Onder afvalwater verstaan we het in de huishouding of de
nijverheid gebruikte water dat wordt geloosd, al of niet
gemengd met regenwater. Zie voor milieuaspecten van
afvalwaterlozing bij
waterverontreiniging.
Het
in de huishouding vervuilde water, zoals was- en badwater,
alsmede de vaste en vloeibare menselijke uitscheidingen vormen
tezamen het huishoudelijke afvalwater. De hoeveelheid
huishoudelijk afvalwater is afhankelijk van de waterbeschaving.
De hoeveelheid afvalwater bedraagt in onze streken per persoon
per dag meestal 100 tot 150 liter.
1 Afvoer
Onder de droogweerafvoer (DWA) verstaat men de hoeveelheid
afvalwater die – bij droog weer – moet worden afgevoerd. De
hoeveelheid regenwater die per tijdseenheid moet worden
afgevoerd, kan vele malen groter zijn dan de DWA.
Gescheiden afvoer van riool- en regenwater zou toelaten het
laatste apart en ongereinigd te lozen. Omwille van hogere
investeringen en grotere complexiteit wordt in Nederland en
België haast uitsluitend de gemengde afvoer toegepast, zodat in
het begin van een regenbui niet alleen een groot debiet, maar
ook een pieklading in verontreiniging wordt aangevoerd. Dit
afvalwater wordt veelal na primaire zuivering of via overstorten
op oppervlaktewater geloosd.
2
Samenstelling
Het afvalwater per dag van één inwoner bevat ca. 190 g vuil,
bestaande uit organische en anorganische stoffen; ruim de helft
hiervan is organisch. Wanneer de dagelijkse hoeveelheid
afvalwater een bepaalde hoeveelheid verontreiniging is, die
gemiddeld aan één inwonerequivalent gelijk wordt gesteld en
conventioneel bestaat uit: 150 l water/hoofd, dag, bevindt zich
in elke liter afvalwater ca. 1,2 g vuil. Hoewel dat bijzonder
weinig lijkt, spreekt men toch van geconcentreerd
(huishoudelijk) afvalwater.
3
Zuivering
Bij de zuivering van dit afvalwater gaat het derhalve om de
verwijdering van een, vergeleken met de hoeveelheid water, zeer
geringe hoeveelheid vuil. In het ontvangende water (kanaal,
rivier) waarin zij worden geloosd, kunnen zuurstofonttrekkende
afvalstoffen grote schade en overlast veroorzaken, omdat ze de
biologische zelfreiniging van het oppervlaktewater door
micro-organismen verstoren en het in een zuurstofloos of
zuurstofarm milieu omzetten. Zuivering van afvalwater is
noodzakelijk, wanneer het ontvangende water door afvalwater
zodanig belast wordt, dat het zelfreinigend vermogen
tekortschiet (zie waterverontreiniging). Zuivering van
huishoudelijk afvalwater beoogt voornamelijk de vergaande
eliminatie van organische stoffen.
In een rioolwaterzuiveringsinrichting worden in
bezinkinrichtingen uit het afvalwater eerst de bezinkbare
stoffen verwijderd. De hoeveelheid bezinkbare stof is bij
normaal huishoudelijk afvalwater per hoofd per dag ca. 60 g,
waarvan B deel organisch en 2 deel anorganisch is. Door
bezinking van het afvalwater wordt ca. 2 deel van de
verontreinigingen uit het water verwijderd. In het rioolwater
bevinden zich ook niet-bezinkbare stoffen, in totaal ca. 30 g
per hoofd per dag, waarvan B deel organisch en 2 deel
anorganisch is, en bovendien colloïdale en opgeloste stoffen,
waarvan de helft organisch en de helft anorganisch is, in totaal
ca. 100 g per hoofd per dag. Deze stoffen kunnen, zij het niet
volledig, door middel van een biologisch zuiveringsproces worden
geliquideerd.
