|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Met uitzondering van Patagonië maakt Argentinië deel uit van het
reusachtige Paraguay-Paraná-La Platabekken (3, 2 miljoen km2),
geologisch een dalingsgebied tussen de Andes en het zgn. Braziliaanse
Schild (zie Zuid-Amerika). Het is een overwegend laag en vlak gebied dat
grotendeels wordt ingenomen door de zgn. Pampaformatie, een 30-50 m dik
pakket van in hoofdzaak kwartaire afzettingen van merendeels eolische
herkomst (fijn zand, löss, vulkanisch stof) of door fluviatiele
afzettingen (leem, klei, mergel). Daar het materiaal in hoofdzaak van de
Andes afkomstig is en de ontwatering vnl. naar het zuiden is gericht,
vertoont het vrijwel volkomen vlakke gebied een zeer geleidelijke
afhelling van de voet van de Andes (ca. 300-500 m) naar de
Paraguay-Paranávlakte (100-25 m). Deze vlakte omvat allereerst de Pampa
(Quechua-woord voor vlakte), groot ca. 350.000 km2, die als het
kernlandschap van Argentinië kan worden beschouwd. Met uitzondering van
de zgn. 'golvende Pampa' langs Paraná en La Plata en het 'geologische
venster' van de Sierra de la Ventana (1243 m) in het zuiden is het
gebied volkomen vlak. Zonder scherpe overgang in reliëfvormen gaat de
Pampa in het noorden over in het Chaco-gebied, waarvan de Chaco Austral
en (ten noorden van de Bermejo en de Teuco) de Chaco Central tot
Argentinië behoren; ook dit gebied is vrijwel geheel vlak. Anders is dit
met het langgerekte gebied tussen Paraná en Uruguay; Entre Rios of
Mesopotamia argentina, dat uit een laag berg- en heuvellandschap ( 'heuvel-pampa'
of cuchillos) bestaat, in het noorden overgaand in het berggebied van
Misiones. Ten oosten van de Pampa sluit zich het eveneens overwegend
vlakke, doch wat hoger liggende gebied van de Monte (200-500 m) aan,
waarvan het droge zuidelijke deel wordt aangeduid als 'Pampa Seca'
(droge Pampa). Vooral in het noorden is dit Monte-gebied doorschoten met
talrijke langgerekte, naar het zuiden toe lager wordende bergketens, de
zgn. Pampine Sierras, waartussen zich een aantal bekkenlandschappen (Bolsones),
vlakten (Campos, Llanos) en talrijke zoutmoerassen (Salinas) en
salpeterhoudende Salitrales bevinden. De langgerekte Sierra de Córdoba
begrenst dit gebied, dat in het noorden overgaat in de hoogvlakte van de
Puna Argentina.
Ten zuiden van de Río Colorado ligt Patagonië, een landschap vnl.
gevormd door een reeks trapsgewijze van de Andes naar de Atlantische
Oceaan afdalende hoogvlakten (Mesetas), in oost-westrichting doorsneden
door diepe, canyon-achtige rivierdalen (Cañadones), en tegen de
kustvlakte afbrekend met steile, 50-150 m hoge randen. Het gebied telt
talrijke afvoerloze bekkens met zoutlagunes of -moerassen.
Langs de gehele westzijde van het land vormen ten slotte de oostelijke
hellingen van de Andes de slechts op weinig punten overschrijdbare
grensmuur met Chili (Uspallata Pas, Paso Copahue). In het noorden is
deze zone verreweg het breedst en vormt daar de hoogvlakte van de Puna
Argentina, die zich zuidwaarts oplost in de Pampine Sierras.
1.2 Klimaat
De verscheidenheid van klimaten die men in Argentinië aantreft, wordt in
hoofdzaak bepaald door de grote uitgestrektheid in noord-zuidrichting,
van 22° tot 55° Z.Br., en door de aanwezigheid van het Andesgebergte
langs de westkust van Zuid-Amerika. Het noordoosten van het land is
vochtig en warm. Buenos Aires, dat ongeveer midden in dit gebied ligt,
heeft een gemiddelde jaarlijkse temperatuur van 16 °C, een
julitemperatuur van 9 °C en een januaritemperatuur van 23 °C. De
jaarlijkse neerslag bedraagt er ongeveer 940 mm. Verder naar het zuiden
dalen de temperaturen tot een jaargemiddelde van ca. 5 °C op
Stateneiland.
Van de Atlantische kust naar het westen komt het land steeds meer onder
de invloed van het gebergte, waardoor de neerslag afneemt, aangezien de
overwegend noordwestelijke winden van gematigde breedte de meeste
neerslag aan de westkust van Chili doen vallen. Het westelijk gedeelte
van Argentinië heeft dan ook hier en daar een duidelijk woestijnklimaat.
Naarmate het continent in zuidelijke richting smaller wordt, wordt het
door het woestijnklimaat in beslag genomen gedeelte relatief breder.
Argentinië kent twee bijzondere windfenomenen die beide worden
veroorzaakt door langstrekkende depressies. De warme, vochtige zonda
voert als noordelijke wind tropische lucht aan aan de voorzijde van een
depressie. De koude pampero, zo genoemd omdat de uit het zuiden
aangevoerde lucht veelal stof meevoert uit de pampa's, wordt gekenmerkt
door krachtige rukwinden die optreden tijdens het passeren van het
koufront van de depressie en is derhalve vooral gevaarlijk voor kleine
schepen.
1.3 Afwatering
Het noorden wordt ontwaterd door een van de grootste stroomsystemen van
de aarde: dat van de Paraná-Paraguay-Uruguay, waarvan het brongebied
grotendeels wordt gevormd door het bergland van Brazilië, in geringere
mate ook door de Andes. Paraná en Paraguay verenigen zich bij Corrientes
tot een 2-5 km brede, troebel-gele rivier, die bij Buenos Aires met een
sterk vertakte delta in de brede, vrijwel geheel uit zoetwater bestaande
mondingsbocht van de Río de la Plata uitmondt. Ook de voor de
scheepvaart veel minder belangrijke Uruguay stroomt hierin uit. Een
groot aantal rivieren vloeit min of meer concentrisch naar de
hoofdrivieren toe. Grote delen van de Pampa zijn rivierarm; Mesopotamië
(Entre Rios) daarentegen bezit een dicht net van fijnvertakte rivieren.
Alle rivieren ten zuiden van het Paraná-systeem ontspringen in de Andes;
voor de scheepvaart hebben zij geen betekenis. Door het droge karakter
van het binnenland verliezen talrijke van de Andes komende rivieren te
veel water om goed ontwikkelde stroomsystemen te kunnen onderhouden,
maar vormen in de vele bekken- en schotelvormige gebieden zoute
moerassen (salinas), lagunes en meren zonder afwatering. De meren van
Argentinië liggen voor het merendeel in de Andes, enkele in Patagonië (Lago
Musters, Lago Colhué Huapi, enz.).
