|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Albanië
heeft een vrij smalle, langgerekte vorm (175 km lang, gemiddeld 85 km
breed) en bestaat uit twee hoofddelen: het lage kustland en het
bergachtige binnenland. Het kustlandschap bestaat uit een aantal
kustvlakten, die door vlakke droge ruggen van elkaar zijn gescheiden;
waar deze laatste tot aan de zee reiken, vormen zij steile, rotsige
kusten. De kustvlakten zijn laag met op verscheidene plaatsen meren en
moerassen; de winterregens en het voorjaarhoogwater van de rivieren
veroorzaken er vaak overstromingen. Meer naar het oosten ligt, als
voorland van het gebergte, een heuvelachtige zone, die vrij blijft van
hoogwater. Het oosten van Albanië is woest en moeilijk toegankelijk. In
het noorden, in de zgn. Noordalbanische Alpen, neemt het met diepe
kloven doorsneden kalkgebergte zelfs hooggebergtevormen aan (Jezerce,
2693 m), met glaciaal gevormde toppen en kaarvorming. Voor het overige
bestaat het bergland uit langgerekte ruggen, sterk versneden kleine
hoogvlakten en kleine bekkens. Karstverschijnselen komen voor, zij het
minder dan in Slovenië. De enige grotere en voor landbouw geschikte
vlakte ligt rond de Dessaretische meren in het zuiden, omgeven door
bergen.
De rivieren (Drin, Mat, Shkumbî, Seman, Vijosë) stromen alle vanuit het
bergland naar de Adriatische Zee en doorbreken de bergketens in grillige
en woeste dalen; ze zijn onbevaarbaar. De meren liggen alle in het
grensgebied: in het noorden het Shkodërmeer (460-510 km2); in het
zuidoosten de Dessaretische groep: Meer van Ohrid (270 km2), Prespameer
(288 km2) en het kleine Malikmeer.
1.2 Klimaat
Het klimaat van de kustvlakte is mediterraan met hete zomers, zachte
winters en winterregens. In het bergachtige oosten heerst echter een
ruw, continentaal klimaat met strenge, sneeuwrijke winters en met
zomerregens. De beschutte bekkens hebben een milder klimaat, zodat hier
nog mediterrane planten kunnen groeien. De neerslag bedraagt tussen 750
en 1200 mm/jaar, aan de loefzijde van de gebergten en in de
Noordalbanische Alpen echter tot 2000 mm/jaar.
1.3 Plantengroei
Op de kustvlakte heeft de vegetatie een mediterraan karakter; meer het
binnenland in volgt, tussen ca. 700 en 1000 m hoogte, een zone van
eikenwoud, daarboven overheerst beuken- en dennenwoud en boven 1800 m
een alpine vegetatie.
2. Bevolking
De bevolking bestaat naar schatting voor ca. 90% uit Albaniërs, voorts
uit 8% Grieken (vnl. in het noorden van Epirus), enige duizenden Slaven
(Macedoniërs, Montenegrijnen, Bulgaren, Serviërs) en Turken, Armeniërs
en zigeuners. Meer dan drie miljoen Albaniërs wonen in het buitenland,
van wie 2,5 miljoen in Kosovo, Macedonië en Montenegro, de rest in
Zuid-Italië en Griekenland. Het dichtstbevolkt zijn het heuvelland en de
kuststrook, m.n. de districten Tirana en Vlorë. De urbanisatiegraad is
laag: ca. 35%, maar de trek naar de steden neemt toe. De grootste steden
zijn Tirana (244.000 inw.), Durrës (85.000), Shkodër (82.000), Elbasan
(83.000), Vlorë (74.000), Korçë (65.000) en Berat (44.000). De
jaarlijkse toeneming van de bevolking (gemiddeld 1,9%) is een van de
hoogste in Europa. De groei neemt echter langzaam af.
2.1 Taal
Het Albanees (zie Albanese taal) behoort tot de Indo-Europese taalgroep;
het is een mengtaal met een groot aantal leenwoorden. In 1908 werd een
officieel Albanees alfabet ingevoerd, gebaseerd op het Latijnse. Er zijn
een Gegisch en een Toskisch dialect, alsmede een overgangsdialect tussen
beide; het Toskisch is sedert 1945 de officiële taal. Aan de etnische
minderheidsgroepen in het land is het toegestaan de eigen taal in ere te
houden.
