groot afgebeeld als haar echtgenoot, wat zeer uitzonderlijk is. De kolossen worden
geflankeerd door de prinsen en prinsessen. Na de ingang betreed je de zuilenhal. De zes zuilen dragen het
hoofd van Hathor in de gedaante van een koe. De wanden tonen reliëfs van de kroning van Nefertari door
Hathor en Isis.
|
|