1.4 Plantengroei
De grote verschillen die voorkomen tussen de diverse vegetatietypen in
Argentinië worden vooral bepaald door klimaatsfactoren als temperatuur
en regenval, die onder meer samenhangen met de geografische breedte en
de hoogte boven zeeniveau. In het algemene beeld past evenwel niet de
boomloze, subtropische grassteppevegetatie van het Pampagebied, omdat
het humide karakter eerder dichte wouden zou doen verwachten. De door de
mens ingevoerde bomen blijken hier goed te gedijen; bovendien is het
aangrenzende gebied van de benedenloop van de Paraná tot aan Uruguay een
woud- en moerasgebied. Als natuurlijke bodembedekking heeft de
pampagrasvegetatie (hardgrassoorten of pasto duro op droge bodems, de
echte pampagrassoorten of pasto tierno op de lossere bodems en de
zoutminnende grassoorten van de pasto agrio op de moerassige bodems van
de afvoerloze gebieden) vooral in het centrale gebied grotendeels plaats
gemaakt voor akkerland en luzerneweiden. Westelijk van de lijn van ca.
550 mm neerslag per jaar gaat de vegetatie van de Pampa Umida (vochtige
Pampa) over in de doorn- en succulentensteppe van de Argentijnse Monte,
die in het noorden sterk met cactussoorten is doorschoten en in het
zuiden vnl. bestaat uit harde, borstelige of in polstervorm optredende
grassoorten, ook bekend als chañar en espinal. Dit vegetatietype vindt
men in het gehele gebied van de Pampa
Seca (droge Pampa) en dat van de
Bolsones en Pampine Sierra's. Ten zuiden van de Río Colorado gaat deze
vegetatie over in die van de verwante Patagonische struik- en
grassteppen, die in het westen soms halfwoestijnkarakter krijgen.
Noordwaarts gaan Pampa en Monte geleidelijk over in het Chaco-woudgebied,
bij alle plaatselijke verschillen hoofdzakelijk een schraal droogtewoud
van ongelijke dichtheid. Karakteristiek zijn hier de zgn. flessenboom (Chorisia),
talrijke succulenten en voorts de quebracho (Aspidosperma), door zijn
harde hout en hoog tanninegehalte (looistof) economisch belangrijk. Het
woudgebied van Entre Rios heeft een verwant, doch lager woudtype en ook
woudsavannes; in beide gebieden komen palmen voor. Het woudgebied van
Misiones is geheel van het soortenrijke tropische type. Economisch van
betekenis is daar de boomsoort die de tungolie levert. Ook in het
noordwesten van het land ligt, in het oostelijk deel van de Andes, een
subtropisch regenwoudgebied. In het uiterste noorden vindt men op de
oostelijke hellingen van de Andes van Tucumán beneden 1200 m tropisch
bos. Ten zuiden van ca. 35° Z.Br. zijn de Andeshellingen bedekt met
loofwoud en gemengd woud van de gematigde breedten. In de hoge Andes en
met name in de Puna Argentina in het uiterste noorden heerst de
Punavegetatie, die uit dwergstruiken, doornstruiken en kussenvormende
soorten bestaat. Ook de Paramovegetatie treedt hier op. Deze alpine
gordel van de Andes is zeer breed (de sneeuwgrens ligt hoog) en herbergt
diverse endemische groepen.
Zuid-Patagonië behoort tot het Antarctische gebied.
1.5 Dierenwereld
Door de grote lengte van het land omvat Argentinië alle klimaten van
tropisch tot (sub)antarctisch met de bijbehorende dierenwereld. In
Noord-Argentinië komen bijv. 55 soorten slangen voor, in het zuiden
slechts één en in het uiterste zuiden geen enkele meer. De fauna van het
Pampagebied is weliswaar door de opdringende akker- en weidebouw zowel
numeriek als in soortenrijkdom sterk achteruitgegaan, maar niettemin
hebben enkele typische soorten stand weten te houden, o.a. de nandoe,
een loopvogelsoort, en het pampahert; voorts enkele soorten uit de
patrijsachtigen en andere hoenderachtigen. Talrijk zijn de
knaagdiersoorten, waarvan verschillende zeer schadelijk zijn voor de
landbouw. Gevreesd om de enorme schade die zij aanrichten zijn voorts de
veelvuldige sprinkhanenzwermen.
De dierenwereld van Chaco en Monte is, mede door de ongunstige
levenscondities, niet zeer rijk aan individuen, doch wel aan soorten.
Met name in de galerijwouden en moerassen houden zich vele diersoorten
op, terwijl in droogteperioden vele dieren van elders op het water
afkomen. Vele soorten zijn over grote gebieden verbreid (manenwolf,
vossen, moerashert, gordeldieren en opossums). Daarentegen zijn andere
soorten aan het warme noorden gebonden, in de Chaco: tapir, waterzwijn
(een knaagdier) en navelzwijn (carpinchos en peccari's), brilbeer,
wasbeerachtigen, brulapen en de jaguar (tigre); in het koele Patagonië
zijn de poema en de door jacht zeldzaam geworden guanaco inheems. In het
Andesgebied heeft de fauna een alpine karakter, hoewel tropische
elementen als kolibri's tot op grote hoogte voorkomen. De nationale
parken, waarvan het Nahuel Huapi nationale park het bekendst is, liggen
aan de oostkant van de Andes. Helaas zijn ten behoeve van de jacht o.a.
edelhert, wild zwijn en haas ingevoerd die ook vaste voet in de
reservaten hebben gekregen. De natuurbescherming begint vaste vormen aan
te nemen, maar de naleving van de desbetreffende wetten laat nog veel te
wensen over. Het nationale park Iguazu, naar de gelijknamige
watervallen, ligt op de grens met Brazilië en omvat vnl. tropisch
regenbos.
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
Argentinië heeft een grotendeels blanke bevolking (90%) die vnl. van
Italiaanse en Spaanse afkomst is. Daarnaast zijn er veel Argentijnen van
Duitse, Engelse en Oost-Europese afkomst. Ca. 5% van de totale bevolking
bestaat uit mestiezen. Het aantal Indianen wordt op 30.000 à 40.000
geschat en neemt af. De Argentijnse joodse gemeenschap (ca. 300.000) is
de grootste van Latijns-Amerika en in belangrijkheid de vijfde ter
wereld. De bevolkingsgroei is vrij laag, 1,47%.
Van de Argentijnse bevolking, die in 1995 ca. 34,3 miljoen zielen telde,
woont 87% in de steden. Buenos Aires is de grootste stad met bijna 3
miljoen inw. en Groot-Buenos Aires (incl. het stedelijk gebied) telt
zelfs 10,7 miljoen inw., dwz. 30% van de bevolking, en in de provincie
Buenos Aires woont vrijwel de helft van de bevolking van Argentinië.
Andere grote stedelijke agglomeraties zijn Córdoba, La Matanza (San
Justo) en Rosario. Rondom de grote steden liggen vilas miserias
(krottenwijken), maar minder dan in andere Latijns-Amerikaanse landen.
Het dunst bevolkt is Patagonië, waar slechts 1% van de bevolking woont;
het dichtst bevolkt is het La Platabekken.
