header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Argentinië

 

Terug naar overzicht Zuid-Amerika >>

 

 

Argentinië, officieel: República Argentina, republiek in zuidelijk Zuid-Amerika, 2.766.889 km2, met 34,3 miljoen inw. (12 inw. per km2); hoofdstad: Buenos Aires (geplande nieuwe hoofdstad: Viectma). Buiten het continentale gebied bezit Argentinië geen territoria, doch het doet aanspraken gelden op de Falklandeilanden (Islas Malvinas), South Georgia, de South Orkney Islands (Orkadas del Sud), alsmede op een sector van het Antarctisch continent, in totaal ca. 1,23 miljoen km2. Bovendien meent het recht te hebben op de voor de oostkust liggende platzee of continentaal plat (Mar Argentino). Munteenheid is de Argentijnse peso, verdeeld in 100 centavos. Nationale feestdagen zijn 25 mei en 9 juli.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Met uitzondering van Patagonië maakt Argentinië deel uit van het reusachtige Paraguay-Paraná-La Platabekken (3, 2 miljoen km2), geologisch een dalingsgebied tussen de Andes en het zgn. Braziliaanse Schild (zie Zuid-Amerika). Het is een overwegend laag en vlak gebied dat grotendeels wordt ingenomen door de zgn. Pampaformatie, een 30-50 m dik pakket van in hoofdzaak kwartaire afzettingen van merendeels eolische herkomst (fijn zand, löss, vulkanisch stof) of door fluviatiele afzettingen (leem, klei, mergel). Daar het materiaal in hoofdzaak van de Andes afkomstig is en de ontwatering vnl. naar het zuiden is gericht, vertoont het vrijwel volkomen vlakke gebied een zeer geleidelijke afhelling van de voet van de Andes (ca. 300-500 m) naar de Paraguay-Paranávlakte (100-25 m). Deze vlakte omvat allereerst de Pampa (Quechua-woord voor vlakte), groot ca. 350.000 km2, die als het kernlandschap van Argentinië kan worden beschouwd. Met uitzondering van de zgn. 'golvende Pampa' langs Paraná en La Plata en het 'geologische venster' van de Sierra de la Ventana (1243 m) in het zuiden is het gebied volkomen vlak. Zonder scherpe overgang in reliëfvormen gaat de Pampa in het noorden over in het Chaco-gebied, waarvan de Chaco Austral en (ten noorden van de Bermejo en de Teuco) de Chaco Central tot Argentinië behoren; ook dit gebied is vrijwel geheel vlak. Anders is dit met het langgerekte gebied tussen Paraná en Uruguay; Entre Rios of Mesopotamia argentina, dat uit een laag berg- en heuvellandschap ( 'heuvel-pampa' of cuchillos) bestaat, in het noorden overgaand in het berggebied van Misiones. Ten oosten van de Pampa sluit zich het eveneens overwegend vlakke, doch wat hoger liggende gebied van de Monte (200-500 m) aan, waarvan het droge zuidelijke deel wordt aangeduid als 'Pampa Seca' (droge Pampa). Vooral in het noorden is dit Monte-gebied doorschoten met talrijke langgerekte, naar het zuiden toe lager wordende bergketens, de zgn. Pampine Sierras, waartussen zich een aantal bekkenlandschappen (Bolsones), vlakten (Campos, Llanos) en talrijke zoutmoerassen (Salinas) en salpeterhoudende Salitrales bevinden. De langgerekte Sierra de Córdoba begrenst dit gebied, dat in het noorden overgaat in de hoogvlakte van de Puna Argentina.
Ten zuiden van de Río Colorado ligt Patagonië, een landschap vnl. gevormd door een reeks trapsgewijze van de Andes naar de Atlantische Oceaan afdalende hoogvlakten (Mesetas), in oost-westrichting doorsneden door diepe, canyon-achtige rivierdalen (Cañadones), en tegen de kustvlakte afbrekend met steile, 50-150 m hoge randen. Het gebied telt talrijke afvoerloze bekkens met zoutlagunes of -moerassen.
Langs de gehele westzijde van het land vormen ten slotte de oostelijke hellingen van de Andes de slechts op weinig punten overschrijdbare grensmuur met Chili (Uspallata Pas, Paso Copahue). In het noorden is deze zone verreweg het breedst en vormt daar de hoogvlakte van de Puna Argentina, die zich zuidwaarts oplost in de Pampine Sierras.
1.2 Klimaat
De verscheidenheid van klimaten die men in Argentinië aantreft, wordt in hoofdzaak bepaald door de grote uitgestrektheid in noord-zuidrichting, van 22° tot 55° Z.Br., en door de aanwezigheid van het Andesgebergte langs de westkust van Zuid-Amerika. Het noordoosten van het land is vochtig en warm. Buenos Aires, dat ongeveer midden in dit gebied ligt, heeft een gemiddelde jaarlijkse temperatuur van 16 °C, een julitemperatuur van 9 °C en een januaritemperatuur van 23 °C. De jaarlijkse neerslag bedraagt er ongeveer 940 mm. Verder naar het zuiden dalen de temperaturen tot een jaargemiddelde van ca. 5 °C op Stateneiland.
Van de Atlantische kust naar het westen komt het land steeds meer onder de invloed van het gebergte, waardoor de neerslag afneemt, aangezien de overwegend noordwestelijke winden van gematigde breedte de meeste neerslag aan de westkust van Chili doen vallen. Het westelijk gedeelte van Argentinië heeft dan ook hier en daar een duidelijk woestijnklimaat. Naarmate het continent in zuidelijke richting smaller wordt, wordt het door het woestijnklimaat in beslag genomen gedeelte relatief breder.
Argentinië kent twee bijzondere windfenomenen die beide worden veroorzaakt door langstrekkende depressies. De warme, vochtige zonda voert als noordelijke wind tropische lucht aan aan de voorzijde van een depressie. De koude pampero, zo genoemd omdat de uit het zuiden aangevoerde lucht veelal stof meevoert uit de pampa's, wordt gekenmerkt door krachtige rukwinden die optreden tijdens het passeren van het koufront van de depressie en is derhalve vooral gevaarlijk voor kleine schepen.
1.3 Afwatering
Het noorden wordt ontwaterd door een van de grootste stroomsystemen van de aarde: dat van de Paraná-Paraguay-Uruguay, waarvan het brongebied grotendeels wordt gevormd door het bergland van Brazilië, in geringere mate ook door de Andes. Paraná en Paraguay verenigen zich bij Corrientes tot een 2-5 km brede, troebel-gele rivier, die bij Buenos Aires met een sterk vertakte delta in de brede, vrijwel geheel uit zoetwater bestaande mondingsbocht van de Río de la Plata uitmondt. Ook de voor de scheepvaart veel minder belangrijke Uruguay stroomt hierin uit. Een groot aantal rivieren vloeit min of meer concentrisch naar de hoofdrivieren toe. Grote delen van de Pampa zijn rivierarm; Mesopotamië (Entre Rios) daarentegen bezit een dicht net van fijnvertakte rivieren. Alle rivieren ten zuiden van het Paraná-systeem ontspringen in de Andes; voor de scheepvaart hebben zij geen betekenis. Door het droge karakter van het binnenland verliezen talrijke van de Andes komende rivieren te veel water om goed ontwikkelde stroomsystemen te kunnen onderhouden, maar vormen in de vele bekken- en schotelvormige gebieden zoute moerassen (salinas), lagunes en meren zonder afwatering. De meren van Argentinië liggen voor het merendeel in de Andes, enkele in Patagonië (Lago Musters, Lago Colhué Huapi, enz.).
