|
Een
gedetailleerde beschrijving van het klimaat van de Alpen kan
moeilijk worden gegeven, omdat de plaatselijke invloeden
bijzonder sterk zijn. Deze hangen van diverse omstandigheden af,
zoals de hoogte, de ligging, in een dal of tegen een helling,
waarbij het verder van belang is of het dal noord-zuid, dan wel
oost-west loopt en in welke richting de helling ligt. Als gevolg
van dergelijke uiteenlopende situaties kunnen de klimaten van
dicht bij elkaar liggende plaatsen sterk verschillen. Toch
kunnen wel enkele betrekkelijk algemeen geldende klimatologische
kenmerken worden aangegeven.
1 Winter
's Winters bevindt zich boven de Alpen veelal een gebied van
hoge luchtdruk, dat in het algemeen wordt versterkt door de lage
temperaturen in het gebergte. Onder deze omstandigheden vindt,
met name gedurende de nacht, door uitstraling sterke afkoeling
plaats, vooral in de dalen. Een gevolg is, dat de temperaturen
daar dan belangrijk lager zijn dan op enige hoogte langs de
hellingen. Door de lage temperaturen ontstaan in die dalen dan
vaak mist en laaghangende wolken, terwijl daarentegen de hoger
gelegen gedeelten van de hellingen en ook de toppen geheel vrij
van wolken zijn. Dit is o.a. een gevolg van de dalende beweging
die de lucht in een hogedrukgebied gewoonlijk ondergaat.
2 Zomer
In de zomermaanden ligt de hoge druk in het algemeen iets verder
naar het noorden. Door de zonnestraling bereikt de temperatuur
in de dalen, vooral in die welke naar het zuiden open liggen,
althans overdag hoge waarden, terwijl het langs de hellingen
betrekkelijk koel blijft. De atmosfeer wordt daardoor onstabiel,
warme lucht stroomt tegen de hellingen omhoog en als gevolg
daarvan vormen zich langs deze hellingen en om de toppen wolken,
die eventueel kunnen uitgroeien tot cumulonimbus waarin buien en
onweer tot ontwikkeling komen, die na enige tijd ook tot de
dalen kunnen doordringen. Uit het bovenstaande volgt, dat 's
winters op grote hoogte in het algemeen meer zonneschijn zal
worden aangetroffen dan in de dalen, terwijl 's zomers juist de
hoger gelegen plaatsen de minste zonneschijn zullen hebben.
Lente en herfst vormen overgangsjaargetijden waarin er weinig
verschil tussen hoog en laag gelegen plaatsen bestaat wat de
zonneschijnduur betreft.
3 Temperatuur
Met betrekking tot de temperatuur kan men stellen, dat het 0,58
°C kouder wordt per 100 m hoogtetoename. Op 1000 m hoogte hebben
ca. 200 dagen per jaar een gemiddelde temperatuur van ten minste
5 °C, terwijl op 2000 m hoogte dit nog bij ca. 125 dagen het
geval is.
4 Neerslag
Neerslag is meestal gebonden aan storingen, die hetzij ten
noorden, hetzij ten zuiden van de Alpen van west naar oost
trekken. Een gevolg hiervan is, dat de totale neerslag in deze
richting in het algemeen afneemt. Door stuw valt de neerslag
vooral tegen de berghellingen, met name tegen de noord- en
zuidhellingen. De dalen en speciaal de lengtedalen zijn daardoor
relatief droog. De minste neerslag valt in het dal van de Rhône,
minder dan 600 mm per jaar; tegen de hellingen van de Walliser
Alpen, op een afstand van hemelsbreed ongeveer 30 km, wordt
ongeveer de grootste neerslag uit het gehele gebied
aangetroffen, meer dan 3200 mm. In hoeverre de neerslag als
sneeuw of als regen valt, hangt geheel af van de temperatuur. In
de zomer bestaat de neerslag vaak in de hogere niveaus uit
sneeuw, beneden uit regen. In het zuidelijk gedeelte van de
Alpen valt de neerslag vooral in de vorm van hevige buien met
een maximum in het najaar. In het noordelijk gedeelte is de
neerslagintensiteit gewoonlijk kleiner maar duurt de neerslag
langer, met name gedurende de winter. Hoewel in de zomer ook
daar buien voorkomen, is de veranderlijkheid van de neerslag van
jaar tot jaar er toch gewoonlijk kleiner dan in het zuiden.
5 Winden
De winden zijn in de Alpen in het algemeen zwak. Plaatselijk kan
echter de lucht met grote snelheid over de passen en door
gunstig gelegen dalen stromen. Een bekend voorbeeld is de
Tauernwind, een koude noordelijke wind ten noorden van Lienz.
Overigens treft men in de dalen gewoonlijk een dagelijkse gang
van de windrichting aan, waarbij de lucht overdag dalopwaarts
stroomt en 's nachts in de tegengestelde richting (zie berg- en
dalwind).
Een opvallend windverschijnsel is de föhn, die als warme valwind
grote snelheden kan vertonen en in het algemeen een sterk buiig
karakter heeft. Men kan onderscheid maken tussen noordföhn en
zuidföhn, resp. een noordelijke wind die vooral in de zuidelijke
en een zuidelijke wind die vooral in de noordelijke Alpendalen
voorkomt. De laatste is het meest opvallende verschijnsel omdat
hij tot de sterkste temperatuurstijgingen aanleiding geeft, vaak
10 °C binnen 24 uur, in extreme gevallen zelfs meer dan 20 °C.
Noordföhn is in het algemeen iets frequenter dan zuidföhn. Zo
komt de eerste plaatselijk in de zuidelijke Alpen op ruim 70
dagen per jaar voor, terwijl zuidföhn gewoonlijk op 30 tot 50
dagen per jaar wordt waargenomen. Föhn komt het meest in het
voorjaar voor, ongeveer 35% van het totaal aantal gevallen.
Tijdens föhnsituaties ontwikkelen zich aan de lijzijde van de
bergruggen vaak lenticulariswolken, die gewoonlijk neerslag
binnen 24 uur aankondigen.
6 Klimaatscheiding
Het belangrijkste klimatologische aspect van de Alpen is zonder
twijfel het feit, dat zij door hun west-oost-ligging als
klimaatscheiding tussen Centraal Europa en het
Middellandse-Zeegebied fungeren. Speciaal geldt dat koude (en
dus zware) uit de poolstreken afkomstige lucht op haar weg naar
het zuiden door de gemiddeld ongeveer 2000 m hoge muur wordt
tegengehouden of althans afgeremd. Hier ligt een van de
belangrijkste oorzaken voor het klimaatverschil tussen bijv. de
Verenigde Staten en Zuid-Europa. Vergelijk New York en Napels,
beide op ca. 41° breedte, met juli- en januaritemperaturen van
23 en 24 °C, resp. -1 en +8 °C. Voor zover koude polaire lucht
toch tot het Middellandse-Zeegebied doordringt, stroomt zij
gewoonlijk ten westen van de Alpen naar het zuiden.
|