2.2 Taal
De officiële taal is Spaans. Daarnaast worden Italiaans en enkele
Indianentalen gesproken, o.a. Guaraní.
2.3 Religie
Ruim 90% van de bevolking behoort tot de Rooms-Katholieke Kerk. In
sommige gebieden paste de Rooms-Katholieke Kerk zich aan de Indiaanse
godsdiensten aan. Er bestaat godsdienstvrijheid, de Rooms-Katholieke
Kerk is geen staatskerk. Er zijn 13 aartsbisdommen en 44 bisdommen. 2%
van de bevolking (vnl. van Duitse afkomst) is protestants, 2% is joods.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Argentinië kent formeel een presidentiële democratie, vastgelegd in de
grondwet die dateert uit 1853. De president, wiens macht volgens de
nieuwe grondwet van 1994 iets is ingeperkt, benoemt en ontslaat de
minister-president en de ministers. Hij is tevens opperbevelhebber van
de strijdkrachten en mag één keer herkozen worden.
De wetgevende macht bestaat uit het Congres, gevormd door de Senaat van
72 leden en de Kamer van Afgevaardigden met 254 leden. De president en
vice-president worden voor een ambtsperiode van vier jaar via directe
verkiezingen gekozen. Er bestaat stemplicht voor alle burgers van 18 tot
70 jaar.
3.2 Administratieve indeling
Argentinië bestaat uit 22 provincies, het federale district Buenos Aires
en het nationale gebied Tierra del Fuego (Vuurland). Het provinciale (in
directe verkiezingen gekozen) parlement kiest een gouverneur. De nieuwe
grondwet van 1994 verleent de provincies een grotere autonomie.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Argentinië is lid van de Verenigde Naties en haar commissies, van de
Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Alliantie voor de
Vooruitgang, de Economische Commissie voor Latijns-Amerika en de Cariben
(ECLAC), de Interamerikaanse Ontwikkelings Bank (IDB), de
Latijns-Amerikaanse Associatie voor Integratie (LAIA) en behoort tot de
niet-gebonden landen.
3.4 Partij- en vakbondswezen
De twee voornaamste politieke organisaties zijn de Radicale Burgerunie (UCR),
die in 1890 werd opgericht en in het begin van de de 20ste eeuw, in de
jaren zestig en van 1983 tot 1989 de president leverde, en de peronisten
(Partido of Movimiento Justicialista), die in de personen van Juan
Domingo Perón en Isabel Perón van 1946 tot 1955 en van 1973 tot 1976 aan
de macht waren. De verkiezingen van 1989 brachten de peronisten in de
persoon van Carlos Menem opnieuw aan de regering. De UCR telt 1, 4
miljoen leden; de Peronistische Partij 3 miljoen. Daarnaast bestaan nog
diverse kleine partijen, zoals het linkse Frente País Solidario (Frepaso)
en de gematigd linkse Unie van het Democratisch Centrum (UCD).
De vakbeweging speelt een essentiële rol in het Argentijnse politieke
leven. De CGT (Confederación General del Trabajo, het Algemeen Verbond
van de Arbeid) groeide onder de eerste regering-Perón (1946-1955) uit
tot een grote politieke macht. Sindsdien geldt zij in belangrijke mate
als draagster van het peronistische cultuurgoed. Het sterkste blok in de
CGT wordt gevormd door de peronistische '62 organisaties'. De vakbonden
houden zich niet alleen bezig met de strijd voor meer loon en betere
voorzieningen, maar bieden ook een aantal voorzieningen voor hun leden
op medisch en sociaal terrein, waaronder vakantiewoningen. Van de 1100
vakbonden was tot in de jaren negentig ca. 90% aangesloten bij de CGT,
maar in 1994 zorgden ambtenaren en leraren voor een scheuring door een
eigen vakbond, het Congreso de Trabajadores Argentinos (CTA), op te
richten.
4. Economie
4.1 Inleiding
Argentinië behoorde voor de Tweede Wereldoorlog tot de meest welvarende
landen in de wereld dankzij de export van granen, vlees en huiden. De
opbrengst uit de landbouwsector werd gebruikt om een binnenlandse
industrie tot ontwikkeling te brengen achter beschermende tariefmuren.
In de jaren vijftig moest de achtergebleven agrarische sector het
langzamerhand afleggen tegen andere landbouwexporteurs, terwijl de
industrie niet productief genoeg was om op de wereldmarkt te concurreren
met de geïndustrialiseerde landen. Het aandeel van Argentinië in de
wereldhandel daalde van 3% in 1929 tot 0,5% in de jaren tachtig. De
toename in overheidsuitgaven in de periode Perón ter financiering van de
industrie en de sociale voorzieningen brachten een geldontwaarding op
gang die tot op heden voortduurt. In 1984 beliep de inflatie zelfs 700%.
Sedertdien werden ambitieuze anti-inflatieprogramma's afgekondigd (bijv.
het Plan Austral in juni 1985), maar deze konden de geldontwaarding
slechts tijdelijk verminderen. De structurele oorzaken voor de
economische teruggang (lage productiviteit, slechte exportpositie, hoge
overheidsuitgaven, speculatie en kapitaalvlucht door de financiële
elite) werden niet aangepakt en een modernisering van de economie bleef
uit. In de jaren zeventig trokken de regeringen op grote schaal leningen
aan uit het buitenland om de overheidstekorten te financieren. De
buitenlandse schuld steeg van $ 6,4 miljard in 1976 tot $ 84 miljard in
1995. Een groot deel van de kredieten werd echter tijdens het militaire
regime gebruikt voor financiële speculatie en de aankoop van militaire
goederen en luxe consumptiegoederen in het buitenland; te weinig
leningen werden aangewend voor productieve investeringen of ter
verbetering van de in verval geraakte infrastructuur. De regering
Alfonsín was niet in staat de rente en aflossing op de buitenlandse
schuld te betalen en sloot in 1984 het eerste van een reeks akkoorden
met het IMF, dat bijstandsleningen verstrekte op voorwaarde dat de
economie aangepast zou worden. Drastische bezuinigingsmaatregelen
leidden tot een daling van het reëel besteedbaar inkomen, terwijl de
economie stagneerde. Tussen 1981 en 1988 daalde het bnp per hoofd van de
bevolking met 15% tot $ 8060 in 1994.
