Afvalstoffen zijn
stoffen die geen functie of gebruikswaarde (meer) hebben en waarvan de enkeling of de gemeenschap zich
heeft ontdaan of zal ontdoen.
Een kenmerk van afvalstoffen is veelal dat ze ter plaatse waar zij ontstaan overbodig of ongewenst
zijn, doordat ze hun oorspronkelijke functie of gebruikswaarde verloren hebben. In het economisch
verkeer is hun waarde nihil of negatief, dwz. als regel moet men kosten maken om zich van de
afvalstoffen te ontdoen. Voor veel gebruiksgoederen geldt dat het moment waarop ze afvalstof worden in
hoofdzaak bepaald wordt door de gebruiker of bezitter.
Verreweg de grootste hoeveelheid biologische afvalstoffen
ontstaat in de natuur als onderdeel van de levensprocessen van
planten en dieren. Elk fysiologisch levensproces gaat gepaard
met opbouw- en afbraakprocessen. De voor de opbouwprocessen
noodzakelijke energie en grondstoffen worden primair door de
natuur geleverd. In beginsel kunnen ook de van de
levensprocessen afkomstige afvalstoffen weer in de natuurlijke
kringloop worden opgenomen. Naarmate menselijke en dierlijke
levensgemeenschappen groter worden, ontstaat er een teveel aan
afvalstoffen in een beperkt gebied: de biosfeer ter plaatse is
niet in staat de afvalstoffen in dezelfde mate verder af te
breken en op te nemen als waarin ze ontstaan. Evenals de voor
instandhouding van de levensgemeenschap benodigde opbouwstoffen
(o.a. in voedingsmiddelen, drinkwater) van elders moeten worden
aangevoerd, zullen ook de afvalstoffen (ontlasting, urine,
huishoudelijke afvalstoffen) moeten worden afgevoerd. Gebeurt
dit niet of in onvoldoende mate, dan kunnen de afvalstoffen
dezelfde levensgemeenschap schade en hinder berokkenen, terwijl
ze tevens een potentieel gevaar vormen voor het ontstaan en de
verspreiding van ziekten.
Menselijke ontlasting en urine werden, voordat de riolering haar
intrede deed, in tonnen afgevoerd en samen met huishoudelijke
afvalstoffen en dierlijke mest gebruikt als organische meststof
op het land. Sinds de invoering van het watercloset en de
riolering vindt de afvoer plaats door middel van spoelwater, als
regel tezamen met overig huishoudelijk afvalwater en regenwater.
Bij hevige regenval is dit een bezwaar doordat er – als het
rioolstelsel tekortschiet in de afvoer – het teveel aan
(vervuild) water geloosd wordt op het oppervlaktewater.
Dierlijke afvalstoffen komen in grote hoeveelheden vrij bij de
zgn. dierveredelingsbedrijven (bio-industrie of intensieve
veehouderij). Onderscheid kan gemaakt worden tussen drijfmest en
vaste mest. Drijfmest noemt men de mest die met behulp van
spoelwater uit de dierverblijven wordt afgevoerd; als regel
gebeurt dit met varkensmest.
Runder- en kalvermest worden meestal tezamen met stro als vaste
mest afgevoerd. Gebruik van deze afvalstoffen als meststof wordt
bemoeilijkt doordat als gevolg van de sterke concentratie van
bedrijven in bepaalde gebieden te veel mest op één plaats
vrijkomt (zie mestbank).
