|
 De
Alpen zijn een onderdeel van een veel grotere gebergteketen. De
eigenlijke Alpen strekken zich uit van de Middellandse Zee ter
hoogte van de Frans-Italiaanse grens tot aan Wenen. Het
zuidelijk uiteinde loopt door in de Apennijnen; het oostelijk
uiteinde vertakt zich: één tak zet zich voort in de Karpaten, de
andere in de Dinarische Alpen. Daar het gebergte een grote boog
beschrijft, spreekt men ook wel van de Alpenboog.
In het noorden en westen wordt de Alpenboog begrensd door het
Molassebekken, een jong-Tertiair dalingsgebied waarin
afbraakproducten van de Alpen werden gedeponeerd. Dit bekken
volgt niet de hele boog, maar wigt ten noorden van Grenoble uit
als gevolg van het samenvloeien van de Juraketen met de
buitenste ketens van de West-Alpen, de zgn. Dauphinéketens. Aan
de binnenzijde van de boog ligt de Povlakte, eveneens een diep
bekken, gevuld met Tertiaire en Kwartaire sedimenten. In de
Alpenboog zelf worden van buiten naar binnen de volgende zones
onderscheiden: 1. Helvetische zone, ook wel Helvetiden of
Helveticum genoemd; 2. Penninische zone, ook wel Penniden of
Penninicum; 3. Oostalpine of Austro-alpine zone, ook wel
Austriden.
Buiten
hun horizontale situatie hebben de genoemde zones ook in
verticale zin een bepaalde ligging ten opzichte van elkaar. De
Oostalpine zone ligt op de Penninische zone, hetgeen bijv. te
zien is in het Tauern venster en oostelijk van de Rijn ten
noorden van Chur. Op zijn beurt ligt het Penninicum op het
Helveticum, zoals o.a. blijkt uit de klippen van de Pre-Alpen.
Deze superpositie is niet oorspronkelijk, maar het gevolg van
tektonische bewegingen waarbij de drie zones op elkaar geschoven
zijn.
In elk van de drie zones kunnen twee groepen gesteenten worden
onderscheiden: een pre-Permisch grondgebergte, hoofdzakelijk
bestaande uit kristallijne gesteenten die tijdens de Variscische
orogenese gevormd werden, en de hierop discordant afgezette
sedimenten van Permische, Mesozoïsche en Onder-Tertiaire
ouderdom.
1. De Helvetische zone
Deze bestaat uit:
a. kristallijne gesteenten, voorkomend in de externe
massieven, die van zuidwest naar noordoost de volgende namen
dragen: Mercantour, Pelvoux, Belledonne, Aiguilles Rouges, Mont
Blanc, Aar- en Gotthardmassief.
b. Permische, Mesozoïsche en Onder-Tertiaire sedimenten,
die discordant liggen op de kristallijne gesteenten.
Eerstgenoemde bestaan grotendeels uit kalkgesteenten en mergels,
en liggen voornamelijk ten noorden en westen van de externe
kristallijne massieven. In de West-Alpen vormen deze gesteenten
de subalpine of Dauphinéketens tussen Nice en het Meer van
Genève. Oostelijk van het Meer van Genève vormen ze het
Helveticum ss. In dit laatste gebied doet zich nu het
merkwaardige verschijnsel voor, dat er telkens herhalingen van
de stratigrafische opeenvolging voorkomen. Op de kristallijne
gesteenten van de externe massieven ligt discordant een deel van
het Mesozoïcum, het zgn. autochtoon; op de jongste lagen daarvan
ligt nu een pakket gesteenten, waarvan de onderste sedimenten
ouder zijn dan het bovenste gedeelte van het autochtoon: er
liggen dus oudere gesteenten op jongere. Tussen beide pakketten
ligt een overschuivingsbreuk (tektonisch contact). Aangezien
beide eenheden min of meer vlak liggen en een grote horizontale
uitgebreidheid bezitten, noemt men de bovenste, allochtone
eenheid een dekblad.
In de Helvetische zone liggen verscheidene dekbladen boven
elkaar. Het grootste deel van die dekbladen vertoont een normaal
liggende stratigrafische opeenvolging en alleen aan het front,
dwz. aan de noordzijde, komen ingewikkelder plooien voor met
omgekeerd liggende ondervleugels. In het westelijk deel van
Zwitserland onderscheidt men drie grote eenheden: van onder naar
boven het Morcles-, Diablerets- en Wildhorn-dekblad; in het
oostelijk deel kent men het Glarner-, Mürtschen-, Axen- en
Säntis-dekblad. Op de Helvetische dekbladen liggen op een aantal
plaatsen, en wederom met een tektonisch contact, sedimenten met
een ander karakter, weliswaar ook van Mesozoïsche ouderdom, maar
wat de faciës (zie faciës [aardrijkskunde]) betreft
verschillend. Het grootste gebied met deze gesteenten ligt
tussen de Arve en Thun, en heet de Pre-Alpen; kleinere stukken
ervan liggen in de buurt van de Vierwaldstättersee. Deze
geïsoleerde resten noemt men klippen; de tweetoppige Mythen bij
Schwyz is daarvan het typevoorbeeld. Uit vergelijking met
gesteenten van het Penninicum is gebleken dat de Pre-Alpen en de
klippen tot de Penninische zone behoren.