4.2 Agrarische sector
Het aandeel van de landbouw in het bnp (bruto nationaal product) daalde
de afgelopen decennia tot 7% in 1994. Ongeveer 10% van de
beroepsbevolking is werkzaam in deze sector, die echter verantwoordelijk
is voor 35% van de deviezeninkomsten. Ruim 70% van de totale
bodemoppervlakte wordt voor landbouw gebruikt, waarvan het grootste deel
bestemd is voor veeteelt (12 resp. 52%). Buenos Aires is agrarisch de
belangrijkste provincie. Het grootgrondbezit is in Argentinië dominant:
ca. 70% van de cultuurgrond was in de jaren zeventig in handen van 6%
van de landeigenaren. Ondanks veelvuldig aangekondigde agrarische
hervormingsmaatregelen zijn de agrarische bezitsverhoudingen gedurende
de laatste tientallen jaren nauwelijks aangetast. De belangrijkste
akkerbouwproducten zijn tarwe, maïs, fruit, oliehoudende vruchten, soja
en vlas in de pampa, wijn rondom Mendoza en suikerriet bij Tucumán. In
Entre-Rios worden yerba maté (bittere thee) en rijst verbouwd. De
rundveestapel telde in 1990 meer dan 50 miljoen stuks. Bijna 90% van de
vleesproductie wordt in eigen land geconsumeerd. Het aandeel van vlees
in de totale export daalde van 28% in het begin van de jaren zeventig
tot 10% in de jaren tachtig. In Patagonië is schapenteelt.
4.3 Bosbouw
Argentinië beschikt over economisch-exploitabele bossen over 22% van
zijn grondgebied. In de noordelijk gelegen Gran Chaco wordt
quebracho-extract gewonnen, waaruit farmaceutische producten gemaakt
worden, o.a. tannine.
4.4 Visserij
Argentinië heeft in 1969 zijn territoriale wateren uitgebreid van 12 tot
200 zeemijlen om zich te verzekeren van het rijke visbestand in het
zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan. Van een optimale benutting is
het nog niet gekomen. Visvangst is belangrijk tussen Mar del Plata en
Bahía Blanca (sardines en tonijn) en aan de Patagonische kust (kabeljauw
en sardines).
4.5 Mijnbouw en energievoorziening
De mijnbouw is voor de werkgelegenheid en export van geringe betekenis;
minder dan 1% van de beroepsbevolking is in deze sector werkzaam. Het
aandeel van mijnbouw in het bnp bedroeg in 1985 2, 8%. De rijkdommen aan
delfstoffen zijn nog onontgonnen. Het belangrijkste product is aardolie
dat al in 1907 werd ontdekt bij Comodore Rivadavia in Patagonië, nog
steeds een belangrijk winningsgebied. Andere velden liggen in het
noorden en westen van het land. De exploitatie is in handen van het
staatsbedrijf YPF. Argentinië voorziet vrijwel geheel in zijn
aardoliebehoefte. In 1978 brak de Argentijnse regering met haar
traditionele beleid om de exploitatie voor te behouden aan het
staatsbedrijf YPF. Buitenlandse ondernemingen werden uitgenodigd
offshore-exploraties en -exploitaties te verrichten in het uiterste
zuiden van het land. Op het Argentijnse continentale plat bij Tierra del
Fuego (Vuurland), dat zich uitstrekt tot de Falklandeilanden, worden
voorraden vermoed die gelijk zijn aan die welke onder de bodem van de
Noordzee worden aangetroffen.
Aardgas wordt vaak tezamen met aardolie gewonnen. De eigen productie
dekt ca. 80% van de binnenlandse behoefte. Het restant werd via een
pijpleiding vanuit Bolivia ingevoerd. In de zuidelijke provincie Santa
Cruz wordt steenkool gewonnen. Voor de uitbreiding van de productie zijn
infrastructurele werken in uitvoering (o.a. een zuiveringsfabriek en een
nieuwe haven bij Punta Loyola). De grote afstanden tot de gebruikscentra
maken de exploitatie duur. In het noordwesten van de Andes worden asbest
en beryllium (o.m. toegepast bij kernenergie) gewonnen. Daarnaast ook
lood, zink, koper, zilver en wolfraam (toegepast in o.m. de
elektronische industrie).
Argentinië bezit een groot potentieel aan hydro-elektriciteit dat in de
jaren zeventig tot ontwikkeling is gebracht door middel van gezamenlijke
projecten met Paraguay aan de rivier de Paraná en met Uruguay. In 1982
werd de Salto Grande krachtcentrale voltooid aan de grensrivier de
Uruguay. Argentinië heeft de beschikking over kernenergie door een
centrale in Atucha (provincie Buenos Aires) en in Río Tercero (provincie
Córdoba). Er staan tot 2000 nog vier kerncentrales op de agenda. Uranium
wordt in het land zelf gewonnen.
4.6 Industrie
De jonge industrie geeft werk aan ongeveer 34% van de beroepsbevolking
en levert 29% van het bnp. De belangrijkste industrieën zijn nog steeds
verbonden met de agrarische sector, zoals de textiel- en
voedselindustrieën (vooral de vleesverwerkende industrie), suiker- en
matéfabrieken. Verder zijn er industrieën, waar elektrische en
huishoudelijke apparaten, autocarrosserieën, plastic goederen, kleding
e.d. worden geproduceerd. Perón heeft getracht ook het ontstaan van
basisindustrieën te stimuleren, zoals de door de staat opgezette
staalfabriek van San Nicolás. Zijn ideaal, een nationale industrie die
onafhankelijk zou zijn van het buitenland voor wat betreft het aankopen
van machines, is echter geen werkelijkheid geworden. In de jaren
zeventig en tachtig werden industrieën gedenationaliseerd.
4.7 Dienstverlening en handel
Deze sector is vooral onder Perón sterk gegroeid. In 1994 werkte 66% van
de beroepsbevolking in deze sector en was haar aandeel aan het bnp 64%.
De regering streeft ernaar de uit haar krachten gegroeide
overheidsbureaucratie in te krimpen. Ook wordt gepoogd dienstverlenende
overheidsbedrijven te privatiseren. De belangrijkste invoerproducten
zijn: machines, transportmateriaal, ijzer- en staalproducten, en
chemische producten. De uitvoer betreft vooral vlees, tarwe, fruit, wol,
katoen, soja, lijnzaad, huiden en quebracho (grondstof voor looiextract).
De voornaamste handelspartners zijn de Verenigde Staten, de EG en de
LAIA-landen (m.n. Brazilië en Chili). In 1995 bedroeg de waarde van de
export $ 20.893 miljoen en de import $ 19!969 miljoen. De uitvoer van
vlees heeft nogal te lijden gehad van de importstop van de EG. In 1995
ondertekenden Argentinië, Paraguay, Urugay en Brazilië een akkoord
gericht op economische integratie in de regio, MERCOSUR.
4.8 Economische plannen en ontwikkelingssamenwerking
De plannen van de regering om de economie te stimuleren waren beperkt
succesvol. Wél lukte het de inflatie te beteugelen tot 0, 5% in 1996.
Argentinië behoort vanwege zijn relatief hoge inkomen per hoofd van de
bevolking ($ 8060 in 1994) niet tot de landen die omvangrijke bedragen
aan ontwikkelingsgelden ontvangen. Tussen 1960 en 1975 ontving het land
van internationale organisaties ca. $ 1 miljard. De Verenigde Staten
stelden in dezelfde periode ca. $ 250 miljoen ter beschikking. In 1986
ontving Argentinië $ 88 miljoen aan ontwikkelingshulp. Van groter belang
zijn de kredieten die het IMF en de Wereldbank in de jaren tachtig
verleend hebben. Zo ontving het land in 1986 voor $ 2, 3 miljard aan
leningen van overheden en internationale instellingen. De kredieten van
internationale particuliere banken, die in de jaren zeventig op grote
schaal leningen hadden verstrekt, bedroegen in 1986 slechts $ 300
miljoen. De buitenlandse schuld bedroeg in 1995 84 miljard dollar.