Door de sterke toename in de veestapel ontstond in de jaren
tachtig een steeds groter mestoverschot. Doordat een te zware
belasting met mest de bodemvruchtbaarheid en het grondwater kan
schaden, tracht men het mestoverschot uit bepaalde gebieden
elders kwijt te raken. Ook gaat men er steeds meer toe over het
mestoverschot technisch te verwerken. Vloeibare mest kan worden
gezuiverd in een biologische zuiveringsinstallatie (biologische
zuivering). Veelal wordt hierbij een zgn. oxidatiesloot
toegepast (zie afvalwater). Het biologisch gezuiverde afvalwater
bevat nog relatief grote hoeveelheden stikstof en fosfaat
(nutriënten), waarvan lozing op oppervlaktewater ongewenst kan
zijn in verband met verhevigde algengroei (door eutrofiëring,
zie waterverontreiniging). De stikstof kan uit het afvalwater
worden verwijderd door een chemische nabehandeling, de ‘derde-trapszuivering’.
Overal waar de
mens leeft en werkt, brengt hij afvalstoffen voort die een
gevolg zijn van het maatschappelijk handelen; er is geen
beroepsuitoefening en geen productieproces denkbaar of er komen
afvalstoffen bij vrij. Vrijwel alle producten en goederen hebben
een eindige levensduur en worden na kortere of langere tijd
afvalstof. Afhankelijk van de aard en de herkomst kunnen
verschillende categorieën afvalstoffen worden onderscheiden.
Stedelijk afval omvat het huishoudelijk afval (afval uit
particuliere huishoudens, dat in emmer, plastic zak of container
wordt aangeboden), het grof gezinsafval, daarnaast ook het afval
uit winkels, kantoren, dienstverlenende bedrijven en
instellingen, markt- en straatafval, tuinafval, enz. Dit zijn de
afvalstoffen zoals zij normaal door de reinigingsdiensten worden
ingezameld.
Bedrijfsafval omvat het afval dat bedrijfsmatig ontstaat, zoals
kantoor-, kantine- en verpakkingsafval, procesafval uit de
industrie (o.a. ook afgekeurde eindproducten), bouw- en
sloopafval, slib van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk
en industrieel afvalwater, mestoverschotten, ziekenhuisafval,
autobanden, enz.
Andere categorieën afval worden gevormd door autowrakken,
chemische afvalstoffen en afgewerkte olie, alsmede bijzondere
categorieën, zoals kernenergie- en destructieafval, waarvan de
verwijdering in Nederland en België wettelijk is geregeld.
1
Gecontroleerd storten
Dit is, in tegenstelling tot het ongecontroleerd storten, een
geaccepteerde wijze van storten, waaraan strenge planologische,
organisatorische en milieuhygiënische eisen worden gesteld.
Via de gecontroleerde stortmethode kunnen in principe
verschillende categorieën vaste afvalstoffen naast elkaar
verwerkt worden. Deze denkwijze ( ‘codisposal’) wordt
voornamelijk toegepast in het Verenigd Koninkrijk. Vele landen
stellen andere eisen voor stortplaatsen voor huisvuil en hiermee
gelijkgestelde afvalstoffen, voor inerte afvalstoffen (puin,
bouw- en sloopafval) of voor industriële afvalstoffen. Voor
omvangrijke afvalstromen, zoals vliegas uit steenkoolgestookte
centrales, gips uit de fosforzuurbereiding of baggerslib, worden
vaak ‘monodeponieën’ (deponie = vuilstortplaats) aangelegd.
Een gecontroleerde stortplaats vergt heel wat voorbereiding, o.m.
voor wat betreft het opstellen van een exploitatieplan, de
aanleg van toevoerwegen, een groenscherm, afsluitingen, sociale
en technische voorzieningen (o.m. weegbrug,
onderhoudswerkplaats, wielwassing), het ontwerpen van systemen
voor het afleiden van niet-verontreinigd regenwater, het
opvangen en behandelen van verontreinigd percolatiewater en van
gistingsgas (ontstaat door gisting van organische afvalstoffen),
het beheer van afdek- en eindafdekmaterialen.
Het exploitatieplan bepaalt o.m. het beschikbaar stortvolume en
de wijze van aanvullen in functie van de tijd en de
weersomstandigheden.