1.4 Plantengroei
De grote verschillen die voorkomen tussen de diverse vegetatietypen in Argentinië worden vooral bepaald door klimaatsfactoren als temperatuur en regenval, die onder meer samenhangen met de geografische breedte en de hoogte boven zeeniveau. In het algemene beeld past evenwel niet de boomloze, subtropische grassteppevegetatie van het Pampagebied, omdat het humide karakter eerder dichte wouden zou doen verwachten. De door de mens ingevoerde bomen blijken hier goed te gedijen; bovendien is het aangrenzende gebied van de benedenloop van de Paraná tot aan Uruguay een woud- en moerasgebied. Als natuurlijke bodembedekking heeft de pampagrasvegetatie (hardgrassoorten of pasto duro op droge bodems, de echte pampagrassoorten of pasto tierno op de lossere bodems en de zoutminnende grassoorten van de pasto agrio op de moerassige bodems van de afvoerloze gebieden) vooral in het centrale gebied grotendeels plaats gemaakt voor akkerland en luzerneweiden. Westelijk van de lijn van ca. 550 mm neerslag per jaar gaat de vegetatie van de Pampa Umida (vochtige Pampa) over in de doorn- en succulentensteppe van de Argentijnse Monte, die in het noorden sterk met cactussoorten is doorschoten en in het zuiden vnl. bestaat uit harde, borstelige of in polstervorm optredende grassoorten, ook bekend als chañar en espinal. Dit vegetatietype vindt men in het gehele gebied van de Pampa Seca (droge Pampa) en dat van de Bolsones en Pampine Sierra's. Ten zuiden van de Río Colorado gaat deze vegetatie over in die van de verwante Patagonische struik- en grassteppen, die in het westen soms halfwoestijnkarakter krijgen. Noordwaarts gaan Pampa en Monte geleidelijk over in het Chaco-woudgebied, bij alle plaatselijke verschillen hoofdzakelijk een schraal droogtewoud van ongelijke dichtheid. Karakteristiek zijn hier de zgn. flessenboom (Chorisia), talrijke succulenten en voorts de quebracho (Aspidosperma), door zijn harde hout en hoog tanninegehalte (looistof) economisch belangrijk. Het woudgebied van Entre Rios heeft een verwant, doch lager woudtype en ook woudsavannes; in beide gebieden komen palmen voor. Het woudgebied van Misiones is geheel van het soortenrijke tropische type. Economisch van betekenis is daar de boomsoort die de tungolie levert. Ook in het noordwesten van het land ligt, in het oostelijk deel van de Andes, een subtropisch regenwoudgebied. In het uiterste noorden vindt men op de oostelijke hellingen van de Andes van Tucumán beneden 1200 m tropisch bos. Ten zuiden van ca. 35° Z.Br. zijn de Andeshellingen bedekt met loofwoud en gemengd woud van de gematigde breedten. In de hoge Andes en met name in de Puna Argentina in het uiterste noorden heerst de Punavegetatie, die uit dwergstruiken, doornstruiken en kussenvormende soorten bestaat. Ook de Paramovegetatie treedt hier op. Deze alpine gordel van de Andes is zeer breed (de sneeuwgrens ligt hoog) en herbergt diverse endemische groepen.
Zuid-Patagonië behoort tot het Antarctische gebied.
1.5 Dierenwereld
Door de grote lengte van het land omvat Argentinië alle klimaten van tropisch tot (sub)antarctisch met de bijbehorende dierenwereld. In Noord-Argentinië komen bijv. 55 soorten slangen voor, in het zuiden slechts één en in het uiterste zuiden geen enkele meer. De fauna van het Pampagebied is weliswaar door de opdringende akker- en weidebouw zowel numeriek als in soortenrijkdom sterk achteruitgegaan, maar niettemin hebben enkele typische soorten stand weten te houden, o.a. de nandoe, een loopvogelsoort, en het pampahert; voorts enkele soorten uit de patrijsachtigen en andere hoenderachtigen. Talrijk zijn de knaagdiersoorten, waarvan verschillende zeer schadelijk zijn voor de landbouw. Gevreesd om de enorme schade die zij aanrichten zijn voorts de veelvuldige sprinkhanenzwermen.
De dierenwereld van Chaco en Monte is, mede door de ongunstige levenscondities, niet zeer rijk aan individuen, doch wel aan soorten. Met name in de galerijwouden en moerassen houden zich vele diersoorten op, terwijl in droogteperioden vele dieren van elders op het water afkomen. Vele soorten zijn over grote gebieden verbreid (manenwolf, vossen, moerashert, gordeldieren en opossums). Daarentegen zijn andere soorten aan het warme noorden gebonden, in de Chaco: tapir, waterzwijn (een knaagdier) en navelzwijn (carpinchos en peccari's), brilbeer, wasbeerachtigen, brulapen en de jaguar (tigre); in het koele Patagonië zijn de poema en de door jacht zeldzaam geworden guanaco inheems. In het Andesgebied heeft de fauna een alpine karakter, hoewel tropische elementen als kolibri's tot op grote hoogte voorkomen. De nationale parken, waarvan het Nahuel Huapi nationale park het bekendst is, liggen aan de oostkant van de Andes. Helaas zijn ten behoeve van de jacht o.a. edelhert, wild zwijn en haas ingevoerd die ook vaste voet in de reservaten hebben gekregen. De natuurbescherming begint vaste vormen aan te nemen, maar de naleving van de desbetreffende wetten laat nog veel te wensen over. Het nationale park Iguazu, naar de gelijknamige watervallen, ligt op de grens met Brazilië en omvat vnl. tropisch regenbos.

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Tango auf der Straße in Buenos AiresArgentinië heeft een grotendeels blanke bevolking (90%) die vnl. van Italiaanse en Spaanse afkomst is. Daarnaast zijn er veel Argentijnen van Duitse, Engelse en Oost-Europese afkomst. Ca. 5% van de totale bevolking bestaat uit mestiezen. Het aantal Indianen wordt op 30.000 à 40.000 geschat en neemt af. De Argentijnse joodse gemeenschap (ca. 300.000) is de grootste van Latijns-Amerika en in belangrijkheid de vijfde ter wereld. De bevolkingsgroei is vrij laag, 1,47%.