2 De Penninische zone
Deze ligt grotendeels aan de binnenzijde van de externe
kristallijne massieven. Evenals de gesteenten van de Helvetische
zone kunnen die van de Penninische in twee groepen worden
onderverdeeld, al is die onderverdeling op vele plaatsen minder
duidelijk. Een belangrijk verschil is dat de aard of faciës van
de Mesozoïsche sedimenten in het Penninicum verschilt van die
van het Helveticum. Bovendien komen basische en ultrabasische
magmatische gesteenten, dikwijls samengevat onder de naam
ofioliet, in de Penniden voor. De verschillen tussen beide zones
wijzen erop dat deze Mesozoïsche sedimenten niet in hetzelfde
bekken werden afgezet. De Penninische sedimentaire groep begint
met kwartsieten en kalken, soms vergezeld van gips, van
Triasouderdom; daarop volgt een eentonig, fossielarm pakket
schalies en kalkschalies, vermoedelijk grotendeels van
Jura-ouderdom en bekend onder de naam ‘Bündnerschiefer’ of
‘schistes lustrés’. Een tweede belangrijk verschil met de
Helvetische zone is dat de Penninische gesteenten bijna alle
metamorf zijn, dwz. de oorspronkelijke gesteenten zijn door
omkristallisatie ten gevolge van hoge temperatuur en druk van
mineralogische samenstelling veranderd. Bovendien is door de
evenwijdige rangschikking van die nieuwe mineralen een
schistositeit (zie schist) ontstaan. Niet alleen de Mesozoïsche
sedimenten, ook het pre-Mesozoïsche kristallijne grondgebergte
was aan deze metamorfose onderhevig, zodat hier, in
tegenstelling tot de Helvetische zone, de mineralen van alpine
en niet meer van Variscische ouderdom zijn. De schistositeit
ligt in het grootste deel van de Penniden vrij vlak of
horizontaal, maar buigt in het zuiden om tot een steile stand.
Dit gebied is de zgn. wortelzone. Ten zuiden daarvan eindigt de
Penninische zone.
Evenals in de Helvetiden is er in de Penniden van onder naar
boven een afwisseling van oudere en jongere gesteenten, echter
met dit verschil dat in het Penninicum ook gesteenten, behorend
tot het kristallijne grondgebergte, aan deze afwisseling
meedoen. Ook hier is blijkbaar sprake van dekbladenbouw. Elk
dekblad bestaat daar uit een plaat grondgebergte plus de
mesozoïsche bedekking. Men onderscheidt in het westelijk deel
van Zwitserland in totaal zes dekbladen; van onder naar boven
zijn dat: Antigorio-, Lebendun-, Monte-Leone-, Sint Bernard-,
Monte-Rosadekbladen en het ofiolietdekblad. Ten oosten van
Ticino hebben de bovenste eenheden andere namen, nl. Adula-,
Tambo-, Suretta-, Schams-, Margna-Sella en Plattadekblad,
waarvan de correlatie met de dekbladen van Valais gedeeltelijk
vaststaat. Zo komt bijv. het ofiolietdekblad bij Zermatt overeen
met het piattadekblad in Oost-Zwitserland. Het Antigorio-dekblad
is dus de diepst ontsloten overschoven eenheid die men in de
Alpen kent; daaronder ligt in het Antigorio-dal ten noordoosten
van Domodossola de graniet van Verampio, waarvan de tektonische
positie – autochtoon of allochtoon – niet bekend is. Een
dergelijk diep ontsloten deel van een orogeen of van een stelsel
van plooien noemt men een culminatie; in dit geval spreekt men
van de Tessiner culminatie.
In de Oost-Alpen komt de Penninische zone voor in twee zgn.
tektonische vensters: het Engadin en de Hoge Tauern. In het
eerstgenoemde gebied vindt men alleen Mesozoïsche gesteenten, in
het laatstgenoemde zowel het grondgebergte als de Mesozoïsche
bedekking. De gesteenten zijn geheel vergelijkbaar met het
centraal-alpine Penninicum en zij zijn eveneens alpien
gemetamorfoseerd. Beide vensters zijn geheel omgeven en waren
oorspronkelijk bedekt door kristallijne gesteenten van de
Oostalpine zone. Een smalle strook Mesozoïsch Penninicum tussen
de Helvetische en Austro-alpine zone ligt langs de noordrand van
de Oost-Alpen.
3 De Oostalpine zone
In de Centrale Alpen wordt het Penninicum door een grote breuk,
de Insubrische lijn, gescheiden van de Ivrea-Verbano-zone,
bestaande uit gneissen en granieten van Variscische ouderdom,
zonder alpine beïnvloeding. Naar het zuidwesten wordt deze zone
begrensd door de Sesia Lanzo-zone, die wel door de alpine
orogenese is getroffen, en die tezamen met het Dent
Blanche-dekblad tot de Oostalpine zone wordt gerekend.
Oostwaarts gaat de Ivrea-zone over in Bergamasker Alpen en de
Dolomieten, waar het Variscisch grondgebergte discordant door
zwak geplooide sedimenten en vulkanieten van vnl. Trias-ouderdom
bedekt is. In de Dolomieten is de Triadische Hauptdolomiet een
van de meest karakteristieke gesteenten. Vergelijkbare
gesteenten komen in een groot deel van Oostenrijk voor en vormen
daar de Oostalpine dekbladen, evenals de Penninische uit
Variscisch grondgebergte en een Trias-bedekking bestaande. De
laatste vormen de spectaculaire kalkgebergten van Allgäu en
Salzkammergut. Tijdens deze dekbladvorming is in tegenstelling
tot de Penninische zone weinig alpine metamorfose opgetreden.
|