Het bergen van afvalstoffen gebeurt op of in de bodem, meestal
op laaggelegen, drassige terreinen of in zand-, grind- of
kleiputten, steengroeven of openluchtmijnen. De geschiktheid van
het terrein wordt bepaald na voorafgaande studie van
toegangswegen, beschikbaar volume, werkplan, eigendomstitels en
vóóral hydrogeologische en planologische randvoorwaarden.
In waterwinningsgebieden zijn stortterreinen uit den boze. Ook
storten in plassen is af te raden, omwille van
waterverontreiniging en (vooral in de zomer) stankhinder. Bij
het terugwinnen van land dient het stortterrein met dijken
gecompartimenteerd en het water afgepompt te worden, vooraleer
met het storten wordt begonnen. Bij het storten in droge putten
zal men aan de hand van een hydrogeologische studie nagaan in
welke mate poreuze watervoerende lagen worden bedreigd, c.q.
beschermd door weinig doordringbare kleilagen van voldoende
dikte, integriteit en homogeniteit. In rotsachtig terrein wordt
aandacht besteed aan de aanwezigheid van breuken of ondergrondse
galerijen (karstvorming), waarlangs eventuele verontreiniging
zich snel zou kunnen verspreiden.
Een belangrijke bron van milieuverontreiniging is het in de
bodem dringende hemelwater en eventueel doorsijpelend of
opstijgend bodemwater. Dit water voert na contact met de
afvalstoffen een hoog gehalte aan biologisch afbreekbare
organische stof met zich mee en bevat daarnaast een hoeveelheid
anorganische stoffen in de vorm van schadelijke zouten, zuren en
zware metalen, die in hoofdzaak in de opgeloste vorm daarin
voorkomen. Bepaalde stoffen kunnen zich over aanzienlijke
afstand in de bodem verspreiden en de kwaliteit van het
grondwater nadelig beïnvloeden.
Teneinde oppervlakte- en grondwaterverontreiniging te voorkomen,
is het in principe mogelijk een stortplaats te isoleren van zijn
omgeving, eventueel door het aanbrengen van een bodemafsluiting,
drainage, een ringsloot en een eventuele waterzuivering. Langs
deze weg wordt het hemelwater zuiver afgevoerd, het bodemwater
om de stortplaats heengeleid. Het hemelwater dat toch in het
stortlichaam doordringt, wordt sterk verontreinigd en is
moeilijk te reinigen. Door toepassing van een weinig doorlatende
afdekking, aangelegd onder een voor afloop voldoende helling en
zo gauw mogelijk beplant (evapotranspiratie), wordt deze
insijpeling zo laag mogelijk gehouden.
De gebruikte barrièrematerialen omvatten: aangedrukte klei (0, 5
tot 2 m), bentonietwanden en kunststofvellen (dikte 2–3 mm), die
ter plaatse tot een reuzenvlies worden aaneengelast. Het zuiver
water wordt afgeleid via draineerlagen uit steenslag of grof
grind; aan de percolatiewaterzijde komen ook geperforeerde
keramische of kunststofbuizen en versneden autobanden als
draineermiddel voor. Het draineersysteem wordt bedreigd door
mechanische en chemische invloeden (zetten, dichtslibben, enz.).
Ter controle van de eventuele spreiding van vernietiging worden
rondom een stortplaats peil- en monsternameputten aangebracht.
Bij het vnl. anaëroob verteren van organisch materiaal ontstaat
gistingsgas, dat eveneens samengebracht en afgeleid moet worden.
Aldus voorkomt men het diffuus en oncontroleerbaar uittreden,
hetgeen leidt tot plantenschade, boomsterfte, geurhinder en
zelfs, in besloten kelderruimten nabij een stortplaats, tot
explosie. Het afgezogen gistingsgas kan nuttig gebruikt worden,
o.m. in gasmotoren (voor elektriciteits- en heetwaterproductie,
het aandrijven van verdichters, tractoren, graafwerktuigen, enz.),
of – na zuivering – in de gasdistributie.