Van de Argentijnse bevolking, die in 1995 ca. 34,3 miljoen zielen telde, woont 87% in de steden. Buenos Aires is de grootste stad met bijna 3 miljoen inw. en Groot-Buenos Aires (incl. het stedelijk gebied) telt zelfs 10,7 miljoen inw., dwz. 30% van de bevolking, en in de provincie Buenos Aires woont vrijwel de helft van de bevolking van Argentinië. Andere grote stedelijke agglomeraties zijn Córdoba, La Matanza (San Justo) en Rosario. Rondom de grote steden liggen vilas miserias (krottenwijken), maar minder dan in andere Latijns-Amerikaanse landen. Het dunst bevolkt is Patagonië, waar slechts 1% van de bevolking woont; het dichtst bevolkt is het La Platabekken.
2.2 Taal
De officiële taal is Spaans. Daarnaast worden Italiaans en enkele Indianentalen gesproken, o.a. Guaraní.
2.3 Religie
Ruim 90% van de bevolking behoort tot de Rooms-Katholieke Kerk. In sommige gebieden paste de Rooms-Katholieke Kerk zich aan de Indiaanse godsdiensten aan. Er bestaat godsdienstvrijheid, de Rooms-Katholieke Kerk is geen staatskerk. Er zijn 13 aartsbisdommen en 44 bisdommen. 2% van de bevolking (vnl. van Duitse afkomst) is protestants, 2% is joods.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Argentinië kent formeel een presidentiële democratie, vastgelegd in de grondwet die dateert uit 1853. De president, wiens macht volgens de nieuwe grondwet van 1994 iets is ingeperkt, benoemt en ontslaat de minister-president en de ministers. Hij is tevens opperbevelhebber van de strijdkrachten en mag één keer herkozen worden.
De wetgevende macht bestaat uit het Congres, gevormd door de Senaat van 72 leden en de Kamer van Afgevaardigden met 254 leden. De president en vice-president worden voor een ambtsperiode van vier jaar via directe verkiezingen gekozen. Er bestaat stemplicht voor alle burgers van 18 tot 70 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Argentinië bestaat uit 22 provincies, het federale district Buenos Aires en het nationale gebied Tierra del Fuego (Vuurland). Het provinciale (in directe verkiezingen gekozen) parlement kiest een gouverneur. De nieuwe grondwet van 1994 verleent de provincies een grotere autonomie.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Argentinië is lid van de Verenigde Naties en haar commissies, van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Alliantie voor de Vooruitgang, de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en de Cariben (ECLAC), de Interamerikaanse Ontwikkelings Bank (IDB), de Latijns-Amerikaanse Associatie voor Integratie (LAIA) en behoort tot de niet-gebonden landen.
3.4 Partij- en vakbondswezen
De twee voornaamste politieke organisaties zijn de Radicale Burgerunie (UCR), die in 1890 werd opgericht en in het begin van de de 20ste eeuw, in de jaren zestig en van 1983 tot 1989 de president leverde, en de peronisten (Partido of Movimiento Justicialista), die in de personen van Juan Domingo Perón en Isabel Perón van 1946 tot 1955 en van 1973 tot 1976 aan de macht waren. De verkiezingen van 1989 brachten de peronisten in de persoon van Carlos Menem opnieuw aan de regering. De UCR telt 1, 4 miljoen leden; de Peronistische Partij 3 miljoen. Daarnaast bestaan nog diverse kleine partijen, zoals het linkse Frente País Solidario (Frepaso) en de gematigd linkse Unie van het Democratisch Centrum (UCD).
De vakbeweging speelt een essentiële rol in het Argentijnse politieke leven. De CGT (Confederación General del Trabajo, het Algemeen Verbond van de Arbeid) groeide onder de eerste regering-Perón (1946-1955) uit tot een grote politieke macht. Sindsdien geldt zij in belangrijke mate als draagster van het peronistische cultuurgoed. Het sterkste blok in de CGT wordt gevormd door de peronistische '62 organisaties'. De vakbonden houden zich niet alleen bezig met de strijd voor meer loon en betere voorzieningen, maar bieden ook een aantal voorzieningen voor hun leden op medisch en sociaal terrein, waaronder vakantiewoningen. Van de 1100 vakbonden was tot in de jaren negentig ca. 90% aangesloten bij de CGT, maar in 1994 zorgden ambtenaren en leraren voor een scheuring door een eigen vakbond, het Congreso de Trabajadores Argentinos (CTA), op te richten.

4. Economie
4.1 Inleiding
Argentinië behoorde voor de Tweede Wereldoorlog tot de meest welvarende landen in de wereld dankzij de export van granen, vlees en huiden. De opbrengst uit de landbouwsector werd gebruikt om een binnenlandse industrie tot ontwikkeling te brengen achter beschermende tariefmuren. In de jaren vijftig moest de achtergebleven agrarische sector het langzamerhand afleggen tegen andere landbouwexporteurs, terwijl de industrie niet productief genoeg was om op de wereldmarkt te concurreren met de geïndustrialiseerde landen. Het aandeel van Argentinië in de wereldhandel daalde van 3% in 1929 tot 0,5% in de jaren tachtig. De toename in overheidsuitgaven in de periode Perón ter financiering van de industrie en de sociale voorzieningen brachten een geldontwaarding op gang die tot op heden voortduurt. In 1984 beliep de inflatie zelfs 700%. Sedertdien werden ambitieuze anti-inflatieprogramma's afgekondigd (bijv. het Plan Austral in juni 1985), maar deze konden de geldontwaarding slechts tijdelijk verminderen. De structurele oorzaken voor de economische teruggang (lage productiviteit, slechte exportpositie, hoge overheidsuitgaven, speculatie en kapitaalvlucht door de financiële elite) werden niet aangepakt en een modernisering van de economie bleef uit. In de jaren zeventig trokken de regeringen op grote schaal leningen aan uit het buitenland om de overheidstekorten te financieren. De buitenlandse schuld steeg van $ 6,4 miljard in 1976 tot $ 84 miljard in 1995. Een groot deel van de kredieten werd echter tijdens het militaire regime gebruikt voor financiële speculatie en de aankoop van militaire goederen en luxe consumptiegoederen in het buitenland; te weinig leningen werden aangewend voor productieve investeringen of ter verbetering van de in verval geraakte infrastructuur. De regering Alfonsín was niet in staat de rente en aflossing op de buitenlandse schuld te betalen en sloot in 1984 het eerste van een reeks akkoorden met het IMF, dat bijstandsleningen verstrekte op voorwaarde dat de economie aangepast zou worden. Drastische bezuinigingsmaatregelen leidden tot een daling van het reëel besteedbaar inkomen, terwijl de economie stagneerde. Tussen 1981 en 1988 daalde het bnp per hoofd van de bevolking met 15% tot $ 8060 in 1994.