2.2 Religie
Tussen 1967 en 1990 bestond er een verbod op elke godsdienstuitoefening.
Alle moskeeën en kerken in het land werden gesloopt of ingericht voor
andere doeleinden; geestelijke leiders werden gedwongen de uitoefening
van hun ambt op te geven. Naar schatting is thans 70% van de bevolking
islamitisch (soenieten), 10% rooms-katholiek en behoort 20% tot de
Grieks-orthodoxe Kerk, vnl. Gegen.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Sinds de eerste vrije verkiezingen na de val van het communistische
bewind in 1991 geldt in afwachting van een volledig nieuwe wet een
overgangsgrondwet gebaseerd op de principes van pluralisme en
markteconomie. Tussen 1948 en 1991 was de communistische partij -
officieel Albanese Arbeiderspartij (afgekort: PPSh) - de enige
leidinggevende politieke macht in staat en samenleving. Albanië is sinds
1991 een presidentiële republiek. De Volksvergadering (Kuvendi PopuLar)
telt 140 afgevaardigden, die elke vier jaar gekozen worden; zij kiezen
het staatshoofd. Er bestaat een algemene kiesplicht vanaf 18 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Administratief is het land verdeeld in 35 districten (rreth, mv. rráthe
of rráthët) en tien prefecturen.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Albanië is sinds 1955 lid van de Verenigde Naties. Na zijn officieel
uittreden uit het Warschaupact in 1968, had het land geen band meer met
enige Europese organisatie. In 1992 trad het toe tot de Islamitische
Conferentie, een jaar later tot de Raad van Europa.
3.4 Partijwezen
De Albanese Arbeiderspartij oefende tussen 1948 en 1991 via de door haar
gecontroleerde massa-organisaties in alle sectoren van de maatschappij
invloed uit. Sinds de invoering van het meerpartijenstelsel en de eerste
vrije verkiezingen in 1991 is de Democratische Partij van Albanië (DP)
de belangrijkste en grootste partij, maar zij verkreeg haar macht door
o.a. stembusfraude. De oppositie, die nieuwe verkiezingen boycotte,
bestaat uit de Sociaal-democraten (SDP) en en de Democratische Alliantie
(DA).
4. Economie
4.1 Algemeen
Albanië
is een ontwikkelingsland met toenemende ruimte voor particulier
initiatief (jaarinkomen per hoofd van de bevolking in 1994: $ 360), maar
de voorwaarden voor een gunstig economisch perspectief zijn aanwezig: er
zijn goede agrarische mogelijkheden en de aanwezigheid van minerale
reserves lijkt in een snelle ontwikkeling van de industrie te kunnen
resulteren. Het land is in toeristisch opzicht zeer aantrekkelijk, maar
de nationalistisch-isolationistische politiek van de regering is niet
gericht op doelbewuste uitbreiding van het toerisme. De voor de
economische opbouw onontbeerlijke buitenlandse hulp werd aanvankelijk
vooral door de Sovjet-Unie verstrekt, later, sinds het begin van de
jaren zestig, door de Volksrepubliek China; deze hulp werd in juli 1978
stopgezet.
Na veertig jaar van geleide economie is in 1992 de hervorming ingeleid.
De staatsschuld moet naar beneden, de inflatie moet worden beteugeld en
de prijzen worden vrijgelaten. Staatsinmenging wordt drastisch beperkt
en de privatisering is gericht op zowel industrie, dienstverlening als
landbouw. Deelname aan frauduleuze piramidespelen heeft alle spaarders
getroffen, waardoor privékapitaal, nodig voor de wederopbouw, ontbreekt.
De economische groei was in de jaren zeventig nog zeer hoog (gemiddeld
meer dan 6%). In de loop van de jaren tachtig daalde deze echter snel:
de gemiddelde groei tussen 1990 en 1994 was zelfs negatief (-4, 2%).
4.2 Landbouw, bosbouw en visserij
Het landbouwareaal beslaat ruim 12.000 km2, verdeeld over ca.