Ter verkrijging van een esthetisch, milieuhygiënisch en
landschappelijk verantwoorde afwerking van een stortplaats is
het nodig dat het verse vuil liefst dagelijks afgedekt wordt met
een laag grond of zand.
Doordat de ruimte voor geschikte stortplaatsen schaars wordt,
streeft men ernaar voor een groter gedeelte van het afval
nuttige toepassingen te vinden of het afval te verbranden.
2 Composteren
Composteren is een methode van afvalverwerking die in Nederland
reeds lang en op vrij grote schaal toepassing heeft gevonden,
veel meer dan elders ter wereld. Het aantrekkelijke van deze
methode is dat een belangrijk deel van de afvalstoffen een
nuttige bestemming krijgt in de vorm van compost. Het
composteringsproces bestaat daaruit, dat de gemakkelijk
aantastbare organische verbindingen door microbiële werking
worden afgebroken. Het proces vindt plaats onder aërobe
omstandigheden. Behalve dat lucht moet kunnen toetreden, dienen
de afvalstoffen een bepaald vocht- en nutriënt(N,P)gehalte te
bezitten om het proces optimaal te doen verlopen. Gedurende het
vergistingsproces, dat in feite overeenkomt met een langzame
oxidatie, ontstaat warmte, met het gevolg dat het product tot 60
à 70 °C wordt verhit en gasvormige producten als koolzuur en
waterdamp vrijkomen. Door de verhitting en door de ontwikkeling
van bepaalde schimmels worden de in het afval aanwezige
ziekteverwekkende bacteriën en de in compost ongewenste
onkruidzaden gedood. Dit is belangrijk wanneer fecaliën of
zuiveringsslib mee verwerkt worden.
Niet alle te verwijderen afvalstoffen zijn geschikt om als
grondstof te dienen voor de compostbereiding. Van de stedelijke
afvalstoffen komen alleen het huishoudelijk afval en marktafval
hiervoor in aanmerking.
De N.V. Vuilafvoermaatschappij (VAM) te Wijster, Drenthe, heeft
55 jaar lang gecomposteerd volgens het Van Maanen-systeem.
Hierbij werd het huisvuil zonder enige voorbehandeling op hopen
gezet, nadat het was bevochtigd. Een spontane microbiologische
activiteit zorgde voor de afbraak van het organisch materiaal en
een sterke temperatuurstijging in de hopen afval. Met regelmaat
moest het afval worden omgezet voor nieuwe aanvoer van zuurstof
(beluchten). Andere leefgewoonten, een toenemend aantal
niet-afbreekbare producten, zoals kunststoffen, glas, houtresten
van emballage, tapijten, matten en een groeiende hoeveelheid
grof gezinsafval, zoals bankstellen, koelkasten, stofzuigers,
hadden een nadelig effect op het verwerkingsproces en op het
rendement aan compost.
Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot mechanische
huisvuilscheiding: hierbij wordt vers aangevoerd afval
gescheiden in een aantal deelstromen, waaronder de organische
fractie, een zeeffractie die in hoofdzaak bestaat uit groente-,
fruit- en tuinafval. Dit materiaal wordt gecomposteerd. De VAM
heeft, gebruik makend van de wetenschap dat tot een temperatuur
van ca. 55 °C de snelste afbraak plaatsvindt en dat de
micro-organismen blijvend over voldoende zuurstof moeten kunnen
beschikken, een composteringssysteem in gebruik, waarbij
geforceerde beluchting wordt toegepast. Bij dit systeem wordt
met ventilatoren lucht door geperforeerde buizen (kanalen) onder
in de te composteren hopen organisch materiaal geblazen. Bij
oplopende temperaturen wordt dit systeem ook gebruikt om ‘te
koelen’ en de temperatuur in de buurt van de 55 °C te houden. De
composteringstijd bij dit systeem is ca. 12 weken, dit in
tegenstelling tot de 36 weken die nodig waren bij het eerder
genoemde Van Maanen-systeem. Ook bij het mechanisch scheiden
wordt uitgegaan van integraal ingezameld afval.
