De
grote beer is één van de bekendste vertegenwoordigers van de
Arctiidae of beervlinders, een vlinderfamilie met zo'n
achtduizend soorten.
De grote beer komt voor in Europa, Azië en Noord-Amerika.
Vrouwtjes leggen hun eitjes op allerlei planten, zoals lage
heesters, brandnetel en zuring. De rupsjes zijn dichtbehaard.
Daaraan heeft de vlinder zijn naam te danken. In een jong
stadium overwinteren ze. In het voorjaar verpoppen ze in een
cocon, waarin de irriterende haren van de rups verwerkt zijn. De
vleugels van de grote beer hebben een spanwijdte van zes tot
zeven cm. Ondanks hun grootte vallen de vlinders niet op zolang
ze stil blijven zitten. Bij verstoring tonen ze hun vuurrode
achtervleugels. Het laten zien van dergelijke felle kleuren
schrikt de meeste belagers af. De vlinders hebben geen
ontwikkelde monddelen en nemen geen voedsel op.