4.9 Bankwezen
De Centrale Bank werd opgericht in 1935 en in 1946 genationaliseerd.
Veel particuliere banken zijn gedurende de laatste 15 jaar in
buitenlandse (vooral Amerikaanse) handen overgegaan. De grootste
handelsbank is de Banco de la Nación Argentina, een staatsbank. In 1992
waren er 214 bancaire instellingen actief, met 4086 filialen en 123!000
bedienden.
4.10 Verkeer
Het Argentijnse wegennet omvat in totaal 220.000 km, waarvan in 1985 26%
geasfalteerd was. Ca. 90% van het personen- en 60% van het vrachtvervoer
geschiedt over de wegen. Voor de spoorwegen zijn die cijfers 8% resp.
15%. Lange tijd golden de spoorwegen als de hoofdaders van het
Argentijnse wegennet. Vanaf 1970 is de totale lengte van het net met 15%
teruggebracht, zodat het in 1988 34!192 km mat. Rails en rollend
materieel zijn verouderd en worden geleidelijk aan vervangen. Ook zijn
er plannen voor elektrificatie van het spoorwegnet. Argentinië heeft
vier zeehavens: Buenos Aires, La Plata, Comodoro Rivadavia en Bahía
Blanca. De twee grote zuidwaarts stromende rivieren de Paraná en de
Uruguay zijn goed bevaarbaar. De rivieren Colorado en Negro in
Noord-Patagonië zijn alleen bevaarbaar voor kleine schepen. De
luchtvaartmaatschappij Aerolíneas Argentinas is de belangrijkste
onderneming (in 1991 overgenomen door een consortium o.l.v. Iberia). De
tweede luchtvaartmaatschappij, Austral Líneas Aéras, werd in 1987
geprivatiseerd. De luchthaven van Buenos Aires, Aeroparque, is een van
de grootste ter wereld en wordt door vrijwel alle grote internationale
luchtvaartmaatschappijen aangedaan. Argentinië bezit 271 vliegvelden
waarvan er 10 door het internationaal verkeer gebruikt worden.
5. Toeristische
gegevens
Het buitenlands toerisme (vooral uit Uruguay, Paraguay en de Verenigde
Staten) neemt nog een ondergeschikte positie in. Het land is rijk aan
natuurschoon en biedt vele mogelijkheden voor recreatie (jagen,
sportvissen, watersport). Uiteraard trekt de hoofdstad Buenos Aires met
zijn parken, imposante bouwwerken, theaters (w.o. het beroemde
operahuis, het Teatro Colón), musea en galerieën jaarlijks duizenden
bezoekers uit binnen- en buitenland. Bovendien ligt nabij de stad een
uitgestrekt recreatiegebied: honderden beboste eilandjes in de delta van
Paraná. Bezienswaardig zijn verder o.m. de stad Córdoba, hoofdstad van
de gelijknamige provincie, die bekend staat om haar aangenaam klimaat,
de oude provinciehoofdsteden in het noorden als Tucumán, Jujuy,
Catamarca (waar zich ook warme bronnen bevinden) met hun bouwwerken uit
de koloniale periode, het in 1553 gestichte Santiago del Estero, de
oudste stad van het land, en Salta, een belangrijk toeristencentrum.
De provincie Misiones, in het uiterste noordoosten, draagt deze naam
vanwege de nederzettingen die hier in de 17de eeuw door de jezuïeten die
er missioneerden werden gesticht. In de door hen opgerichte bouwwerken
gaan Spaanse en inheemse architectuur harmonieus samen, zoals te zien is
in een aantal indrukwekkende ruïnes, waaronder het nationale monument
San Ignazio Mini (1696). In deze provincie bevinden zich ook de
wereldberoemde watervallen in de rivier de Iguaçú, een van de grootste
toeristische attracties van het land. In de provincie San Luis zijn in
holen en grotten nog rotsschilderingen te zien; in deze provincie en in
de gelijknamige hoofdstad zijn ook nog vele overblijfselen uit de
koloniale tijd te zien.
Zeer karakteristiek zijn de pampa's, de schier eindeloze grasvelden, die
zich in de provincie La Pampa, maar ook daarbuiten, uitstrekken. Aan
deze provincie grenst de provincie Mendoza, waarin de hoogste toppen van
de Andes liggen (Aconcagua); hier bevindt zich ook, in het dal van Las
Cuevas, een beroemde natuurlijke brug, die door het water in de rotsen
is geboord: een geweldige stenen boog van ca. 50 m lengte. De provincie
is verder beroemd om haar wijn en haar vele minerale bronnen. Befaamde
bronnen zijn er ook in Rio Hondo (Aguas del Sol) in de provincie
Santiago del Estero. Toeristisch in trek is ook het merengebied
Bariloche (een nationaal park) in het zuidwesten. De belangrijkste
plaats is hier San Carlos de Bariloche, 's winters (juli-september) een
wintersportcentrum. Tot slot zij nog vermeld de provincie Neuquén in het
noordwesten van Patagonië, waarin zich diverse natuurparken bevinden.
6. Geschiedenis
6.1 De koloniale tijd
De Spaanse aanwezigheid in het gebied dat thans in Argentinië ligt begon
in 1516, toen Juan Díaz de Solis de La Plata-rivier opvoer. In 1536
begon Pedro de Mendoza met de bouw van een nederzetting waaraan de naam
Santa Maria del Buen Aire (heilige maagd van de goede winden) werd
gegeven. Wegens voedselgebrek en voortdurende aanvallen van Indianen
moest hij zich terugtrekken. De kolonisatoren stichtten diverse
nederzettingen, o.a. Santa Fe en Asunción, nu hoofdstad van Paraguay,
dat lange tijd het administratieve centrum was. In 1580 werd Buenos
Aires voor de tweede keer gesticht, door Juan de Garay. Gedurende de
17de en 18de eeuw had Spanje vrijwel geen belangstelling voor
Argentinië, omdat het geen economische waarde had; men vond er geen
edele metalen, de Indiaanse bevolking wilde niet voor de Spanjaarden
werken en het land werd ongeschikt geacht voor akkerbouw en diende
slechts voor veeteelt. De ontwikkeling van het gebied verliep bijzonder
traag, ook omdat Spanje de handel allerlei restricties oplegde, waarvan
vooral Nederlandse en Engelse smokkelaars dankbaar gebruik maakten. In
1776 werd een afzonderlijk vice-koningschap Río de la Plata gevormd en
directe handel met Spanje werd toegestaan. Het contact met Europa en
Amerika wakkerde de onafhankelijkheidszin aan. Kort na de Franse
Revolutie groeide het verzet tegen de Spaanse overheersing, gevoed door
het op handelsvoordelen beluste Engeland. In 1810 ontbrandde er een
opstand tegen de Spaanse troepen, die in 1816 resulteerde in de
onafhankelijkheidsverklaring van Tucumán.