In het afval komt een aantal verontreinigingen voor, waarvan
zware metalen, zoals zink, lood, koper, nikkel en cadmium de
bekendste zijn. Compost, geproduceerd uit afval dat in aanraking
is geweest met deze verontreinigingen, bevat ook een hoeveelheid
zware metalen.
Schone compost: Groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) dat
niet in aanraking is geweest met verontreinigingen in het afval,
levert een compost op met een relatief laag gehalte aan zware
metalen. Huisvuil bestaat voor bijna 50% uit GFT-afval en daarom
is het ook belangrijk om deze deelstroom aan de bron apart te
houden van de rest.
Compost kenmerkt zich door een relatief hoog gehalte aan
organische stof. Organische stof in de bodem levert een
belangrijke bijdrage aan een goede structuur van de grond. Bij
een goede structuur is er in de bodem voldoende ruimte voor
lucht en vocht. Bij voldoende organische stof worden ook
voedingsstoffen goed vastgehouden en zijn dus blijvend
beschikbaar. Een plantenwortel voelt zich dan ‘thuis’ en zal
zich krachtig ontwikkelen. Dit laatste is noodzakelijk voor een
gezonde groei.
3 Vuilverbranding
De verbrandingsmethode biedt de mogelijkheid een groot deel van
de vaste afvalstoffen snel onschadelijk te maken en in volume te
reduceren. Het verbranden van afvalstoffen op grote schaal wordt
al sedert het begin van de 20ste eeuw toegepast. In de loop van
de jaren werd het gehele proces hoe langer hoe meer
geautomatiseerd, zodat bij de huidige bedrijfsvoering geen
handarbeid meer wordt verricht. Het aantal verschillende typen
verbrandingsinstallaties voor stadsvuil is groot. In de meeste
ovens kan zowel huisvuil als grofvuil worden verbrand, zij het
dat grofvuil daartoe voor een deel moet worden verkleind. Een
gezamenlijke verbranding van het brandbare bedrijfs- en
industrievuil met huis- en grofvuil biedt uit
verwerkingstechnisch oogpunt voordelen, o.m. voor wat betreft
het selecteren van meer en minder brandbaar afval. Dit geldt
niet voor bepaalde, moeilijk verwerkbare afvalstoffen, met name
afvalstoffen uit de chemische industrie. In tegenstelling tot de
verbranding van de normale industriële afvalstoffen, waarvoor
een regionale oplossing het meest aangewezen is, geschiedt de
verwerking van chemisch afval centraal bij de AVR in Rotterdam
en bij de N.V. Indaver te Antwerpen. De verbranding is een
relatief dure methode, vooral wanneer aan strenge milieu-eisen
voldaan moet worden.
In 1977 werd in Nederland voor het eerst vastgelegd dat zowel de
vliegas als het gereinigd rookgas uiterst giftige
dibenzodioxinen en -furanen bevat. Sedertdien werd vastgesteld
onder welke bedrijfsvoorwaarden dioxines en furanen ontstaan,
met name op 200–400 °C in de reeds afgekoelde rookgassen via
zwaar metaal en vliegas gekatalyseerde reacties. Door aanpassing
van de ovenbouw en exploitatie, rookgasreiniging en eventuele
nabehandeling van dioxinehoudende vliegas is het probleem nu te
beheersen.