400.000 boeren. De opbrengsten sinds de privatisering schoten jaarlijks
omhoog met 10%. De bosbouw is belangrijk; sedert 1950 zijn wat dit
betreft goede vervoersmogelijkheden geschapen. Pas in 1973 echter werd
een programma voor herbebossing in uitvoer genomen, teneinde de
voortschrijdende erosie van de bodem tegen te gaan. De visserij (in de
kustwateren) is van weinig of geen betekenis.
4.3 Mijnbouw
Albanië beschikt over aanzienlijke minerale reserves, waarvan de
exploitatie in de jaren vijftig ter hand is genomen. De voornaamste
delfstoffen zijn aardolie, aardgas en chroomerts; voorts worden o.m.
koper-, ijzer- en nikkelerts, bauxiet, bruinkool, kalk en zout gewonnen.
Albanië is een van de grootste exporteurs van chroomerts ter wereld. Het
belangrijkste olie- en aardgasveld bevindt zich bij Qyteti Stalin, in
het centrum van het land, waar een deel van de ruwe olie tevens wordt
geraffineerd; de plaats is door pijpleidingen verbonden met de havenstad
Vlorë. Met de exploitatie van elders in het land aangetoonde reserves (Patos)
is in de jaren zeventig een begin gemaakt.
4.4 Industrie
De voornaamste producten zijn textiel, voedingsmiddelen (drank en tabak)
en schoeisel. Aardolieraffinage groeide evenwel het snelst. In 1994 was
ca. 30% van de beroepsbevolking in de industrie werkzaam, over het
algemeen weinig geschoold; de vervaardigde producten zijn dan ook veelal
van geringe kwaliteit. Industriecentra zijn Tirana en Durrës, en in
mindere mate Shkodër; ook handwerk en kleinbedrijf zijn hier echter,
evenals elders in het land, van groot belang.
4.5 Handel
De buitenlandse handel is kleinschalig vanwege de veelheid aan
producten. Textiel, schoenen en brandstof zijn goed voor 70% van de
export. Het land voerde in 1995 voor $ 670 miljoen in en voor 188
miljoen uit. Na de instorting van het communisme raakte Albanië zijn
klassieke markten kwijt (China, Oost-Europa) en ging naarstig op zoek
naar nieuwe partners. De belangrijkste handelspartners van Albanië zijn
Griekenland, Bulgarije en Italië.
4.6 Bankwezen
Het enige kredietverlenend instituut in het land is de Albanese
Staatsbank in Tirana (Banka e Shteki Shqiptar).
4.7 Verkeer
De aard van het landschap staat de ontsluiting van grote delen van
Albanië, met name in het berggebied, in de weg. Het wegennet is 18!000
km lang, meestal slecht onderhouden. In 1946 werd begonnen met de aanleg
van een spoorwegnet; in 1987 omvatte dit, met lijnen vanuit Tirana naar
het noorden, zuiden en oosten van het land, 684 km. De steden zijn door
een net van verharde wegen en busdiensten met elkaar verbonden. Er is
weinig gemotoriseerd verkeer. De rivieren zijn onbevaarbaar; Durrës en
Vlorë zijn de belangrijkste zeehavens. Albaniës enige luchthaven, te
Rinas bij Tirana, wordt door slechts enkele buitenlandse maatschappijen
aangedaan. Er zijn geen binnenlandse luchtlijnen.
5. Toerisme
Het toerisme is nog amper ontwikkeld. Het aantal hotelbedden is beperkt:
de meeste bezoekers zijn dagjesmensen of gasten op doorreis. Van de
28!349 buitenlandse bezoekers (in 1994) kwamen er 7628 als toerist,
ofschoon het land genoeg te bieden heeft. Steden die om hun historische
monumenten worden bezocht, zijn in het noorden Shkodër en Lezhë, centra
van oude Albanese cultuur; in centraal-Albanië Durrës en Elbasan; in het
zuidoosten Pogradec en Korçë en in het zuiden Vlorë, Berat, Gjirokastër
(de twee laatstgenoemde gebouwd in een bijzondere stijl en gelegen in
een berggebied met karakteristieke panorama's), Fieri, het havenstadje
Sarandë en Konispol met in de nabijheid de grot van Shën Meri. De musea
hebben veel gebruiksvoorwerpen en wapens uit het bronzen tijdperk in hun
collectie; met name moeten de twee soorten bijlen genoemd worden die in
de archeologie bekend staan als Dalmatisch-Albanese bijlen. Verder zijn
er graftomben uit de klassieke oudheid te zien, schilderijen, sculpturen
en volkskunst (o.m. borduurwerk). De bouwstijl in Albanië vertoont veel
Turkse invloed, zoals aan de moskeeën, voor zover zij nog niet zijn
afgebroken, te zien is. Op veel plaatsen in het land zijn de kastelen
van vroegere Albanese vorsten (gedeeltelijk) bewaard gebleven.