Gebruikelijk is de vervuiling van het afvalwater te
karakteriseren met het biochemisch zuurstofverbruik (BZV): de
hoeveelheid zuurstof in mg die de micro-organismen verbruiken
bij het mineraliseren van de in 1 liter afvalwater aanwezige
organische stoffen, bij een temperatuur van 20 °C gedurende 5
dagen. Dikwijls gebruikt men voor de afkorting BZV ook de
afkorting BOD (biological oxygen demand). Het BZV-getal van het
vuil dat een inwoner per dag afstoot, wordt traditioneel gesteld
op 54 g zuurstof, doch dit getal kan afhankelijk van de
levensstandaard lager of hoger gesteld moeten worden. Naarmate
meer organische stoffen in het afvalwater aanwezig zijn, is het
zuurstofverbruik hoger. Uitgaande van 150 liter afvalwater per
hoofd per dag, zal het BZV-getal 360 mg zijn. Na bezinking van
afvalwater is het BZV-getal met 2 afgenomen en na vérgaande
oxidatief-biologische zuivering kan het BZV-getal van het
gezuiverde water (effluent) minder zijn dan 20 mg. Het is dan
nog volkomen ongeschikt voor menselijke consumptie ten gevolge
van de aanwezigheid van pathogene organismen.
De hoeveelheid
vuil in industrieel afvalwater wordt uitgedrukt in een aantal
inwonerequivalenten, waarbij onder inwonerequivalent wordt
verstaan het BZV-getal van de afvalstoffen die zich in het
afvalwater van één inwoner per etmaal bevinden. De hoedanigheid
van industrieel afvalwater kan van industrie tot industrie
verschillen.
1 Indeling
Uitgaande van de aard van de vervuiling van industrieel
afvalwater kan men drie hoofdgroepen onderscheiden: a.
industrieel afvalwater dat in hoofdzaak verontreinigd is door
organische stoffen (bijv. van levensmiddelenindustrieën, zoals
melkfabrieken, suikerfabrieken, abattoirs en brouwerijen); b.
industrieel afvalwater dat in hoofdzaak verontreinigd is door
anorganische stoffen (bijv. metaalverwerkende industrieën en
chemische bedrijven); c. industrieel afvalwater met een gemengde
samenstelling (zoals van textiel- en lederindustrieën).
2 Behandeling
Voor de behandeling van industrieel afvalwater kunnen nodig
zijn: a. correctie van de pH, waardoor de toxische en corrosieve
eigenschappen als gevolg van een te hoge of te lage pH van het
afvalwater worden opgeheven; b. zwaartekrachtscheiding, om
stoffen uit een vloeistof te verwijderen door gebruik te maken
van de dichtheidsverschillen, bijv. voor de verwijdering van
olie, van vlokkige stoffen (zoals aanwezig in het afvalwater van
zeepfabrieken, lijm- en gelatinefabrieken en leerlooierijen) en
van vezelachtige stoffen (zoals aanwezig in het afvalwater van
de papierfabricage); c. coagulatie, voor de verwijdering van
lichte zwevende stoffen, colloïden en een deel van de opgeloste
stoffen; onder coagulatie wordt verstaan het destabiliseren van
deeltjes, dwz. het wegnemen van de beletselen tot flocculatie
(vlokvorming) door middel van het toevoegen van
coagulatiemiddelen; de gevormde vlokken kunnen door een
bezinkingsproces uit het afvalwater worden verwijderd; d.
ontgiften van afvalwater van vooral galvanische en chemische
bedrijven.
Na deze behandelingsmethoden kan gewoonlijk tot biologische
zuivering van het afvalwater worden overgegaan. Ter beperking
van de hoeveelheid industrieel afvalwater en ter vermindering
van de vuillast dient men zodanige technologische processen te
ontwerpen en grond- en hulpstoffen te gebruiken dat
verontreiniging wordt beperkt.
De zuivering van afvalwater
gebeurt normaliter in een reeks opeenvolgende processtappen, die
telkens in daartoe geschikte voorwaarden een bepaalde groep
onzuiverheden uit het water verwijderen. Eerst komt de primaire
zuivering, waarbij door mechanische bewerkingen grove en fijnere
zwevende deeltjes worden afgescheiden. In de secundaire
zuivering wordt langs biochemische weg het opgeloste, colloïdale
of fijn gesuspendeerde materiaal als zuiveringsslib verwijderd.
