|
1 Landbouw
Bij de landbouw in de Alpen overheerst traditioneel de veeteelt.
In de noordelijke en oostelijke Alpen komt vrijwel uitsluitend
veeteelt voor. De vooral in de meer centraal gelegen delen
voorkomende akkerbouw staat volledig in dienst van de veeteelt.
In de zuidelijke Alpen komt ook intensieve (exportgerichte)
akkerbouw voor (naast graan ook fruit, wijn, tabak, bloemen).
Akkerbouw wordt slechs in enkele grote en warme dalen overwegend
uitgeoefend. De hoogtegrens voor graanverbouw varieert van ca.
1000 m in de noordoostelijke Alpen tot ca. 2000 m in enkele
zuidelijk gelegen gebieden.
De veeteelt neemt in de Alpen bijzondere vormen aan. Daar de
dalbodem niet voldoende grasland oplevert, hebben zich vormen
ontwikkeld waarbij het rundvee gedurende de zomer naar hogere
weiden (zie alm) wordt overgebracht. Op de schraalste en hoogste
almen vormen schapen de veestapel. Akkerbouw en veeteelt zijn in
de 20ste eeuw sterk achteruit gegaan. De topografische
omstandigheden maken een moderne bedrijfsvoering vrijwel
onmogelijk, terwijl de toegenomen industrialisatie en het sterk
gegroeide toerisme aantrekkelijker en winstgevender vormen van
werkgelegenheid opleverden. Bovendien werkte de sterk verbeterde
toegankelijkheid van het Alpengebied de concurrentie vanuit
andere gebieden in de hand. De laatste decennia heeft zich in de
landbouw dan ook een sterke hoogtevlucht ingezet.
2 Bodemschatten
De mijnbouw is in de Oost-Alpen van meer betekenis dan in de
West-Alpen. De kolenhoudende zone in het oosten (vnl. bruinkool)
zet zich ook in de bekkens ten oosten van de Alpen voort. Van
betekenis zijn voorts de aan de Triasformatie in de noordelijke
Kalkalpen gebonden zoutlagen (plaatsnamen met ‘Salz’ of ‘Hall’).
Zoutmijnen zijn soms door pekelleidingen verbonden met minerale
badplaatsen (Bad Ischl, Bad Aussee, Bad Reichenhall).
De Alpen bevatten een grote verscheidenheid van mineralen, doch
de voorkomens zijn niet groot. De hoofdertszone is het gebied
van grauwacken en leigesteenten, waarin de vindplaatsen vaak
namen dragen met ‘Arz’, ‘Erz’ of ‘Reichen’. Hier worden vnl.
koper-, zilver- en ijzererts aangetroffen, dit laatste vooral in
Stiermarken (Eisenerz), waar het in dagbouw wordt gewonnen. In
de Kalkalpen van Zuid-Karinthië komen lood-, wolfraam- en
zinkerts voor, in de Hoge Tauern enig goud en in de zuidoosthoek
kwik (Idrija). Verbreid is de winning van steensoorten (marmer,
porfier), terwijl in de Kalkalpen op verscheidene plaatsen
cementfabricage wordt bedreven.
Talrijk zijn ook de minerale en thermische bronnen: zij liggen
vooral in het oostelijke en zuidelijke randgebied en omvatten
zowel zoutbaden en minerale baden (staalbaden van Sankt Moritz)
als thermische baden.
8.3 Industrie
Vanouds steunde de industrie in de Alpen op de plaatselijk
aanwezige grondstoffen en mogelijkheden. Zo vormde de
aanwezigheid van ijzererts, hout en waterkracht vooral in het
oosten de basis voor de ijzerindustrie. Aanvankelijk was deze
gebonden aan de bergstreken, daar de mechanische kracht voor de
ijzerbewerking door het stromende water van de bergrivieren
moest worden geleverd. De bouw van grote waterkrachtcentrales
(o.m. Genissat in Frankrijk, Grande Dixence in Zwitserland,
Limbergsperre in Oostenrijk) maakte enerzijds energie
transportabel en anderzijds werden dergelijke industriële
vestigingen minder aan een plaats gebonden. Veel zware industrie
heeft zich dan ook in de beter toegankelijke brede dalen kunnen
ontwikkelen. Daarnaast is energie zelf een belangrijk
exportproduct geworden. De bosbouw (m.n. in Zwitserland,
Zuid-Duitsland en Oostenrijk) vormt de basis voor de omvangrijke
hout-, papier- en celstofindustrie.
|