4.2 Agrarische sector
Het aandeel van de landbouw in het bnp (bruto nationaal product) daalde de afgelopen decennia tot 7% in 1994. Ongeveer 10% van de beroepsbevolking is werkzaam in deze sector, die echter verantwoordelijk is voor 35% van de deviezeninkomsten. Ruim 70% van de totale bodemoppervlakte wordt voor landbouw gebruikt, waarvan het grootste deel bestemd is voor veeteelt (12 resp. 52%). Buenos Aires is agrarisch de belangrijkste provincie. Het grootgrondbezit is in Argentinië dominant: ca. 70% van de cultuurgrond was in de jaren zeventig in handen van 6% van de landeigenaren. Ondanks veelvuldig aangekondigde agrarische hervormingsmaatregelen zijn de agrarische bezitsverhoudingen gedurende de laatste tientallen jaren nauwelijks aangetast. De belangrijkste akkerbouwproducten zijn tarwe, maïs, fruit, oliehoudende vruchten, soja en vlas in de pampa, wijn rondom Mendoza en suikerriet bij Tucumán. In Entre-Rios worden yerba maté (bittere thee) en rijst verbouwd. De rundveestapel telde in 1990 meer dan 50 miljoen stuks. Bijna 90% van de vleesproductie wordt in eigen land geconsumeerd. Het aandeel van vlees in de totale export daalde van 28% in het begin van de jaren zeventig tot 10% in de jaren tachtig. In Patagonië is schapenteelt.
4.3 Bosbouw
Argentinië beschikt over economisch-exploitabele bossen over 22% van zijn grondgebied. In de noordelijk gelegen Gran Chaco wordt quebracho-extract gewonnen, waaruit farmaceutische producten gemaakt worden, o.a. tannine.
4.4 Visserij
Argentinië heeft in 1969 zijn territoriale wateren uitgebreid van 12 tot 200 zeemijlen om zich te verzekeren van het rijke visbestand in het zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan. Van een optimale benutting is het nog niet gekomen. Visvangst is belangrijk tussen Mar del Plata en Bahía Blanca (sardines en tonijn) en aan de Patagonische kust (kabeljauw en sardines).
4.5 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw is voor de werkgelegenheid en export van geringe betekenis; minder dan 1% van de beroepsbevolking is in deze sector werkzaam. Het aandeel van mijnbouw in het bnp bedroeg in 1985 2, 8%. De rijkdommen aan delfstoffen zijn nog onontgonnen. Het belangrijkste product is aardolie dat al in 1907 werd ontdekt bij Comodore Rivadavia in Patagonië, nog steeds een belangrijk winningsgebied. Andere velden liggen in het noorden en westen van het land. De exploitatie is in handen van het staatsbedrijf YPF. Argentinië voorziet vrijwel geheel in zijn aardoliebehoefte. In 1978 brak de Argentijnse regering met haar traditionele beleid om de exploitatie voor te behouden aan het staatsbedrijf YPF. Buitenlandse ondernemingen werden uitgenodigd offshore-exploraties en -exploitaties te verrichten in het uiterste zuiden van het land. Op het Argentijnse continentale plat bij Tierra del Fuego (Vuurland), dat zich uitstrekt tot de Falklandeilanden, worden voorraden vermoed die gelijk zijn aan die welke onder de bodem van de Noordzee worden aangetroffen.
Aardgas wordt vaak tezamen met aardolie gewonnen. De eigen productie dekt ca. 80% van de binnenlandse behoefte. Het restant werd via een pijpleiding vanuit Bolivia ingevoerd. In de zuidelijke provincie Santa Cruz wordt steenkool gewonnen. Voor de uitbreiding van de productie zijn infrastructurele werken in uitvoering (o.a. een zuiveringsfabriek en een nieuwe haven bij Punta Loyola). De grote afstanden tot de gebruikscentra maken de exploitatie duur. In het noordwesten van de Andes worden asbest en beryllium (o.m. toegepast bij kernenergie) gewonnen. Daarnaast ook lood, zink, koper, zilver en wolfraam (toegepast in o.m. de elektronische industrie).
Argentinië bezit een groot potentieel aan hydro-elektriciteit dat in de jaren zeventig tot ontwikkeling is gebracht door middel van gezamenlijke projecten met Paraguay aan de rivier de Paraná en met Uruguay. In 1982 werd de Salto Grande krachtcentrale voltooid aan de grensrivier de Uruguay. Argentinië heeft de beschikking over kernenergie door een centrale in Atucha (provincie Buenos Aires) en in Río Tercero (provincie Córdoba). Er staan tot 2000 nog vier kerncentrales op de agenda. Uranium wordt in het land zelf gewonnen.
4.6 Industrie
De jonge industrie geeft werk aan ongeveer 34% van de beroepsbevolking en levert 29% van het bnp. De belangrijkste industrieën zijn nog steeds verbonden met de agrarische sector, zoals de textiel- en voedselindustrieën (vooral de vleesverwerkende industrie), suiker- en matéfabrieken. Verder zijn er industrieën, waar elektrische en huishoudelijke apparaten, autocarrosserieën, plastic goederen, kleding e.d. worden geproduceerd. Perón heeft getracht ook het ontstaan van basisindustrieën te stimuleren, zoals de door de staat opgezette staalfabriek van San Nicolás. Zijn ideaal, een nationale industrie die onafhankelijk zou zijn van het buitenland voor wat betreft het aankopen van machines, is echter geen werkelijkheid geworden. In de jaren zeventig en tachtig werden industrieën gedenationaliseerd.
4.7 Dienstverlening en handel
Deze sector is vooral onder Perón sterk gegroeid. In 1994 werkte 66% van de beroepsbevolking in deze sector en was haar aandeel aan het bnp 64%. De regering streeft ernaar de uit haar krachten gegroeide overheidsbureaucratie in te krimpen. Ook wordt gepoogd dienstverlenende overheidsbedrijven te privatiseren. De belangrijkste invoerproducten zijn: machines, transportmateriaal, ijzer- en staalproducten, en chemische producten. De uitvoer betreft vooral vlees, tarwe, fruit, wol, katoen, soja, lijnzaad, huiden en quebracho (grondstof voor looiextract). De voornaamste handelspartners zijn de Verenigde Staten, de EG en de LAIA-landen (m.n. Brazilië en Chili). In 1995 bedroeg de waarde van de export $ 20.893 miljoen en de import $ 19!969 miljoen. De uitvoer van vlees heeft nogal te lijden gehad van de importstop van de EG. In 1995 ondertekenden Argentinië, Paraguay, Urugay en Brazilië een akkoord gericht op economische integratie in de regio, MERCOSUR.
4.8 Economische plannen en ontwikkelingssamenwerking
De plannen van de regering om de economie te stimuleren waren beperkt succesvol. Wél lukte het de inflatie te beteugelen tot 0, 5% in 1996.