6.2 De onafhankelijkheid
De onafhankelijkheid bracht echter geen rust; zoals in vele andere
Latijns-Amerikaanse republieken ging die gepaard met interne strijd.
Vooral de tegenstelling tussen stad en platteland speelde in Argentinië
een grote rol. De federalistisch gezinde gaucho's kwamen telkens weer in
verzet tegen de unionistisch gezinde hoofdstad, wat tot een jarenlange
machtsstrijd leidde. In 1830 kwam Juan Manuel de Rosas met steun van de
gaucho's aan de macht. Hij heerste eerst tot 1833 en daarna van 1835 tot
1852. De Rosas was van oorsprong een federalist, maar hij stelde een
sterk gecentraliseerd gezag in. Gedurende zijn tweede machtsperiode
voerde hij een waar schrikbewind; bij duizenden werden tegenstanders
gevangengenomen en ter dood veroordeeld. Hieraan werd een eind gemaakt
door generaal Urquiza; hij verjoeg De Rosas, wijzigde de grondwet en
werd in 1853 de eerste president van Argentinië.
De strijd tussen stad en land, tussen nationalisten en federalisten,
woedde nog tientallen jaren voort, waarbij o.m. de status van de
hoofdstad Buenos Aires in het geding was, totdat president Julio Roca
(1880-1886) de hoofdstad onder direct bestuur van de regering plaatste,
afgescheiden van de provincie Buenos Aires. Maar nog heerste er geen
rust, wat verergerd werd door de strijdvraag vóór of tegen de Verenigde
Staten, die steeds meer invloed kregen op de economie van de
Latijnsamerikaanse republieken, en door de steeds weer oplaaiende
oorlogen met Brazilië en Paraguay. In deze strijd stonden de aan het
bewind zijnde conservatieven tegenover de radicalen, die in 1916 aan de
macht kwamen toen Hipólito Irigoyen president werd. Hij ijverde vooral
voor modernisering en democratisering van het land; zo werd het algemeen
verplicht, geheim kiesrecht ingevoerd. Ondanks druk van de Verenigde
Staten bleef Argentinië in de Eerste Wereldoorlog neutraal en verdiende
het schatten door de hoge graanprijzen. In 1918 brak een economische
crisis uit, gepaard met grote sociale onrust.
6.3 Het interbellum
Argentinië was een van de eerste Latijnsamerikaanse staten die lid werd
van de Volkenbond. In 1920 trok het zich uit deze organisatie terug,
toen zijn voorstel Duitsland in de Bond op te nemen, werd verworpen.
President Alvear (1922-1928), die de gouden standaard voor het land
herstelde, werd weer opgevolgd door Irigoyen. Diens tweede
presidentschap dreigde te ontaarden in een dictatuur, waaraan in 1930
door een revolutie een einde gemaakt werd. Hij werd opgevolgd door
generaal Uriburu, die op zijn beurt een jaar later moest plaats maken
voor generaal Justo (1931-1938). Beide regeringen vertoonden autoritaire
neigingen en verzetten zich tegen het streven van de Verenigde Staten
naar een grotere inter-Amerikaanse solidariteit. Onder de
Zuid-Amerikaanse staten kreeg Argentinië steeds meer gezag, wat tot
uiting kwam, toen de bekwame minister van Buitenlandse Zaken Saavedra
Lamas in 1936 een einde wist te maken aan de slepende Gran Chaco-oorlog.
In 1938 werd Ortiz president, die in 1940 werd opgevolgd door zijn
vice-president Castillo. Angstvallig hield deze Argentinië buiten de
Tweede Wereldoorlog, wat de tegenwerking van de Verenigde Staten
uitlokte. In 1943 werd de regering-Castillo omvergeworpen door een
militaire opstand onder leiding van de generaals Rawson en Ramirez. De
eerste was één dag president en werd opgevolgd door Ramirez, die de
diplomatieke betrekkingen met Duitsland verbrak. Op het laatste ogenblik
verklaarde Argentinië de oorlog aan Duitsland en Japan.
6.4 Periode-Perón
Rawson en Ramirez behoorden tot de Grupo de Oficiales Unidos, een
ultranationalistische organisatie, waarin
Juan Domingo Perón (zie foto) een centrale figuur was. In de regering van
president Farrell, die Ramirez in 1944 opvolgde, had Perón als minister
van Oorlog de meeste macht. Toen Perón zich in 1946 tot president liet
kiezen, brak voor Argentinië een nieuwe periode aan. Hij voerde een
totalitair bewind, dat al gauw ontaardde in een dictatuur, doorbrak de
oude partijtegenstellingen en herstelde daarmee de nationale eenheid,
verbeterde de sociale voorzieningen en verwierf aanvankelijk, mede door
zijn vrouw Eva (zie
Evita Perón), een grote populariteit, ook buiten de
grenzen van Argentinië. De periode-Perón werd ook gekenmerkt door
beknotting van de persvrijheid, nationalisaties, geforceerde
industrialisatie ten koste van de landbouw, sterk stijgende
overheidsuitgaven die het land economisch aan de rand van de afgrond
brachten en door opstanden die met geweld onderdrukt werden. Het verzet
tegen Perón werd steeds sterker. Toen hij in 1955 het rooms-katholicisme
als staatsgodsdienst afschafte en twee bisschoppen deporteerde, werden
Perón en enkele anderen door de paus geëxcommuniceerd (de ban werd in
1963 opgeheven). Inmiddels begonnen ook het leger en de vloot zich tegen
het regime te keren, wat leidde tot de opstand van sept. 1955 en de
vlucht van Perón naar Spanje.
6.5 De periode 1955-1976
Op 23 sept. 1955 werd Eduardo Lonardi president, nog geen maand later
opgevolgd door generaal Pedro Aramburu. Geleidelijk keerde het land tot
liberale verhoudingen terug; onteigende bezittingen werden teruggegeven,
de economische politiek werd gericht op inflatiebestrijding, het
staatshandelsmonopolie werd opgeheven en buitenlands kapitaal werd
aangetrokken. De politieke toestand bleef echter onrustig; na de val van
Perón werd een heksenjacht ontketend op peronisten.
In 1958 werd de radicaal Arturo Frondizi met steun van communisten en
peronisten tot president gekozen. Tevergeefs trachtte hij de economie te
zuiveren met een versoberingsprogramma, waarmee hij het peronistische
Algemeen Vakverbond CGT tegen zich in het harnas joeg. Onder pressie van
de strijdkrachten moest Frondizi het kabinet wijzigen; Alvaro Alsogoray,
die een liberale economische politiek voorstond, werd benoemd tot
minister van Economische Zaken. De buitenlandse politiek van Frondizi
(hij zocht toenadering tot de Verenigde Staten) wekte veel weerstand.
