Het
woord Archaeopteryx komt van het Grieks ( archaios = oud, pterux =
vleugel), en is de naam voor de resten van een fossiele
vogel die gevonden werden in de lithografische kalksteen
van Solnhofen in Beieren (Boven-Jura ). Deze vogel (ter grootte
van een flinke kraai) verschilde van de huidige vogels door het
bezit van reptielachtige kenmerken zoals: een lange uit
niet-vergroeide wervels opgebouwde staart, klauwen aan de drie
vrije vingers van de voorste ledemaat en echte tanden. Voorts zijn
de beenderen niet hol, zoals bij de huidige vogels. Toch zijn er
argumenten, deze resten te rekenen tot de vogels, en wel de
aanwezigheid van veren (zelfs op de staart), de in het midden
samengegroeide sleutelbeenderen, die een vorkbeen vormen en het
naar achteren gerichte verlengde schaambeen.
Er zijn thans zes exemplaren van dit ongeveer 130 miljoen jaar
oude fossiel bekend. De eerste vondst in 1860 was de afdruk van
een vogelveer, die door von Meyer in 1861 werd beschreven als
Archaeopteryx lithographica. Nog in datzelfde jaar werd een
skeletafdruk gevonden zonder schedel en beschreven als
Archaeopteryx macrura. Dit fossiel bevindt zich in het Brits
Museum te Londen en is door J.A. Wagner beschreven. De derde
vondst werd gedaan op de Blumberg bij Eichstätt en werd beschreven
door W.B. Dames. Dit fossiel, vrijwel volledig, bevindt zich te
Berlijn. Het werd beschreven onder de naam Archaeornis, maar is
zeer verwant aan of identiek met Archaeopteryx. De vierde vondst
werd in 1956 gedaan bij Langenaltheim, eveneens in de plaatkalk
van Solnhofen, en eerst in 1959 beschreven door Heller. Het betrof
hier een slecht bewaard gebleven exemplaar. Ten slotte zijn nog
een vijfde en zesde vondst uit het Jura beschreven, ook uit
Solnhofen. De zesde vondst is lang onder de naam Compsognathus in
een particuliere verzameling bewaard geweest. |
|
|
|
|
|
|
|