Argentinië behoort vanwege zijn relatief hoge inkomen per hoofd van de bevolking ($ 8060 in 1994) niet tot de landen die omvangrijke bedragen aan ontwikkelingsgelden ontvangen. Tussen 1960 en 1975 ontving het land van internationale organisaties ca. $ 1 miljard. De Verenigde Staten stelden in dezelfde periode ca. $ 250 miljoen ter beschikking. In 1986 ontving Argentinië $ 88 miljoen aan ontwikkelingshulp. Van groter belang zijn de kredieten die het IMF en de Wereldbank in de jaren tachtig verleend hebben. Zo ontving het land in 1986 voor $ 2, 3 miljard aan leningen van overheden en internationale instellingen. De kredieten van internationale particuliere banken, die in de jaren zeventig op grote schaal leningen hadden verstrekt, bedroegen in 1986 slechts $ 300 miljoen. De buitenlandse schuld bedroeg in 1995 84 miljard dollar.
4.9 Bankwezen
De Centrale Bank werd opgericht in 1935 en in 1946 genationaliseerd. Veel particuliere banken zijn gedurende de laatste 15 jaar in buitenlandse (vooral Amerikaanse) handen overgegaan. De grootste handelsbank is de Banco de la Nación Argentina, een staatsbank. In 1992 waren er 214 bancaire instellingen actief, met 4086 filialen en 123!000 bedienden.
4.10 Verkeer
Het Argentijnse wegennet omvat in totaal 220.000 km, waarvan in 1985 26% geasfalteerd was. Ca. 90% van het personen- en 60% van het vrachtvervoer geschiedt over de wegen. Voor de spoorwegen zijn die cijfers 8% resp. 15%. Lange tijd golden de spoorwegen als de hoofdaders van het Argentijnse wegennet. Vanaf 1970 is de totale lengte van het net met 15% teruggebracht, zodat het in 1988 34!192 km mat. Rails en rollend materieel zijn verouderd en worden geleidelijk aan vervangen. Ook zijn er plannen voor elektrificatie van het spoorwegnet. Argentinië heeft vier zeehavens: Buenos Aires, La Plata, Comodoro Rivadavia en Bahía Blanca. De twee grote zuidwaarts stromende rivieren de Paraná en de Uruguay zijn goed bevaarbaar. De rivieren Colorado en Negro in Noord-Patagonië zijn alleen bevaarbaar voor kleine schepen. De luchtvaartmaatschappij Aerolíneas Argentinas is de belangrijkste onderneming (in 1991 overgenomen door een consortium o.l.v. Iberia). De tweede luchtvaartmaatschappij, Austral Líneas Aéras, werd in 1987 geprivatiseerd. De luchthaven van Buenos Aires, Aeroparque, is een van de grootste ter wereld en wordt door vrijwel alle grote internationale luchtvaartmaatschappijen aangedaan. Argentinië bezit 271 vliegvelden waarvan er 10 door het internationaal verkeer gebruikt worden.

5. Toeristische gegevens
Het buitenlands toerisme (vooral uit Uruguay, Paraguay en de Verenigde Staten) neemt nog een ondergeschikte positie in. Het land is rijk aan natuurschoon en biedt vele mogelijkheden voor recreatie (jagen, sportvissen, watersport). Uiteraard trekt de hoofdstad Buenos Aires met zijn parken, imposante bouwwerken, theaters (w.o. het beroemde operahuis, het Teatro Colón), musea en galerieën jaarlijks duizenden bezoekers uit binnen- en buitenland. Bovendien ligt nabij de stad een uitgestrekt recreatiegebied: honderden beboste eilandjes in de delta van Paraná. Bezienswaardig zijn verder o.m. de stad Córdoba, hoofdstad van de gelijknamige provincie, die bekend staat om haar aangenaam klimaat, de oude provinciehoofdsteden in het noorden als Tucumán, Jujuy, Catamarca (waar zich ook warme bronnen bevinden) met hun bouwwerken uit de koloniale periode, het in 1553 gestichte Santiago del Estero, de oudste stad van het land, en Salta, een belangrijk toeristencentrum.
De provincie Misiones, in het uiterste noordoosten, draagt deze naam vanwege de nederzettingen die hier in de 17de eeuw door de jezuïeten die er missioneerden werden gesticht. In de door hen opgerichte bouwwerken gaan Spaanse en inheemse architectuur harmonieus samen, zoals te zien is in een aantal indrukwekkende ruïnes, waaronder het nationale monument San Ignazio Mini (1696). In deze provincie bevinden zich ook de wereldberoemde watervallen in de rivier de Iguaçú, een van de grootste toeristische attracties van het land. In de provincie San Luis zijn in holen en grotten nog rotsschilderingen te zien; in deze provincie en in de gelijknamige hoofdstad zijn ook nog vele overblijfselen uit de koloniale tijd te zien.
Zeer karakteristiek zijn de pampa's, de schier eindeloze grasvelden, die zich in de provincie La Pampa, maar ook daarbuiten, uitstrekken. Aan deze provincie grenst de provincie Mendoza, waarin de hoogste toppen van de Andes liggen (Aconcagua); hier bevindt zich ook, in het dal van Las Cuevas, een beroemde natuurlijke brug, die door het water in de rotsen is geboord: een geweldige stenen boog van ca. 50 m lengte. De provincie is verder beroemd om haar wijn en haar vele minerale bronnen. Befaamde bronnen zijn er ook in Rio Hondo (Aguas del Sol) in de provincie Santiago del Estero. Toeristisch in trek is ook het merengebied Bariloche (een nationaal park) in het zuidwesten. De belangrijkste plaats is hier San Carlos de Bariloche, 's winters (juli-september) een wintersportcentrum. Tot slot zij nog vermeld de provincie Neuquén in het noordwesten van Patagonië, waarin zich diverse natuurparken bevinden.

6. Geschiedenis
6.1 De koloniale tijd
De Spaanse aanwezigheid in het gebied dat thans in Argentinië ligt begon in 1516, toen Juan Díaz de Solis de La Plata-rivier opvoer. In 1536 begon Pedro de Mendoza met de bouw van een nederzetting waaraan de naam Santa Maria del Buen Aire (heilige maagd van de goede winden) werd gegeven. Wegens voedselgebrek en voortdurende aanvallen van Indianen moest hij zich terugtrekken. De kolonisatoren stichtten diverse nederzettingen, o.a. Santa Fe en Asunción, nu hoofdstad van Paraguay, dat lange tijd het administratieve centrum was. In 1580 werd Buenos Aires voor de tweede keer gesticht, door Juan de Garay. Gedurende de 17de en 18de eeuw had Spanje vrijwel geen belangstelling voor Argentinië, omdat het geen economische waarde had; men vond er geen edele metalen, de Indiaanse bevolking wilde niet voor de Spanjaarden werken en het land werd ongeschikt geacht voor akkerbouw en diende slechts voor veeteelt. De ontwikkeling van het gebied verliep bijzonder traag, ook omdat Spanje de handel allerlei restricties oplegde, waarvan vooral Nederlandse en Engelse smokkelaars dankbaar gebruik maakten. In 1776 werd een afzonderlijk vice-koningschap Río de la Plata gevormd en directe handel met Spanje werd toegestaan. Het contact met Europa en Amerika wakkerde de onafhankelijkheidszin aan. Kort na de Franse Revolutie groeide het verzet tegen de Spaanse overheersing, gevoed door het op handelsvoordelen beluste Engeland. In 1810 ontbrandde er een opstand tegen de Spaanse troepen, die in 1816 resulteerde in de onafhankelijkheidsverklaring van Tucumán.
