Albatrossen
zijn zeevogels die vooral op het zuidelijk halfrond voorkomen. Enkele komen ook voor in de noordelijke Stille
Oceaan. Ze behoren tot de stormvogels en brengen de meeste tijd van hun leven boven zee door.
Met hun buitengewoon lange en slanke vleugels zijn de
albatrossen de beste zweefvliegers. Aan land zijn de lange vleugels eerder lastig en ze zijn ook hinderlijk bij
het starten en het landen. Vandaar dat men hun broedplaatsen dan ook dikwijls op steile rotskusten vindt omdat
ze daar gemakkelijk af- en aan kunnen vliegen.
Een bijzonder grote soort is de reuzenalbatros. Hij heeft
een lengte van 1,30 m en zijn vleugels hebben soms wel een spanwijdte van 3,50 m! Hij heeft een bijzonder balts-
en begroetingsritueel. Wanneer een mannetje en een vrouwtje elkaar tegenkomen klepperen ze eerst met de snavels.
Dan raken ze elkaar met de uiteinden van de snavel aan en spreiden ze de indrukwekkende vleugels uit.
Het vrouwtje legt één ei. Dit wordt door beide ouders 80
dagen lang bebroed. Na het uitkomen voeren de ouders het jong nog ongeveer een jaar lang. Daarom leggen de
vrouwtjes dan ook maar één keer per twee jaar een ei.