Brandbaarheid
van afvalstoffen
De verbrandingswaarde van de afvalstoffen is in Nederland en
België door verandering in de samenstelling vrij sterk
gewijzigd. Omstreeks 1955 bedroeg de gemiddelde stookwaarde van
zomervuil (in Rotterdam gemeten) ca. 3, 8 MJ/kg en van
wintervuil ca. 7,5 à 8 MJ/kg; omstreeks 1987 lag de stookwaarde
gemiddeld tussen 6 en 9 MJ/kg, waarbij deze niet zozeer
afhankelijk is van het jaargetijde, maar van de herkomst van het
afval (bijv. veel bedrijfsafval of veel groente-, fruit- en
tuinafval – GFT). Deze wijzigingen zijn gedeeltelijk te
verklaren uit het feit dat de huisbrandresten die vroeger het
wintervuil een hoge verbrandingswaarde gaven, vrijwel uit het
vuil verdwenen zijn door de overgang van kolen op olie en gas.
Verder is de algemene stijging van de stookwaarde een gevolg van
de procentueel toegenomen hoeveelheden papier, kunststoffen,
bedrijfs- en industrieafval, enz. Het verschil tussen zomer- en
wintervuil wordt nu in hoofdzaak veroorzaakt door de
aanwezigheid van een hoger vochtgehalte (meer groente- en
tuinafval) in de zomer. De steeds meer toegepaste scheiding aan
de bron (GFT, glas, metaal, chemische stoffen e.d. apart) maakt
het restvuil evenwel eenvormiger van samenstelling.
Warmtebenutting
Bij verbranding van afvalstoffen is in principe de mogelijkheid
aanwezig de ontstane warmte nuttig aan te wenden.
Deze warmte is hoofdzakelijk (70–85%) beschikbaar in hete
rookgassen. De rookgassen zijn te sterk verontreinigd om de
beschikbare warmte rechtstreeks aan te kunnen wenden, tenzij dan
bij rechtstreekse droging van zuiveringsslib. Normaliter wordt
de rookgaswarmte echter eerst overgedragen op een ander en
zuiver medium, zijnde stoom, water onder hoge druk, thermische
olie of lucht.
Via hete lucht kan vuil op een droogrooster versneld gedroogd
worden. Lagedruk-stoom en water onder hoge druk, bij 110 à 150
°C, worden gebruikt voor stadsverwarming, of bij een industrieel
proces. Middendruk (20–45 bar) of hogedruk-stoom kan door
ontspannen in een tegendruk-, aftap- of condensatieturbine via
een alternator stroom opleveren (meestal 100–250 kWh/ton
huisvuil). Aldus komt er stroom beschikbaar voor eigen gebruik
(30–100 kWh/ton huisvuil) en eventueel voor export.
Een nadeel van warmterecuperatie bij de vuilverbranding is het
gebrek aan overeenstemming tussen warmteafname en
warmteproductie. Wanneer aan deze voorwaarde niet wordt voldaan,
zijn extra investeringen nodig om de warmte op andere wijze te
kunnen afgeven, waardoor de economische voordelen teniet kunnen
gaan.
1 Grondstoffenbeheer en
verontreiniging
Op wereldvlak groeit de hoeveelheid afvalstoffen vanwege de
stijgende levensstandaard in de rijke landen, en door de
bevolkingsaangroei in de andere landen. De verwijdering van deze
afvalstroom is technisch uitvoerbaar, maar gaat tevens gepaard
met verlies aan voor een deel niet hernieuwbare grondstoffen
(ertsen) en met een blijvende milieubelasting.
Analyse van dit probleem via een wereldmodel, opgesteld door MIT,
leidde in 1972 tot de pessimistische visie van de Club van Rome:
behoudens een drastische beperking van bevolkingsgroei en een
krachtig stimuleren van grondstoffenrecirculatie zou het mensdom
aan milieuverontreiniging en grondstoffenschaarste ten onder
gaan. Sindsdien is de groeivoet van het wereldverbruik wat
afgenomen; van de voorspelde grondstoffenschaarste is tot dusver
helemaal niets uitgekomen.