6.2 De onafhankelijkheid
De onafhankelijkheid bracht echter geen rust; zoals in vele andere Latijns-Amerikaanse republieken ging die gepaard met interne strijd. Vooral de tegenstelling tussen stad en platteland speelde in Argentinië een grote rol. De federalistisch gezinde gaucho's kwamen telkens weer in verzet tegen de unionistisch gezinde hoofdstad, wat tot een jarenlange machtsstrijd leidde. In 1830 kwam Juan Manuel de Rosas met steun van de gaucho's aan de macht. Hij heerste eerst tot 1833 en daarna van 1835 tot 1852. De Rosas was van oorsprong een federalist, maar hij stelde een sterk gecentraliseerd gezag in. Gedurende zijn tweede machtsperiode voerde hij een waar schrikbewind; bij duizenden werden tegenstanders gevangengenomen en ter dood veroordeeld. Hieraan werd een eind gemaakt door generaal Urquiza; hij verjoeg De Rosas, wijzigde de grondwet en werd in 1853 de eerste president van Argentinië.
De strijd tussen stad en land, tussen nationalisten en federalisten, woedde nog tientallen jaren voort, waarbij o.m. de status van de hoofdstad Buenos Aires in het geding was, totdat president Julio Roca (1880-1886) de hoofdstad onder direct bestuur van de regering plaatste, afgescheiden van de provincie Buenos Aires. Maar nog heerste er geen rust, wat verergerd werd door de strijdvraag vóór of tegen de Verenigde Staten, die steeds meer invloed kregen op de economie van de Latijnsamerikaanse republieken, en door de steeds weer oplaaiende oorlogen met Brazilië en Paraguay. In deze strijd stonden de aan het bewind zijnde conservatieven tegenover de radicalen, die in 1916 aan de macht kwamen toen Hipólito Irigoyen president werd. Hij ijverde vooral voor modernisering en democratisering van het land; zo werd het algemeen verplicht, geheim kiesrecht ingevoerd. Ondanks druk van de Verenigde Staten bleef Argentinië in de Eerste Wereldoorlog neutraal en verdiende het schatten door de hoge graanprijzen. In 1918 brak een economische crisis uit, gepaard met grote sociale onrust.
6.3 Het interbellum
Argentinië was een van de eerste Latijnsamerikaanse staten die lid werd van de Volkenbond. In 1920 trok het zich uit deze organisatie terug, toen zijn voorstel Duitsland in de Bond op te nemen, werd verworpen. President Alvear (1922-1928), die de gouden standaard voor het land herstelde, werd weer opgevolgd door Irigoyen. Diens tweede presidentschap dreigde te ontaarden in een dictatuur, waaraan in 1930 door een revolutie een einde gemaakt werd. Hij werd opgevolgd door generaal Uriburu, die op zijn beurt een jaar later moest plaats maken voor generaal Justo (1931-1938). Beide regeringen vertoonden autoritaire neigingen en verzetten zich tegen het streven van de Verenigde Staten naar een grotere inter-Amerikaanse solidariteit. Onder de Zuid-Amerikaanse staten kreeg Argentinië steeds meer gezag, wat tot uiting kwam, toen de bekwame minister van Buitenlandse Zaken Saavedra Lamas in 1936 een einde wist te maken aan de slepende Gran Chaco-oorlog. In 1938 werd Ortiz president, die in 1940 werd opgevolgd door zijn vice-president Castillo. Angstvallig hield deze Argentinië buiten de Tweede Wereldoorlog, wat de tegenwerking van de Verenigde Staten uitlokte. In 1943 werd de regering-Castillo omvergeworpen door een militaire opstand onder leiding van de generaals Rawson en Ramirez. De eerste was één dag president en werd opgevolgd door Ramirez, die de diplomatieke betrekkingen met Duitsland verbrak. Op het laatste ogenblik verklaarde Argentinië de oorlog aan Duitsland en Japan.
6.4 Periode-Perón
Rawson en Ramirez behoorden tot de Grupo de Oficiales Unidos, een ultranationalistische organisatie, waarin Juan Domingo Perón (zie foto) een centrale figuur was. In de regering van president Farrell, die Ramirez in 1944 opvolgde, had Perón als minister van Oorlog de meeste macht. Toen Perón zich in 1946 tot president liet kiezen, brak voor Argentinië een nieuwe periode aan. Hij voerde een totalitair bewind, dat al gauw ontaardde in een dictatuur, doorbrak de oude partijtegenstellingen en herstelde daarmee de nationale eenheid, verbeterde de sociale voorzieningen en verwierf aanvankelijk, mede door zijn vrouw Eva (zie Evita Perón), een grote populariteit, ook buiten de grenzen van Argentinië. De periode-Perón werd ook gekenmerkt door beknotting van de persvrijheid, nationalisaties, geforceerde industrialisatie ten koste van de landbouw, sterk stijgende overheidsuitgaven die het land economisch aan de rand van de afgrond brachten en door opstanden die met geweld onderdrukt werden. Het verzet tegen Perón werd steeds sterker. Toen hij in 1955 het rooms-katholicisme als staatsgodsdienst afschafte en twee bisschoppen deporteerde, werden Perón en enkele anderen door de paus geëxcommuniceerd (de ban werd in 1963 opgeheven). Inmiddels begonnen ook het leger en de vloot zich tegen het regime te keren, wat leidde tot de opstand van sept. 1955 en de vlucht van Perón naar Spanje.
6.5 De periode 1955-1976
Op 23 sept. 1955 werd Eduardo Lonardi president, nog geen maand later opgevolgd door generaal Pedro Aramburu. Geleidelijk keerde het land tot liberale verhoudingen terug; onteigende bezittingen werden teruggegeven, de economische politiek werd gericht op inflatiebestrijding, het staatshandelsmonopolie werd opgeheven en buitenlands kapitaal werd aangetrokken. De politieke toestand bleef echter onrustig; na de val van Perón werd een heksenjacht ontketend op peronisten.
