| |
Van alle vinken van Europa heeft de Appelvink
de dikste snavel. Door vorm, kleur en gedrag lijkt deze vogel de clown onder de vinken. Door zijn zware kop
en korte staart lijkt hij bijna te zullen omvallen. In alles is duidelijk, dat hij een groot specialist is.
Specialisten vereisen meestal speciale leefomstandigheden. Dat is ook met de Appelvink het geval. Hij wordt
heel weinig gezien. Mede daardoor hangt er een waas van geheimzinnigheid rond zijn bestaan.
Van de Appelvink zijn kleurige volksnamen bekend zoals dikbek,
koningsvink, kersevink, kernbijter, kierseknieper en
appelfretter. Deze namen wijzen er op, dat het leven van de
Appelvink niet aan de mens is voorbijgegaan. Gedacht wordt
meteen aan de bouw en het gebruik van de snavel. Maar
wonderlijker nog dan de ongeproportioneerde snavel is de
versterkte bouw van de schedel zelf, de inrichting van het
gehemelte en de ontwikkeling van de kaak- en nekspieren waardoor
de kop opvallend dikke wangen vertoont en de hals op een forse
stierenek lijkt. De snavel werkt als een ouderwetse notenkraker.
Hij kan binnen enkele seconden een harde kersepit of de nog
hardere pit van een olijf kraken. Daartoe wordt de pit op een
vaste wijze tegen twee gegroefde, bolle steunplaten van het
gehemelte geklemd, wordt de ondersnavel tegen de bovensnavel
gedrukt door een kauwspier die, al naar gelang de hardheid van
de pit, een kracht van 25 tot 70 kg kan uitoefenen, terwijl het
bijzonder ingerichte kaakgewricht onderwijl alle tegenkracht kan
opvangen, om de pit te doen splijten. Met een krachtige beweging
van de korte, op die van een papegaai gelijkende tong wordt het
omhulsel links en rechts uitgespuwd, waarna de kern kan worden
stukgeknabbeld en doorgeslikt. De genoemde krachten zijn in 1955
door de Engelsman R.W. Sims berekend, op verzoek van de bekende
natuurbeschermer en mede-auteur van Peterson's Europese 'Field-Guide',
Guy Mountfort. Laatstgenoemde schreef een aantrekkelijk boek
over de Appelvink (1957).
Het is wonderlijk zich te trachten voor te stellen hoe en onder
welke drang de super-gespecialiseerde snavel van de Appelvink is
ontstaan. Vooral als men bedenkt, dat de Appelvink lang niet het
hele jaar door over harde steenvruchten kan hebben beschikt. In
zijn huidige menu zijn belangrijk de pitten van wilde en
gekweekte kersen, pruimen, haag- en sleedoorn en talrijke andere
vruchten en zaden, waaronder soms zelfs denne- en sparrezaden.
Hij eet daarvan alleen de kern van de harde pitten en versmaadt
het omhullende zachte vruchtvlees. In de zomer eet hij ook veel
insecten. In onze streken zijn dat vaak de rupsen van de Groene
Eikebladroller en de Kleine Wintervlinder (R.G. Bijlsma) en die
zijn het tegendeel van hard en zacht als het bladmoes zelf.
Insecten zijn ook het voornaamste voedsel voor de jongen.
Appelvinken zoeken vooral afgevallen vruchten. Zij gedragen zich
daarbij als echte grondvogels, vaak op beschutte plekjes in een
bos, maar ook aan bosranden en op grasgazons, soms in troepjes
bijeen. Dan kan hun aanwezigheid aan het onafgebroken droge
geknap van vruchtpitten al op enige afstand worden opgemerkt.
Voor het overige zijn Appelvinken geheimzinnig stille vogels,
die zich bedachtzaam bewegen en roerloos vanuit boom of struik
afwachten tot alles veilig is, voor hij zich op de grond wagen.
Als zij op de bosbodem bezig zijn, hebben zij de naderende mens
meestal opgemerkt voor deze hen heeft kunnen verrassen. Met een
alarmerend 'tsiek' zijn zij pijlsnel, in soms bijna loodrechte
vlucht, in het hoge gebladerte of tussen de takken verdwenen.
Z'o ontmoet de vogelwaarnemer hen het meest. Teruggetrokken en
stil zijn de kenmerken van het leven van de Appelvink. Weliswaar
bont gekleurd, valt hij in de boomkruinen nauwelijks op. Daarbij
is het verenkleed van het vrouwtje even bont en kleurrijk als
dat van het mannetje. Wat gaf haar daartoe de gelegenheid,
terwijl de Vink, die wij 'gewone' Vink noemen, zo'n bescheiden
dameskleed heeft? Bij dat alles is de zang meer dan bescheiden.
Weinig vogelaars hebben die gehoord, laat staan dat zij hem in
het ochtend- en avondkoor van de lentezangers weten te
herkennen. Toch moet de zang in de tijd van de voortplanting een
functie hebben, evenals de brede, fraai uitgesneden randen van
de binnenste vier grote slagpennen, een structuur, die bij geen
andere vink wordt aangetroffen. Opvallend zijn Appelvinken
alleen wanneer zij als jonge vogels pas zijn uitgevlogen en met
veel geroep en uiterlijk vertoon hun verblijfplaats aan de
ouders bekend maken om door hen te wordden gevoerd. Het is de
gevaarlijkste periode in hun leven en vele vallen dan ook aan
vooral Sperwers ten prooi. Het is onbegrijpelijk , dat in de
overigens zo efficiënte leefwijze van de Appelvink zo'n zwakke
plek kan blijven bestaan.
Als sterk gespecialiseerde vogel is de Appelvink op slechts
weinig plaatsen talrijk. Dat is het geval hier en daar in
Zuid-Oost-Europa, Turkestan en Oost-Azië. Vooral 's Winters
kunnen daar vluchten van tientallen of honderden optreden.
Misschien was dat vroeger in Europa ook het geval, toen er nog
uitgestrekte oude bossen met beuken, eiken en bes- en
steenvruchtdragende struiken in de ondergroei en ook zware
rivierbossen waren. Nu lijkt in West-Europa de stand er op en
neer te gaan, maar dat is moeilijk te verifiëren, want
Appelvinken zijn in de broedtijd nauwelijks nauwkeurig te
tellen. Soms wordt hun broeden, en zelfs hun aanwezigheid, pas
achteraf vastgesteld, als na de bladval in het najaar hun
slordige nesten aan het licht komen. In het moderne cultuurland
dreigen zij aan hun specialisme te gronde te gaan. Sperwers
worden door het verbrokkelde cultuurland bevoordeeld. De door
hen veroorzaakte nazomer-aderlating zou voor het voortbestaan
van de Appelvink wel eens te groot kunnen zijn of worden. Zo is
de Appelvink een vat van ornithologische tegenstrijdigheden, die
in strijd tegen zijn eigen ongerijmdheden slechts moeizaam vol
weet te houden. |
|
|
|
|
|
|