Na secundaire zuivering volgen nog eventueel tertiaire
behandelingen, met het doel de finale kwaliteit te verbeteren
door verwijdering van overblijvende zwevende stoffen, stikstof
en fosforverbindingen, organische micropolluenten of pathogene
bacteriën.
1 Mechanische zuivering
Mechanische zuivering van afvalwater geschiedt met behulp van a.
roosters en snijroosters (roosters, gecombineerd met
snijmechanisme), waarmee de grovere onopgeloste stoffen worden
verwijderd; b. zandvangers, waarin zand uit het afvalwater wordt
verwijderd; c. bezinkingsinstallaties (zie bezinken), waarin ook
de lichtere bezinkbare stoffen tot bezinking worden gebracht.
Dit zgn. primaire slib wordt vaak aan een anaëroob
gistingsproces onderworpen in speciale slibgistingstanks of in
ruimten die in verbinding staan met bezinkingsinstallaties (imhofftank
en clarigester).
Zandvangers worden toegepast om zand uit het afvalwater te
verwijderen, en aldus schade aan mechanische installaties te
vermijden. Horizontale zandvangers bestaan uit één of meer goten
waardoor het rioolwater met constante snelheid gevoerd wordt om
zoveel mogelijk zand en zo weinig mogelijk organisch materiaal
tot bezinking te brengen. In grotere installaties worden de
zandvangers uitgevoerd met continu werkende zandruimmechanismen
en zandwasinrichtingen.
Bezinkingstanks dienen om zoveel mogelijk bezinkbare stoffen uit
het afvalwater te verwijderen binnen een praktisch en economisch
aanvaardbare tijd. De bezinkinrichtingen kan men onderscheiden
in bezinkingstanks met rechthoekig of met cirkelvormig
grondplan, waarbij de bezinkbare stoffen (het slib) telkens ten
gevolge van de zwaartekracht naar een bepaalde ruimte van de
tanks gevoerd worden (slibput). De beweging van het slib wordt
veelal versneld met behulp van draaiende of schuivende
apparaten.
Het tegenovergestelde van bezinking vindt plaats in olie- en
vetafscheiders. Het opdrijven van stoffen die lichter dan
rioolwater zijn, kan bevorderd worden door het inblazen van zeer
fijn verdeelde lucht- of gasbelletjes. Een efficiënt systeem
maakt gebruik van gezuiverd water, dat vooraf bij verhoogde druk
(5 bar) met lucht wordt verzadigd. Ontspanning van dit water na
menging met afvalwater levert talrijke fijnblazige bellen (drukluchtflotatie).
2 Biologische zuiveringsmethoden
Deze hebben tot doel de verwijdering van niet-bezinkbare stoffen
en opgeloste en half opgeloste stoffen. Men kan onderscheiden:
a. zuivering met behulp van oxidatiebedden of continufilters; b.
zuivering met behulp van actief slib.
Oxidatiebedden, percolatie- of continufilters bestaan uit tot
een hoogte van 2 tot 3 m opgestapelde steenbrokken (gewoonlijk
lava) met afmetingen van 4 tot 8 cm. Het bezonken afvalwater
wordt over de oppervlakte van het oxidatiebed verspreid en
achteraf onder uit het bed opgevangen en afgevoerd. De
verspreiding van het water over het oppervlak geschiedt
gelijkmatig door middel van draaisproeiers. Op het
filtermateriaal zet zich een slijmlaagje af, dat bestaat uit
humusachtige stoffen, bacteriën en protozoën. Door deze
biologische huid worden de verontreinigingen in het afvalwater
geadsorbeerd. De wanden van een oxidatiebed moeten gesloten
zijn, zodat een verticaal luchttransport optreedt, veroorzaakt
door het verschil in temperatuur in en buiten het bed. Hierdoor
wordt voldoende zuurstof, nodig voor de zuivering, aangevoerd.
