| |
De
alpensneeuwhoen of lagopus mutus
Een standvogel. Iets groter dan de patrijs. In de zomer bruin met witte
(meestal alleen in de vlucht zichtbare) vleugels, witte onderkant en wit
bevederde klauwen. In de winter zijn beide geslachten helemaal wit met een
zwarte staart. De geslachten kunnen het best onderscheiden worden aan de
rode verdikking boven de ogen (rozen), die bij het vrouwtje veel minder
geprononceerd is. In de winter heeft alleen het mannetje een zwarte
oogstreep. Bij de jongen zijn ook de vleugels en de hele staart bruin.
Sterk overeenkomend met het Noordeuropese moerrassneeuwhoen.
Verspreiding en woongebied : Noord-Europa, Alpen en Pyreneëen. In de Alpen
boven de kromhoutgrens in het rotsachtige gebied. Voortplanting :
komvormig nest verborgen tussen stenen en kleine struikjes. De zes tot
negen roomkleurige tot roodbruine eieren zijn bedekt met talloze kleine
bruine en zwarte vlekjes; ze worden meestal in juni gelegd en aansluitend
20-24 dagen bebroed door het vrouwtje. De jongen verlaten al na één dag
het nest en worden tot in de herfst door beide ouders gevoed. Voedsel :
bijna uitsluitend vegetarisch : knoppen, bladen, zaden en bessen. |
|
|
|
|
|
|