6. Geschiedenis
Albanië
werd in de 2de eeuw v.C. door de Romeinen veroverd. Het was toen bewoond
door Illyriërs, die vooral in de bevolkingscentra min of meer
geromaniseerd werden. Zie ook Albaniërs. Na 1204 vormde zich het zgn.
Despotaat Epirus, dat zuidelijk Albanië en een deel van
Noordwest-Griekenland omvatte. Dit despotaat, dat aanvankelijk vanuit
Byzantium werd geregeerd, kwam in de eerste helft van de 14de eeuw aan
de Italiaanse prinsen Orsini. Midden-Albanië stond van 1271 tot 1368 als
koninkrijk Albanië onder de koningen van Napels. Aan het eind van de
14de eeuw bezette Venetië een aantal belangrijke havens. In de eerste
helft van de 15de eeuw vond de Turkse invasie plaats. Een algemeen
Albanees verzet daartegen, geleid door Skanderbeg (Kastriotis) en vanuit
Italië gesteund, mislukte. In 1478 was de Turkse heerschappij over
Albanië geconsolideerd. In veel groter getale dan de Grieken, Serven
e.a. gingen de Albaniërs tot de islam over (o.a. de gehele adel).
Niettemin handhaafde zich een eigen Albanese nationaliteit, zoals ook
opstanden tegen het Turkse gezag bleven voorkomen, vooral sinds de 18de
eeuw, toen de Turkse macht achteruitging.
Omstreeks 1800 regeerde Ali Pasja, een Turkse pasja van Albanese
afkomst, bijna als onafhankelijk vorst over Albanië, Macedonië en
Thessalië. In 1822 werd hij echter door de sultan verslagen en gedood.
De anti-Turkse agitatie hield daarna niet op en in 1878 zond Albanië een
memorandum aan het Congres van Berlijn waarin aandacht voor de Albanese
belangen werd gevraagd. Toen
Bismarck dit verzoek in de wind sloeg, vormde zich een Albanese
liga, die protesteerde tegen de kort daarna plaatsvindende toekenning
van Albanees gebied aan de omringende mogendheden. Toen de liga, die
eerst de steun van Turkije had gehad, autonomie voor Albanië eiste,
gingen de Turken de liga bestrijden, waarna deze een geheime
revolutionaire organisatie werd.
Vlak voor het uitbreken van de Eerste Balkanoorlog verkreeg Albanië
eindelijk van Turkije autonomie. Tijdens deze oorlog bleef Albanië
neutraal. Steun van Italië en Oostenrijk, die de expansie van Servië
wilden tegenhouden, gaf de Albaniërs ten slotte de mogelijkheid de
onafhankelijkheid van hun land uit te roepen (te Vlorë op 28 nov. 1912
bij monde van Ismaël Kemal). Rusland en Frankrijk protesteerden, zodat
een conflict dreigde, dat door Engelands bemiddeling werd bezworen. Bij
besluit van de mogendheden van 29 juli 1913 werd Albanië (met een
geringer gebied dan de nationalisten wensten) een soeverein vorstendom
onder prins Wilhelm von Wied. De anarchie in het land zou beëindigd
worden door de oprichting van een Albanese gendarmerie, te organiseren
door Nederlandse officieren. Op 3 sept. 1914 verliet Wilhelm von Wied
Albanië, het onbestuurbare land in wanorde achterlatend. In de Eerste
Wereldoorlog werd Albanië door legers van allerlei naties overstroomd.