In 1958 werd de radicaal Arturo Frondizi met steun van communisten en peronisten tot president gekozen. Tevergeefs trachtte hij de economie te zuiveren met een versoberingsprogramma, waarmee hij het peronistische Algemeen Vakverbond CGT tegen zich in het harnas joeg. Onder pressie van de strijdkrachten moest Frondizi het kabinet wijzigen; Alvaro Alsogoray, die een liberale economische politiek voorstond, werd benoemd tot minister van Economische Zaken. De buitenlandse politiek van Frondizi (hij zocht toenadering tot de Verenigde Staten) wekte veel weerstand. Alleen al in 1959 kreeg hij 25 regeringscrises te verwerken. De peronisten begingen tal van terreurdaden tot hun in 1961 weer werd toegestaan aan verkiezingen deel te nemen. Bij de parlementsverkiezingen in 1962 behaalden de peronisten een onverwacht grote overwinning, wat leidde tot het vertrek van Frondizi en een langdurige crisis, waarbij het ene kabinet op het andere volgde, terwijl de macht in handen was van de strijdkrachten. Deze benoemden in maart 1962 de voorzitter van de senaat, José Maria Guido, tot staatshoofd. De greep van de strijdkrachten op de regering werd steeds groter; zij bewerkstelligden dat politieke partijen verklaarden anticommunistisch en antitotalitair te zijn en verboden de communistische partij.
In juli 1963 werd de radicaal Arturo Illia tot president gekozen. Hij kondigde een politiek van economisch nationalisme af en deed een beroep op de strijdkrachten hun onderlinge twisten bij te leggen. De betrekkingen met de Verenigde Staten, die sinds het optreden van Frondizi iets beter waren geworden, bekoelden weer toen in oktober de olieconcessies van Amerikaanse maatschappijen werden ingetrokken.
In dec. 1964 deed ex-president Perón een poging naar Argentinië terug te keren; zijn vliegtuig werd evenwel in Rio de Janeiro door de Braziliaanse autoriteiten teruggestuurd. Zijn (derde) echtgenote, Isabel de Perón, werd wel in Argentinië toegelaten, waar zij in jan. 1966 de leiding van de door onderlinge verdeeldheid bedreigde peronisten op zich trachtte te nemen. Bij de verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden kwamen de peronisten met hun Union Popular, die hun verboden Partido Justicialista moest vervangen, opnieuw als de sterkste partij uit de bus; zij behaalden 30% van de stemmen tegen 28,6% voor de Radicale Burgerunie van Illia. Door de voortdurende inflatie, aanhoudende pressie van de militairen en in het algemeen een weinig doortastend beleid boette de regering-Illia aan gezag in. Op 28 juni 1966 werd Illia afgezet: hij werd de volgende dag opgevolgd door generaal Onganía, die in nov. 1965 wegens een geschil met Illia als opperbevelhebber ontslag had genomen. Onganía, die aanvankelijk een vrij grote populariteit genoot, beloofde een op modernisering gericht, anticommunistisch beleid en verbood alle politieke partijen. Hij gaf de hoogste prioriteit aan de economische ontwikkeling. In het besef dat daarvoor sociale rust een eerste vereiste was zocht hij naar een modus vivendi met de door peronisten geleide vakcentrale CGT, wat hem gedeeltelijk gelukte. In aug. 1967 werd een wet tegen het communisme van kracht. Inmiddels waren de olieconcessies aan buitenlandse maatschappijen weer toegestaan. In 1969 braken ernstige onlusten uit, veroorzaakt door ontevredenheid over het sociaal-economisch beleid en het ondemocratische karakter van de regering-Onganía. In juni 1970 werd Onganía opzij geschoven door een junta, met als sterke man luitenant-generaal A. Lanusse, die brigadegeneraal R.M. Levingston als president naar voren schoof. Lanusse nam in maart 1971, nadat in nov. 1970 door de CGT omvangrijke stakingen waren georganiseerd, zelf het heft in handen. Als president kondigde hij de terugkeer naar een burgerlijk bestuur en nieuwe verkiezingen aan. Het verbod op de peronistische partij (sedert jan. 1973 weer onder de naam Partido Justicialista) werd opgeheven, en met Perón werden in Madrid onderhandelingen gevoerd over diens terugkeer. De PJ riep Perón uit tot haar presidentskandidaat, maar om procedurele redenen werd zijn kandidatuur door de regering afgewezen. De PJ stelde toen H. Cámpora kandidaat, die op 11 maart 1973 met 49% van de stemmen tot president werd gekozen. Hij bleef echter slechts tijdelijk. Nadat Perón in juni 1973 was teruggekeerd in Argentinië maakte Cámpora vrij baan voor hem en trad af. Op 23 sept. 1973 werd Perón met 62% van de stemmen tot president gekozen. Zijn vrouw Isabel benoemde hij tot vice-president. Hij werd geconfronteerd met een sterke verdeeldheid in de peronistische beweging tussen linkse en rechtse groeperingen. De rechtse peronisten, waaronder de leiding van de CGT, wisten de overhand te krijgen en Perón zuiverde de partij van linkse groepen (guerrillabewegingen, jeugdorganisaties, radicale vakbonden). De politieke crisis in het land werd verscherpt toen Perón op 1 juli 1974 overleed en als president werd opgevolgd door zijn vrouw Isabel. Een golf van bomaanslagen, ontvoeringen en andere gewelddaden, zowel van links als van rechts, overspoelde het land. Tegen het politiek-maatschappelijk systeem kampten, via (stads)guerrilla, de links-peronistische Montoneros en het trotskistische Revolutionaire Volksleger (ERP), beide in 1974 verboden. De uiterst rechtse Argentijnse Anticommunistische Alliantie (AAA), een van de zgn. 'doodseskaders', kon onbelemmerd op grote schaal contraterreur plegen. Sedert nov. 1974 regeerde Isabel Perón krachtens de noodtoestand. De economische situatie werd kritiek, en tot op het hoogste niveau heerste corruptie. De CGT, die zich steeds kritischer ging opstellen, dwong via stakingen de regering tot toegeven aan looneisen. Bovendien wisten vakbonden, politici en militairen de presidente te bewegen tot het ontslag van López Rega, die zich als haar secretaris en minister van Welzijn een machtige positie had verworven.
6.6 De militaire junta
Op 24 maart 1976 werd Isabel Perón door de militairen afgezet en gearresteerd (in juni 1981 werd zij vrijgelaten, waarna zij in Spanje in ballingschap ging).
De macht kwam in handen van een militaire junta bestaande uit de opperbevelhebbers van de drie strijdmachtonderdelen: luitenant-generaal Jorge Videla, die tot president werd benoemd, admiraal Emilio Massera en brigadegeneraal Orlando Agosti. Belangrijkste doelstellingen van het regime waren het onderdrukken van alle vormen van oppositie en het doorvoeren van een nieuwe economische politiek. Minister van Economische Zaken werd Martínez de Hoz, die de economie volledig liberaliseerde en een recessiepolitiek voerde om de inflatie te beteugelen. In de 'vuile oorlog' van de tweede helft van de jaren zeventig werden niet alleen de guerrillabewegingen Montoneros en ERP uitgeroeid, maar kon iedereen die verdacht werd van oppositie ontvoerd, gemarteld en vermoord worden. Een officiële onderzoekscommissie documenteerde in 1984 de ontvoering door militairen van 8960 personen. Mensenrechtenorganisaties schatten het werkelijke aantal 'vermisten' op 30!000 burgers. De groepering 'Dwaze Moeders' begon vanaf 1977 opheldering te vragen over het lot van hun ontvoerde familieleden. De leider van een van de mensenrechtenorganisaties, Adolfo Pérez Esquivel, ontving in 1980 de Nobelprijs voor de vrede.