Alleen al in 1959 kreeg hij 25 regeringscrises te verwerken. De
peronisten begingen tal van terreurdaden tot hun in 1961 weer werd
toegestaan aan verkiezingen deel te nemen. Bij de parlementsverkiezingen
in 1962 behaalden de peronisten een onverwacht grote overwinning, wat
leidde tot het vertrek van Frondizi en een langdurige crisis, waarbij
het ene kabinet op het andere volgde, terwijl de macht in handen was van
de strijdkrachten. Deze benoemden in maart 1962 de voorzitter van de
senaat, José Maria Guido, tot staatshoofd. De greep van de
strijdkrachten op de regering werd steeds groter; zij bewerkstelligden
dat politieke partijen verklaarden anticommunistisch en antitotalitair
te zijn en verboden de communistische partij.
In juli 1963 werd de radicaal Arturo Illia tot president gekozen. Hij
kondigde een politiek van economisch nationalisme af en deed een beroep
op de strijdkrachten hun onderlinge twisten bij te leggen. De
betrekkingen met de Verenigde Staten, die sinds het optreden van
Frondizi iets beter waren geworden, bekoelden weer toen in oktober de
olieconcessies van Amerikaanse maatschappijen werden ingetrokken.
In dec. 1964 deed ex-president Perón een poging naar Argentinië terug te
keren; zijn vliegtuig werd evenwel in Rio de Janeiro door de
Braziliaanse autoriteiten teruggestuurd. Zijn (derde) echtgenote, Isabel
de Perón, werd wel in Argentinië toegelaten, waar zij in jan. 1966 de
leiding van de door onderlinge verdeeldheid bedreigde peronisten op zich
trachtte te nemen. Bij de verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden
kwamen de peronisten met hun Union Popular, die hun verboden Partido
Justicialista moest vervangen, opnieuw als de sterkste partij uit de
bus; zij behaalden 30% van de stemmen tegen 28,6% voor de Radicale
Burgerunie van Illia. Door de voortdurende inflatie, aanhoudende pressie
van de militairen en in het algemeen een weinig doortastend beleid
boette de regering-Illia aan gezag in. Op 28 juni 1966 werd Illia
afgezet: hij werd de volgende dag opgevolgd door generaal Onganía, die
in nov. 1965 wegens een geschil met Illia als opperbevelhebber ontslag
had genomen. Onganía, die aanvankelijk een vrij grote populariteit
genoot, beloofde een op modernisering gericht, anticommunistisch beleid
en verbood alle politieke partijen. Hij gaf de hoogste prioriteit aan de
economische ontwikkeling. In het besef dat daarvoor sociale rust een
eerste vereiste was zocht hij naar een modus vivendi met de door
peronisten geleide vakcentrale CGT, wat hem gedeeltelijk gelukte. In aug.
1967 werd een wet tegen het communisme van kracht. Inmiddels waren de
olieconcessies aan buitenlandse maatschappijen weer toegestaan. In 1969
braken ernstige onlusten uit, veroorzaakt door ontevredenheid over het
sociaal-economisch beleid en het ondemocratische karakter van de
regering-Onganía. In juni 1970 werd Onganía opzij geschoven door een
junta, met als sterke man luitenant-generaal A. Lanusse, die
brigadegeneraal R.M. Levingston als president naar voren schoof. Lanusse
nam in maart 1971, nadat in nov. 1970 door de CGT omvangrijke stakingen
waren georganiseerd, zelf het heft in handen. Als president kondigde hij
de terugkeer naar een burgerlijk bestuur en nieuwe verkiezingen aan. Het
verbod op de peronistische partij (sedert jan. 1973 weer onder de naam
Partido Justicialista) werd opgeheven, en met Perón werden in Madrid
onderhandelingen gevoerd over diens terugkeer. De PJ riep Perón uit tot
haar presidentskandidaat, maar om procedurele redenen werd zijn
kandidatuur door de regering afgewezen. De PJ stelde toen H. Cámpora
kandidaat, die op 11 maart 1973 met 49% van de stemmen tot president
werd gekozen. Hij bleef echter slechts tijdelijk. Nadat Perón in juni
1973 was teruggekeerd in Argentinië maakte Cámpora vrij baan voor hem en
trad af. Op 23 sept. 1973 werd Perón met 62% van de stemmen tot
president gekozen. Zijn vrouw Isabel benoemde hij tot vice-president.
Hij werd geconfronteerd met een sterke verdeeldheid in de peronistische
beweging tussen linkse en rechtse groeperingen. De rechtse peronisten,
waaronder de leiding van de CGT, wisten de overhand te krijgen en Perón
zuiverde de partij van linkse groepen (guerrillabewegingen,
jeugdorganisaties, radicale vakbonden). De politieke crisis in het land
werd verscherpt toen Perón op 1 juli 1974 overleed en als president werd
opgevolgd door zijn vrouw Isabel. Een golf van bomaanslagen,
ontvoeringen en andere gewelddaden, zowel van links als van rechts,
overspoelde het land. Tegen het politiek-maatschappelijk systeem
kampten, via (stads)guerrilla, de links-peronistische Montoneros en het
trotskistische Revolutionaire Volksleger (ERP), beide in 1974 verboden.
De uiterst rechtse Argentijnse Anticommunistische Alliantie (AAA), een
van de zgn. 'doodseskaders', kon onbelemmerd op grote schaal
contraterreur plegen. Sedert nov. 1974 regeerde Isabel Perón krachtens
de noodtoestand. De economische situatie werd kritiek, en tot op het
hoogste niveau heerste corruptie. De CGT, die zich steeds kritischer
ging opstellen, dwong via stakingen de regering tot toegeven aan
looneisen. Bovendien wisten vakbonden, politici en militairen de
presidente te bewegen tot het ontslag van López Rega, die zich als haar
secretaris en minister van Welzijn een machtige positie had verworven.
6.6 De militaire junta
Op 24 maart 1976 werd Isabel Perón door de militairen afgezet en
gearresteerd (in juni 1981 werd zij vrijgelaten, waarna zij in Spanje in
ballingschap ging).
De macht kwam in handen van een militaire junta bestaande uit de
opperbevelhebbers van de drie strijdmachtonderdelen: luitenant-generaal
Jorge Videla, die tot president werd benoemd, admiraal Emilio Massera en
brigadegeneraal Orlando Agosti. Belangrijkste doelstellingen van het
regime waren het onderdrukken van alle vormen van oppositie en het
doorvoeren van een nieuwe economische politiek. Minister van Economische
Zaken werd Martínez de Hoz, die de economie volledig liberaliseerde en
een recessiepolitiek voerde om de inflatie te beteugelen. In de 'vuile
oorlog' van de tweede helft van de jaren zeventig werden niet alleen de
guerrillabewegingen Montoneros en ERP uitgeroeid, maar kon iedereen die
verdacht werd van oppositie ontvoerd, gemarteld en vermoord worden. Een
officiële onderzoekscommissie documenteerde in 1984 de ontvoering door
militairen van 8960 personen. Mensenrechtenorganisaties schatten het
werkelijke aantal 'vermisten' op 30!000 burgers. De groepering 'Dwaze
Moeders' begon vanaf 1977 opheldering te vragen over het lot van hun
ontvoerde familieleden. De leider van een van de
mensenrechtenorganisaties, Adolfo Pérez Esquivel, ontving in 1980 de
Nobelprijs voor de vrede.