In een modernere uitvoering wordt de stapeling poreuze steen
vervangen door stapelbare pakketten, samengesteld uit
geprofileerde kunststofplaten, met een typische eenheidsgrootte
van 0,6 × 0,6 × 1,2 m.
Actief-slibinstallaties bestaan enerzijds uit beluchtingstanks,
waarin actief of levend slib in contact wordt gebracht met het
bezonken rioolwater. Daarbij wordt het mengsel van slib en water
intensief belucht en gemengd. Anderzijds moeten na de
biologische zuivering het slib en het water weer van elkaar
gescheiden worden. In bezinkingsinstallaties wordt het bezonken
slib continu naar de actief-slibinstallatie teruggevoerd
(retourslib). Aangezien de hoeveelheid slib toeneemt, moet
periodiek een deel ervan verwijderd worden (surplus- of
spuislib). In actief-slibinstallaties kan het rioolwater, in
tegenstelling met oxidatiebedden, zowel 's zomers als 's winters
tot een hogere graad gezuiverd worden. Een eenvoudige vorm van
een actief-slibinstallatie is de oxidatiesloot, waarin het
afvalwater vergaand wordt gezuiverd. Dit vergt evenwel een lange
verblijfstijd. Een ontwikkeling uit de oxidatiesloot is de
carrousel, waarin zeer grote hoeveelheden afvalwater kunnen
worden gezuiverd door beluchting met horizontale rotoren met
borstels. Het surplus-slib is zodanig gemineraliseerd dat het
niet meer aan een gistingsproces onderworpen behoeft te worden.
Tal van beluchtingssystemen zijn in de loop der jaren ontwikkeld
om lucht in het mengsel van actief slib en water te brengen. Men
kan onderscheiden: a. beluchting door middel van het inblazen
van lucht; b. beluchting aan de vloeistofoppervlakte, waarvoor
onder meer kunnen worden toegepast horizontale rotoren met
borstels, turbines of puntbeluchters met verticale as.
Gistingstanks dienen om het surplus-slib aan een anaëroob
gistingsproces te onderwerpen. Het ruwe slib kan moeilijk worden
gedroogd, is infectueus en verspreidt veel stank. Voor kleine
installaties kan men een imhofftank of clarigester toepassen,
waarin bezinking van slib en slibgisting plaatsvinden in
afzonderlijke ruimten. Bij de gisting ontstaat gas, bestaande
uit 60–80% methaan en voor de rest uit koolzuurgas, alsmede slib
met een lager gehalte aan organische stof. De gistingstijd is
gewoonlijk 15–25 dagen bij een temperatuur van 28–33 °C. Het
rioolgas heeft een verbrandingswaarde van ca. 25 megajoule per
m3, de dagelijkse hoeveelheid is 20 à 40 l per inwoner. Het gas
kan onder meer worden gebruikt voor het handhaven van de
gewenste temperatuur in de gistingsruimten en voor het opwekken
van elektrische energie.
Ruw slib wordt meer en meer mechanisch verwerkt. Door
chemicaliën of thermische behandeling wordt de filtreerbaarheid
verbeterd. Met centrifuges, vacuümfilters, persfilters en
perszeven kan het watergehalte worden verminderd. Vervolgens kan
het slib worden gedroogd of verbrand.
Tal van chemische stoffen, waaronder cyaniden, metaalzouten (in
het bijzonder koper- en zinkverbindingen), chromaten, fenolen,
olie en detergenten kunnen de biologische zuiveringsprocessen
verstoren of nadelig beïnvloeden.
In dit artikel zijn de meest gebruikelijke (conventionele)
zuiveringsmethoden beschreven. Het kan noodzakelijk zijn het
afvalwater aan een verdere zuivering te onderwerpen, zoals
reductie van stikstof en fosfor ter voorkoming van eutrofiëring
van het oppervlaktewater. Door desinfectie (bijv. chlorering)
kan men de hygiënische kwaliteit van het effluent verbeteren.
Processen die een verdere zuivering van het afvalwater beogen,
vat men samen onder tertiaire behandeling van afvalwater.
|