|
Reeds
vóór
de Romeinen bestond in de Alpen een netwerk van voetpaden,
die voor de plaatselijke communicatie dienden, doch waarvan de
Romeinen op hun militaire tochten gebruik moeten hebben gemaakt.
De door deze laatsten aangelegde wegen (o.a. over Mont Genèvre,
Kleine en Grote Sint-Bernard, Brenner) volgden de oude paden en
werden ook later herhaaldelijk gebruikt. Omdat de rivierdalen
dikwijls nog moerassig waren, legden de Romeinen de wegen een
eindweegs tegen de helling op en hielden de zonzijde van de
dalen. Passen werden in steile stijgingen zonder haarspelden
overwonnen; deze laatste werden eerst gebruikelijk, toen het
vervoer per as toenam. Met de verlegging van de zwaartepunten
van handel en politieke macht ging het verkeer over sommige
wegen achteruit, terwijl dat over andere toenam (o.m. die over
de Semmering-Norische Alpen en Karawanken en de ‘schuine
doorsteek’ Wenen-Venetië). In de 16de en 17de eeuw vervielen
vele paswegen door het afnemend handelsverkeer tussen Duitsland
en Italië; slechts als postweg bleven enkele in gebruik. In
Napoleons tijd waren slechts de wegen over de Semmering,
Radstädter Tauern en Brenner bruikbaar, reden waarom op zijn
bevel wegen over de Mont Cenis, Mont Genèvre en Simplon werden
gebouwd. Pas in de 19de eeuw werd, naar napoleontisch voorbeeld,
een aantal grote paswegen gebouwd; in de 20ste eeuw werden o.m.
de Grossglockner-Hochalpenstrasse en de nieuwe autoweg over de
Brenner gebouwd. In de dalen werd het wegennet snel verbeterd,
niet het minst in verband met het sterk toenemend (zomer- en
winter)toerisme, dat ook openlegging van de kleinere zijdalen
voor het autoverkeer vereiste. Later werden de grote autoroutes
niet meer over (des winters vaak gesloten) paswegen, doch door
autotunnels geleid, o.a. Mont Blanctunnel (1964), Grote
Sint-Bernard (1964), San Bernardino (1967), Felbertauern (1967)
en St. Gotthard (1980).
De spoorwegen, die oorspronkelijk via de dalen het Alpengebied
binnendrongen, begonnen in de tweede helft van de 19de eeuw de
passen te overschrijden, eerst nog over de passen zelf (Brennerbahn,
1864–1867), later via tunnels door het gebergte, ongeveer
parallel met de pas (Sint-Gotthard, Mont Cenis). Ter overwinning
van het hoogteverschil werden keertunnels aangelegd; baanvakken
die veelvuldig door lawines worden bedreigd, werden door tunnels
of afdaken beveiligd. Om dit gevaar definitief te ontgaan,
bouwde men de nieuwere tunnels op lager niveau en met lange
aanlooptunnels (Simplon-, Tauern-, Karawankentunnel). In latere
jaren heeft de bouw van wegen die van spoorwegen overvleugeld,
speciaal bij de openlegging van de Alpendalen.
|