Ook de Europese Unie heeft echter gereageerd op het stijgend
volume van de afvalberg en het ontstaan van gevaarlijke
afvalstoffen door middel van ‘Richtlijnen en Aanbevelingen’. Zo
kunnen dan maatregelen genomen worden in verband met de
eenmalige verpakking en bepaalde, gevaarlijke afvalstoffen. Bij
het beleid wordt rekening gehouden met de volgende
mogelijkheden, in dalende orde van prioriteit:
1. voorkoming van afvalstoffen;
2. hergebruik;
3. recycling;
4. energetische toepassing;
5. gecontroleerd storten.
2 Voorkoming van afvalstoffen
Afvalvoorkoming is te verkiezen boven afvalverwijdering. Dit is
realiseerbaar door het invoeren van afvalarme
productietechnieken, door levensduurverhoging van investerings-
en verbruiksgoederen, door overgang naar spaarzamer
levenspatronen. Dit laatste past echter slecht in de huidige
consumptiecultuur, zodat er van een echt afvalvoorkomingsbeleid
vooralsnog maar weinig te merken is. Enkel voor afvalstromen
waarvan de verwijdering terzelfder tijd peperduur én streng
gecontroleerd is, kan van een teruggang in volume sprake zijn.
3 Hergebruik voor het afvalstadium
Er is een groot aantal gevallen denkbaar waarbij het gebruik van
goederen herhaald plaatsvindt voordat het definitieve
afvalstadium bereikt wordt. Voorbeelden hiervan zijn allerlei
soorten glasverpakking waarvoor statiegeld moet worden betaald
en tweedehands wagens of machines. Deze goederen blijven
dezelfde functie een aantal malen vervullen, waardoor het
ontstaan van afval wordt tegengegaan en op de grondstoffen wordt
bespaard. Een bijzondere mogelijkheid tot beperken van afval en
besparing op grondstoffen is verlenging van de levensduur van
producten en goederen door deze duurzamer te construeren. Een
auto bijv. die tweemaal zo lang meegaat, zal weliswaar zwaarder
moeten worden geconstrueerd, maar niet tweemaal zoveel materiaal
vragen.
Opgemerkt kan worden dat het economisch verkeer juist in
tegengestelde richting werkt; er zijn hoe langer hoe meer
wegwerpartikelen op de markt gekomen (o.a. verpakkingsmiddelen,
maar ook gebruiksgoederen), bedoeld om slechts eenmaal te worden
gebruikt. Daarnaast is de levensduur van vele goederen en
producten eerder korter dan langer geworden. Het is duidelijk
dat de versnelde economische en technologische ontwikkeling het
ontstaan van afvalstoffen sterk stimuleert en het verbruik van
grondstoffen en energie in toenemende mate in de hand werkt. Een
hogere waardetoekenning aan grondstoffen en energie zou o.a. een
middel kunnen zijn, waardoor een zuiniger beheer tot stand zou
kunnen komen.
4 Hergebruik via het
afvalstadium
Bij de verwerking van afvalstoffen is altijd al gestreefd naar
een mogelijk nuttig gebruik van de afvalstoffen of van de
materialen, waaruit deze zijn samengesteld. Aldus komt het tot
hergebruik, tot recirculatie onder dezelfde vorm (in gesloten
kringloop) of andere vorm (open kringloop).
5 Recirculatie
Onder recirculatie (ook wel genoemd: recycling) wordt verstaan
het proces waardoor componenten uit afvalstoffen of grondstoffen
waaruit een afvalstof is opgebouwd, voor herhaalde toepassing in
de oorspronkelijke zin beschikbaar komen.
Een bijzondere vorm van recirculatie vindt plaats door de
natuurlijke kringloop, waarin de gehele levende natuur betrokken
is. Een kunstmatige vorm van recirculatie is de regeneratie.
Hieronder kan worden verstaan een vorm van recirculatie via een
gecontroleerd, bedrijfsmatig proces (fysisch, biologisch,
chemisch). In dit geval moet energie toegevoerd worden, o.m.
voor het verzamelen, sorteren, zuiveren, verwerken, groeperen en
afvoeren van de afvalstoffen of recirculatiematerialen.