In 1920 wisten de Albaniërs de Italiaanse en Franse bezetters ertoe te
bewegen het land te verlaten. In 1921 gingen ook de Joegoslaven weg. De
onafhankelijkheid van Albanië binnen de grenzen van 1913 werd opnieuw
door de mogendheden erkend.
Op 22 jan. 1925 werd de republiek uitgeroepen met Achmed Zogoe als
president. Op 1 sept. 1928 nam deze de titel van koning aan onder de
naam Zog. Hij zocht nauwe aansluiting bij Italië (verdragen van Tiranë,
1926 en 1927), die exploitatie en organisatie van het land op moderne
leest mogelijk maakte. Tegen de Italiaanse pogingen om de soevereiniteit
over Albanië te krijgen, bleef Zog zich echter verzetten. Op 7 april
1939 vielen de Italianen ten slotte Albanië binnen, waar de felle
weerstand spoedig werd gebroken. Zog vluchtte. Het land werd vervolgens
tot het eind van de Tweede Wereldoorlog de speelbal van Italië en
Duitsland bij hun acties op de Balkan. Na de Italiaanse capitulatie werd
het door de Duitsers in sept. 1943 bezet. Er ontwikkelde zich een
Albanese partizanenstrijd. Na de ontruiming van Albanië (najaar 1944)
kwam uit deze strijd een volksdemocratische regering onder Enver Hoxha
voort. Hoxha zou als partijleider (sedert 1948) de koers van zijn land
gedurende meer dan dertig jaar gaan bepalen.
Op 11 jan. 1946 werd de republiek Albanië opnieuw uitgeroepen. Deze
sloot zich nauw aan bij Joegoslavië, dat in feite een officieus
protectoraat met goedkeuring van Moskou uitoefende. De eis tot afstand
aan Albanië van het overwegend door Albaniërs (Shqiptaren) bewoonde
'autonome gebied' Kosovo en Metohija (thans Kosovo) moest onder deze
omstandigheden verstommen, maar irredentistische verlangens (zie
irredentisme) uitten zich later sterk. Toen Joegoslavië brak met de
Kominform (1948), bleef Albanië zich oriënteren op de Sovjet-Unie. De
breuk met
Tito leidde tot een grote zuivering van pro-Joegoslavische krachten
in Albanië. O.m. de minister van Binnenlandse Zaken en tweede man achter
Hoxha, Koci Xoxe, werd geëxecuteerd. Op de Balkan raakte het land verder
geïsoleerd, mede door de slechte relatie met zuiderbuur Griekenland, dat
aanspraken maakte op Noord-Epirus, het door Grieken bewoonde zuiden van
Albanië.
In 1955 trad Albanië toe tot het Warschaupact (tot 1968). De verbetering
van de betrekkingen tussen de Sovjet-Unie en Joegoslavië leidde in
Albanië tot een verscherpte binnenlandse koers. De door
Chroesjtsjov op gang gebrachte destalinisatie werd in Albanië niet
gevolgd: integendeel, Stalin bleef voor Hoxha een onaantastbaar
staatsman. Albanië voelde zich voortaan door zowel het 'revisionisme'
van Tito als door het 'sociaal-imperialisme' van Chroesjtsjov bedreigd.
Het land ging zich meer en meer op het China van Mau Tse-toeng
oriënteren. In 1961 kwam het in Moskou, tijdens het 12de Partijcongres
van de CPSU, openlijk tot een breuk tussen de Sovjet-Unie en China.
Albanië koos partij voor China en werd door Chroesjtsjov gekritiseerd.
Moskou trok zijn adviseurs terug, ontruimde de militaire installaties in
het land en verbrak de diplomatieke betrekkingen. China nam de rol van
de Sovjet-Unie over, stuurde adviseurs en leverde een aanzienlijke
bijdrage aan de economische ontwikkeling van het land.