Op 29 maart 1981 werd Videla opgevolgd door generaal Roberto Viola, maar al op 22 dec. 1981 nam de extreem-nationalistische generaal Leopoldo Galtieri het presidentschap over. Nadat Argentinië in 1978 al bijna in oorlog was geraakt met Chili om de soevereiniteit over het nabij Vuurland gelegen Beaglekanaal, gingen de militaire machthebbers op 2 april 1982 over tot een invasie van de Falklandeilanden (Malvinas), een door Groot-Brittannië gekoloniseerde eilandengroep voor de kust van Argentinië. De Argentijnse militairen verwachtten dat een Britse reactie zou uitblijven, maar de Britse regering besloot een expeditieleger te sturen. Op 16 juni 1982 gaf de Argentijnse bevelhebber op de Falklandeilanden, generaal Mario Menéndez, zich over. Ongeveer 800 Argentijnse en 200 Britse militairen waren in de korte oorlog omgekomen.
Het rampzalige economische beleid en de beschamende nederlaag op de Falklandeilanden hadden het militaire regime volledig gedemoraliseerd. Generaal Galtieri trad af als president en opperbevelhebber van het leger en werd op 22 juni 1982 opgevolgd door generaal Reynaldo Bignone, die de terugkeer naar een burgerregering moest regelen.
6.7 Periode-Alfonsín
Op 30 okt. 1983 vonden algemene verkiezingen plaats voor het presidentschap en het Congres. De Radicale Burgerunie (UCR) behaalde 52% van de stemmen en haar kandidaat, Raúl Alfonsín, werd op 10 dec. 1983 geïnstalleerd als nieuwe burgerpresident. President Alfonsín slaagde er niet in de inflatie een halt toe te roepen en economisch herstel tot stand te brengen. Voorts maakte Alfonsín op 27 dec. 1983 de door het militaire regime op 23 sept. 1983 afgekondigde amnestiewet voor militairen ongedaan. Hij verklaarde dat de bij schendingen van de mensenrechten betrokken militairen zouden worden berecht. Op 10 dec. 1985 veroordeelde een burgerlijke rechtbank ex-president Videla en admiraal Massera tot levenslang en de overige vier voormalige juntaleden tot kortere gevangenisstraffen.
Alfonsín was in 1985 op het hoogtepunt van zijn populariteit. Tussentijdse verkiezingen voor de helft van de zetels in de Kamer van Afgevaardigden leverden de UCR een zetel winst op, terwijl de peronisten, die verdeeld de verkiezingen waren ingegaan, zeven zetels verloren. In mei 1986 werden ex-president Galtieri en zijn mede-juntaleden brigadegeneraal Lami Dozo en admiraal Anaya door een militair tribunaal veroordeeld tot gevangenisstraffen van acht tot veertien jaar vanwege hun rol in de Falklandoorlog. Onder druk van het militaire opperbevel diende de regering in dec. 1986 een wetsvoorstel in dat inhield dat alleen nog militairen konden worden berecht die vóór 22 febr. 1987 formeel in staat van beschuldiging waren gesteld. Ondanks heftige protesten van de kant van mensenrechtenorganisaties, die het voorstel een verkapte vorm van amnestie noemden, keurde het Congres de zogenaamde 'Punto Final'-wet op 23 dec. 1986 goed. Tot groot ongenoegen van de militairen waren op 22 febr. 1987 ongeveer 400 officieren van leger en politie, onder wie de voormalige presidenten Galtieri en Bignone, in staat van beschuldiging gesteld.
Er ontstond een ernstige crisis toen tijdens de paasdagen (15-19 april) van 1987 twee legereenheden in opstand kwamen tegen de regering, en de legerleiding weigerde tegen de rebellen op te treden. Om de onrust weg te nemen stelde Alfonsín een nieuwe wet voor die amnestie verleende aan militairen met de rang van luitenant-kolonel of lager, omdat zij slechts orders van hogerhand hadden uitgevoerd. Op 23 juni 1987 trad deze zgn. wet van gepaste gehoorzaamheid in werking, waarna de rechtszaken tegen vrijwel alle aangeklaagden werden stopgezet. Het leger bleef echter aandringen op een volledige amnestie, die ook zou moeten gelden voor de in dec. 1985 veroordeelde leiders van de militaire dictatuur. In jan. en dec. 1988 kwam het opnieuw tot opstanden van enkele legeronderdelen.
De populariteit van Alfonsín en zijn UCR was inmiddels op een dieptepunt gekomen. De algemene verkiezingen van 14 mei 1989 leverden een overwinning op voor de peronisten en hun presidentskandidaat Carlos Saúl Menem. De populistisch georiënteerde Menem nam (vervroegd) in juli 1989 het presidentschap van Alfonsín over, waarmee voor het eerst sedert 1928 een democratisch gekozen president de macht zou overdragen aan een andere, eveneens gekozen president.
Op 18 okt. 1984 ondertekenden Argentinië en Chili een verdrag tot regeling van de soevereiniteit over het Beaglekanaal en drie eilanden in deze waterweg. Tot een regeling van het conflict met Groot-Brittannië over de Falklandeilanden (Malvinas) kwam het in febr. 1990.
Na langdurige druk van de strijdkrachten verleende Menem in okt. 1989 gratie aan 39 hoge officieren, die tijdens de militaire dictatuur (1976-1983) de ontvoering, marteling en verdwijning van 30!000 burgers georganiseerd hadden. Voorts werd amnestie gegeven aan 174 militairen die hadden deelgenomen aan de militaire opstanden van april 1987 en jan. en dec. 1988, én aan 64 voormalige aanhangers van de peronistische guerrillabeweging Montoneros. In dec. 1990 verleende Menem amnestie aan de leden van de voormalige junta's en enkele andere hoge officieren en burgers, die in 1985 veroordeeld waren tot lange gevangenisstraffen wegens schendingen van de mensenrechten tijdens de militaire dictatuur. Onder hen waren de ex-presidenten Videla en Viola.
In aug. schafte Argentinië de dienstplicht af en ging over tot invoering van een beroepsleger. De verkiezingen van mei 1995 werden gewonnen door de zittende president Menem. In hetzelfde jaar erkende de legertop dat de strijdkrachten in de 'vuile oorlog' (1976-1983) tegen linkse opposanten verantwoordelijk waren geweest voor de moord op en de verdwijning van duizenden politieke tegenstanders.
De economische teruggang en de grote werkloosheid leidden in de jaren 1994, 1995 en 1996 tot veel sociale onrust.

Telefoongids Argentinië
Postcodes
Argentinië

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009