Voorbeelden hiervan zijn: staalbereiding uit schroot van
automobielen, koelkasten, drums, enz.; herwinning van beperkt
aanwezige metalen als koper, nikkel, zilver, kobalt, chroom,
enz. uit badvloeistoffen in gebruik bij het galvaniseren;
bereiding van papier en karton uit oud papier; bereiding van
nieuw glas uit oud glas.
Technische scheidingsmethoden. Voor de mechanische scheiding van
huisvuil en sommige andere, gemengde afvalstoffen werden nieuwe
technieken en processen ontwikkeld, die werken langs droge of
natte weg. De belangrijkste technieken daarbij zijn: het
windziften (klasseren door al dan niet meesleuren in een
luchtstroom), het zeven in zeeftrommels of op trilzeven, de
magnetische scheiding en het selectief breken, malen of
scheuren. Voor specifieke toepassingen worden o.m. ingezet:
drijf/zink-afscheiders met zware vloeistoffen, opstroom- en
ballistische klasseerders, metaaldetectoren en
wervelstroomscheiders, optische sorteerders, enz. Op basis van
deeltjes-grootte en dichtheid wordt het mengsel geklasseerd in
lichte en zware, in fijne en grove fracties.
In plaats van een geforceerde regeneratie vanuit het
afvalstadium, waarbij de terugverkregen grondstoffen in vele
gevallen onbruikbaar zullen blijken te zijn, zijn er andere,
vaak doeltreffender methoden denkbaar waarbij stoffen kunnen
worden gerecirculeerd zonder dat het echte afvalstadium bereikt
wordt. Dit betekent echter dat deze stoffen door de gebruikers
als zodanig gescheiden moeten worden gehouden en achteraf
verzameld via haal- of brengsystemen (containerparken). Bij veel
fabricageprocessen kan meer aandacht worden besteed aan het
zodanig fabriceren van producten dat zij aan het eind van hun
levensduur inderdaad voor regeneratie geschikt zijn of daartoe
op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden.
Van groot belang is de economie van de verschillende processen.
Daar zal ten slotte de hele problematiek haar beslag moeten
krijgen. Regeneratieprocessen komen automatisch op gang, indien
de toegevoegde energiekosten ter verkrijging van nieuwe
grondstoffen lager zijn dan op de markt te verkrijgen
grondstoffen. In dit geval wordt een gunstige zuigkracht door de
regeneratie-industrie uitgeoefend (schroothandel,
oud-papierhandel, handel in gebruikt glas).
Voor het stimuleren van deze methoden zijn verschillende
maatregelen denkbaar:
1. verhoging van de prijs van op de markt verkrijgbare
grondstoffen (deze maatregel behoeft vergaande internationale
samenwerking);
2. het leggen van heffingen op producten of op het gebruik van
producten, waaruit de regeneratiekosten kunnen worden bekostigd;
3. het verlenen van subsidies in combinatie met het opleggen van
heffingen;
4. het beïnvloeden van fabricagemethoden op andere wijze
(levensduurverlenging), waarbij gedacht kan worden aan
voorschriften, alsook aan anders gerichte opleidingen, alsmede
voorlichting.
Bij het afwegen van de slaagkansen van interventionistische
maatregelen dient ook aandacht besteed te worden aan de
technische en economische grenzen, gesteld aan hergebruik en
recirculatie. Tot de technische grenzen behoren onder meer
dalende prestaties, stijgende faalkansen, slijtage, contaminatie
van papier en metalen, degradatie (van kunststofstructuren). De
economische grenzen worden enerzijds bepaald door de kosten voor
het verwerven, opslaan, controleren, zuiveren, herstellen,
scheiden, verkopen, verdelen en transporteren van
recirculatiegoederen, anderzijds door hun beperkte marktwaarde
en -vraag.
|