In 1966 vond in Albanië een door de partijleiding gestuurde culturele
revolutie plaats. De traditionele maatschappelijke structuren werden
radicaal overboord gezet: het dat jaar gehouden vijfde partijcongres
markeerde het hoogtepunt in de strijd van de regering tegen de nationale
traditie en de 'godsdienstige vooroordelen'. Cultuuruitingen uit het
Westen, met inbegrip van de klassieke westerse literatuur, werden taboe
verklaard, en analoog aan China werd ook in Albanië de opbouw van een
nieuwe nationale cultuur op communistische basis gepropageerd.
In 1967 besloot het Hoxha-regime religie wettelijk af te schaffen.
Albanië werd zo het eerste atheïstische land ter wereld. Kerken en
moskeeën werden gesloten of afgebroken. In de loop van de jaren zeventig
was een lichte verbetering te zien in de economische en politieke
betrekkingen tussen Albanië en een aantal West-Europese landen. Met
enkele staten werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt (Nederland
1970). Kern van het beleid van Hoxha bleef echter de isolationistische
en autarkische koers. In 1978 kwam het door ideologische tegenstellingen
tot een breuk met China. In dec. 1981 stierf premier Mehmet Shehu onder
geheimzinnige omstandigheden. Aanvankelijk werd gesproken van zelfmoord.
Later bleek dat de als 'spion en verrader' afgeschilderde Shehu was
doodgeschoten. Het jaar 1982 werd gekenmerkt door een grote en bloedige
zuivering in partij en regering. Ramiz Alia werd tot president benoemd.
In september voerde een groep rechtse Albanese emigranten een mislukte
landingspoging uit. In april 1985 stierf Enver Hoxha. Ramiz Alia werd
zijn opvolger als partijleider. Deze zette de koers voort van langzaam
herstel van de betrekkingen met Oost en West. Goede contacten met de
Sovjet-Unie en de Verenigde Staten werden echter vermeden.
In dec. 1989 en jan. 1990 waren er demonstraties voor democratische
hervormingen die met geweld werden uiteengeslagen. In juli 1990 mochten
bijna 5000 Albanezen, die in buitenlandse ambassades hun toevlucht
hadden gezocht, het land verlaten. Alia kondigde eind 1990 beperkte
hervormingen af, zoals decentralisatie van het bestuur en de keuze uit
meer dan één kandidaat bij verkiezingen. In maart 1991 vonden onder
toezicht van westerse waarnemers vrije verkiezingen plaats. Dank zij het
conservatief stemmende platteland wonnen de communisten. De nieuwe
regering werd al na een maand ten val gebracht. Juni 1991 werd een
Regering van nationale redding geïnstalleerd. In december werd deze
regering vervangen door een zakenkabinet, dat na verkiezingen in maart
1992 (waarbij de communisten slechts 25% van de stemmen kregen) op zijn
beurt werd vervangen. Ramiz Alia trad af als president en werd op 9
april 1992 opgevolgd door Sali Berisha, de eerste democratisch gekozen
president.
De relatie met Griekenland en de Griekse minderheid verbeterden in de
loop van 1996, maar de relatie met (het voormalige) Joegoslavië bleef
slecht vanwege een belangrijke groep Albanees sprekenden in dat land.
De parlementsverkiezingen van 1996, die plaatsvonden in een sfeer van
fraude, intimidatie en geweld en die door de oppositie werden geboycot,
leverden een absolute meerderheid op voor de regerende Democratische
Partij van president Sali Berisha, de vroegere cardioloog van
oud-dictator Enver Hoxha. Premier werd Aleksander Meksi. Begin 1997
braken in het hele land ernstige onlusten uit, nadat meer dan de helft
van de bevolking haar spaargelden had verloren bij het faillissement van
dubieuze investeringsfondsen. Vooral het zuiden van het land, waar van
oudsher het antagonisme tegen het noorden sterk is, balanceerde op de
rand van een burgeroorlog. In deze chaotische situatie liet Barisha zich
door het parlement, waarin zijn Democratische Partij vrijwel alle zetels
bezet, herkiezen. De oppositie boycot het parlement sinds de
verkiezingen van 1996. Berisha beloofde een premier aan te wijzen die
kon rekenen op de steun van de oppositie. Die drong echter aan op de
vorming van een coalitieregering en op nieuwe, democratische
verkiezingen onder streng internationaal toezicht.
Telefoongids Albanië
Postcodes
Albanië
|