Op 29 maart 1981 werd Videla opgevolgd door generaal Roberto Viola, maar
al op 22 dec. 1981 nam de extreem-nationalistische generaal Leopoldo
Galtieri het presidentschap over. Nadat Argentinië in 1978 al bijna in
oorlog was geraakt met Chili om de soevereiniteit over het nabij
Vuurland gelegen Beaglekanaal, gingen de militaire machthebbers op 2
april 1982 over tot een invasie van de Falklandeilanden (Malvinas), een
door Groot-Brittannië gekoloniseerde eilandengroep voor de kust van
Argentinië. De Argentijnse militairen verwachtten dat een Britse reactie
zou uitblijven, maar de Britse regering besloot een expeditieleger te
sturen. Op 16 juni 1982 gaf de Argentijnse bevelhebber op de
Falklandeilanden, generaal Mario Menéndez, zich over. Ongeveer 800
Argentijnse en 200 Britse militairen waren in de korte oorlog omgekomen.
Het rampzalige economische beleid en de beschamende nederlaag op de
Falklandeilanden hadden het militaire regime volledig gedemoraliseerd.
Generaal Galtieri trad af als president en opperbevelhebber van het
leger en werd op 22 juni 1982 opgevolgd door generaal Reynaldo Bignone,
die de terugkeer naar een burgerregering moest regelen.
6.7 Periode-Alfonsín
Op 30 okt. 1983 vonden algemene verkiezingen plaats voor het
presidentschap en het Congres. De Radicale Burgerunie (UCR) behaalde 52%
van de stemmen en haar kandidaat,
Raúl Alfonsín, werd op 10 dec. 1983 geïnstalleerd als nieuwe
burgerpresident. President Alfonsín slaagde er niet in de inflatie een
halt toe te roepen en economisch herstel tot stand te brengen. Voorts
maakte Alfonsín op 27 dec. 1983 de door het militaire regime op 23 sept.
1983 afgekondigde amnestiewet voor militairen ongedaan. Hij verklaarde
dat de bij schendingen van de mensenrechten betrokken militairen zouden
worden berecht. Op 10 dec. 1985 veroordeelde een burgerlijke rechtbank
ex-president Videla en admiraal Massera tot levenslang en de overige
vier voormalige juntaleden tot kortere gevangenisstraffen.
Alfonsín was in 1985 op het hoogtepunt van zijn populariteit.
Tussentijdse verkiezingen voor de helft van de zetels in de Kamer van
Afgevaardigden leverden de UCR een zetel winst op, terwijl de
peronisten, die verdeeld de verkiezingen waren ingegaan, zeven zetels
verloren. In mei 1986 werden ex-president Galtieri en zijn
mede-juntaleden brigadegeneraal Lami Dozo en admiraal Anaya door een
militair tribunaal veroordeeld tot gevangenisstraffen van acht tot
veertien jaar vanwege hun rol in de Falklandoorlog. Onder druk van het
militaire opperbevel diende de regering in dec. 1986 een wetsvoorstel in
dat inhield dat alleen nog militairen konden worden berecht die vóór 22
febr. 1987 formeel in staat van beschuldiging waren gesteld. Ondanks
heftige protesten van de kant van mensenrechtenorganisaties, die het
voorstel een verkapte vorm van amnestie noemden, keurde het Congres de
zogenaamde 'Punto Final'-wet op 23 dec. 1986 goed. Tot groot ongenoegen
van de militairen waren op 22 febr. 1987 ongeveer 400 officieren van
leger en politie, onder wie de voormalige presidenten Galtieri en
Bignone, in staat van beschuldiging gesteld.
Er ontstond een ernstige crisis toen tijdens de paasdagen (15-19 april)
van 1987 twee legereenheden in opstand kwamen tegen de regering, en de
legerleiding weigerde tegen de rebellen op te treden. Om de onrust weg
te nemen stelde Alfonsín een nieuwe wet voor die amnestie verleende aan
militairen met de rang van luitenant-kolonel of lager, omdat zij slechts
orders van hogerhand hadden uitgevoerd. Op 23 juni 1987 trad deze zgn.
wet van gepaste gehoorzaamheid in werking, waarna de rechtszaken tegen
vrijwel alle aangeklaagden werden stopgezet. Het leger bleef echter
aandringen op een volledige amnestie, die ook zou moeten gelden voor de
in dec. 1985 veroordeelde leiders van de militaire dictatuur. In jan. en
dec. 1988 kwam het opnieuw tot opstanden van enkele legeronderdelen.
De populariteit van Alfonsín en zijn UCR was inmiddels op een dieptepunt
gekomen. De algemene verkiezingen van 14 mei 1989 leverden een
overwinning op voor de peronisten en hun presidentskandidaat Carlos Saúl
Menem. De populistisch georiënteerde Menem nam (vervroegd) in juli 1989
het presidentschap van Alfonsín over, waarmee voor het eerst sedert 1928
een democratisch gekozen president de macht zou overdragen aan een
andere, eveneens gekozen president.
Op 18 okt. 1984 ondertekenden Argentinië en Chili een verdrag tot
regeling van de soevereiniteit over het Beaglekanaal en drie eilanden in
deze waterweg. Tot een regeling van het conflict met Groot-Brittannië
over de Falklandeilanden (Malvinas) kwam het in febr. 1990.
Na langdurige druk van de strijdkrachten verleende Menem in okt. 1989
gratie aan 39 hoge officieren, die tijdens de militaire dictatuur
(1976-1983) de ontvoering, marteling en verdwijning van 30!000 burgers
georganiseerd hadden. Voorts werd amnestie gegeven aan 174 militairen
die hadden deelgenomen aan de militaire opstanden van april 1987 en jan.
en dec. 1988, én aan 64 voormalige aanhangers van de peronistische
guerrillabeweging Montoneros. In dec. 1990 verleende Menem amnestie aan
de leden van de voormalige junta's en enkele andere hoge officieren en
burgers, die in 1985 veroordeeld waren tot lange gevangenisstraffen
wegens schendingen van de mensenrechten tijdens de militaire dictatuur.
Onder hen waren de ex-presidenten Videla en Viola.
In aug. schafte Argentinië de dienstplicht af en ging over tot invoering
van een beroepsleger. De verkiezingen van mei 1995 werden gewonnen door
de zittende president Menem. In hetzelfde jaar erkende de legertop dat
de strijdkrachten in de 'vuile oorlog' (1976-1983) tegen linkse
opposanten verantwoordelijk waren geweest voor de moord op en de
verdwijning van duizenden politieke tegenstanders.
De economische teruggang en de grote werkloosheid leidden in de jaren
1994, 1995 en 1996 tot veel sociale onrust.
Telefoongids Argentinië
Postcodes
Argentinië
|