|

Vanwege hun zware bepantsering zou je een
ankylosaurus misschien nog het beste een levende tank kunnen noemen. Uit Noord-Amerika en
Azië zijn ze goed bekend, maar in Zuid-Amerika ligt dat anders. Pas tegen het eind van het
Krijt kwamen daar de eerste ankylosaurussen vanuit Noord-Amerika aan. Veel fossielen zijn
er niet van bewaard gebleven. Pootafdrukken uit Bolivia en wat botresten uit Argentinië is
alles wat er van deze groep in Zuid-Amerika gevonden is. De naam komt uit het Grieks en
heeft betrekking op de aan elkaar gegroeide bepantsering: ankylo = gefuseerd, aan elkaar
gegroeid; saurus = hagedis.
De meeste ankylosaurussen werden niet groter dan vijf meter; de allergrootste soorten
haalden een meter of tien. Ankylosaurussen hadden vier korte pootjes - de
achterpoten wat langer dan de voorpoten - net als de stegosaurussen. Snelle renners waren
het zeker niet, maar met zo'n zwaar harnas was dat ook niet nodig. De
normale loopsnelheid zal rond de drie kilometer per uur gelegen hebben; opgejaagd kwamen
ze met geen mogelijkheid boven de tien kilometer per uur uit.
Ankylosaurussen waren planteneters. Sommige soorten hadden een smalle bek, waarmee ze heel
kieskeurig hun kostje bij elkaar scharrelden. Andere soorten hadden een veel bredere bek,
waarmee ze complete planten naar binnen schrokten.
Net als bij stegosaurussen stellen ook bij ankylosaurussen de tanden niet zoveel voor.
Meer dan het voedsel een beetje fijnsnoeien konden ze er niet mee. Door twee grote botten
achterin de bek weten we wel dat ze een krachtige tong hadden. Van echt goed kauwen was
bij deze dino's waarschijnlijk geen sprake. Dat was niet nodig ook, want ze beschikten
over een reusachtig spijsverteringsapparaat waarin ook slecht gekauwd voedsel goed
verteerd kon worden. Bij sommige ankylosaurussen zijn maagstenen gevonden die hielpen bij
het fijnmalen van het voedsel, maar dat was niet bij alle ankylosaurussen het geval. Er
zijn ook complete skeletten bekend waarbij geen enkele maagsteen werd aangetroffen.
Het zware pantser bedekte de hele rug, nek, keel, staart en vaak ook nog de bovenkant en
zelfs de zijkant van de kop. Het harnas is gemaakt van botplaten die in de huid zitten.
Sommige botplaten zijn uitgegroeid tot enorme punten. Geen vleesetende dino die zo stom is
om daar bovenop te springen. Een deel van de puntige uitsteeksels van het
ankylosauruspantser was misschien meer als versiering bedoeld dan als verdediging.
Sommige ankylosaurussen hadden een lange zwiepstaart met een grote knots aan het uiteinde.
Ze konden niet rennen, maar de meeste vleesetende dinosauriërs zullen zich wel twee keer
bedacht hebben voordat ze een moeilijke prooi als de stevig gepantserde ankylosaurus met
een gevaarlijk zwiepende staart aanvielen.
Er zijn niet zo veel fossielen van ankylosaurussen bekend, maar alles wijst er
op dat deze dieren niet in kuddes leefden.
|
|