De
Atlantische Oceaan is het deel van de wereldzee dat tussen Europa en
Afrika enerzijds en Amerika anderzijds gelegen is. De naam ‘Atlantische
zee’ (mare atlanticum, naar het Atlasgebergte in het oude Mauretania,
thans Marokko) komt reeds in de oudheid voor, doch werd alleen voor een
beperkt zeegebied ten westen en zuidwesten van de Straat van Gibraltar
gebruikt. Op de kaart van Gerardus Mercator van 1569 werd voor het eerst
de naam Atlantische Oceaan gegeven aan de gehele Noord-Atlantische
Oceaan; en het was Bernhardus Varenius die in 1650 in zijn Geographia
generalis ook de Zuid-Atlantische Oceaan onder deze naam betrok.
Begrenzing en vorm
In het zuiden wordt de Atlantische Oceaan begrensd door het antarctische
continent. Ten zuiden van Afrika wordt als grens met de Indische Oceaan
de meridiaan van Kaap Agulhas (20° O.L.) genomen; ten zuiden van
Zuid-Amerika laat men de grens met de Grote Oceaan van Kaap Hoorn naar
de Zuid-Shetlandeilanden (King George Island) lopen en van daar naar
Grahamland, dat tot Antarctica behoort. In het noorden wordt de gehele
Noordelijke IJszee oceanografisch bij de Atlantische Oceaan gerekend. De
grens met de Grote Oceaan loopt hier dus door de betrekkelijk nauwe (58
km) en ondiepe (ca. 60 m) Beringstraat. Als ‘binnenzeeën’ behoren
eveneens tot de Atlantische Oceaan de Oostzee, de Middellandse Zee (met
de Zwarte Zee) en de Hudsonbaai. Verder zijn er vele meer open randzeeën
aan te wijzen (de Noordzee bijv.).
Als geheel vertoont de Atlantische Oceaan een langwerpige vorm met een
merkwaardige S-bocht, die zowel door de kust van Midden- en Zuid-Amerika
als door die van Afrika gevolgd wordt. De Noord-Atlantische Oceaan is
zeer onregelmatig van vorm door de talrijke baaien en randzeeën.
Daardoor is de totale lengte van de kustlijn van de Atlantische Oceaan
groter dan de lengten van de kustlijnen van de beide andere oceanen
samen.
Zeestromingen
Het meest opvallend in het grote patroon van zeestromingen zijn de grote
oost–weststromingen die ter weerszijden van de evenaar optreden: tussen
20° N.Br. en 10° Z.Br. gaan een Noordelijke en een Zuidelijke
Equatoriale Stroom van de Afrikaanse kust westwaarts, in het oosten
gescheiden door een west–oost gerichte tegenstroom, de Guineastroom.
Bij Kaap San Roque splitst zich de Zuidelijke Equatoriale Stroom en gaat
een deel als Braziliaanse Stroom zuidwaarts langs de kust van
Zuid-Amerika tot nabij 40° Z.Br., ofschoon hij reeds eerder begint af te
buigen naar het oosten. Hier ontmoet hij de koude noordwaarts gerichte
Falklandstroom (die gedeeltelijk eronder duikt), steekt samen met de
Westenwinddrift over naar Zuid-Afrika, waar de Benguelastroom in
noordelijke richting langs de westkust van Afrika het water zijn
kringloop doet voltooien.
De andere tak van de Zuidelijke Equatoriale Stroom gaat langs de
noordkust van Zuid-Amerika en verenigt zich met de Noordelijke
Equatoriale Stroom; samen gaan zij deels door de Caribische Zee en de
Golf van Mexico, deels als Antillenstroom langs de buitenzijde van de
West-Indische eilanden.
Het water dat de Golf van Mexico binnenstroomde, verlaat deze weer door
de Straat van Florida als Floridastroom; in het nauwste deel van de
Straat (tussen Florida en de Bahama's, breedte 80 km, grootste diepte
800 m) bereikt de stroom een gemiddelde snelheid van 2 m/s. Deze
Floridastroom, verderop Golfstroom genoemd, verenigt zich met de
Antillenstroom en loopt tot Kaap Hatteras dicht onder de Amerikaanse
kust langs. De snelheid blijft groot. Het Golfstroomwater is warm, van
hoog zoutgehalte en donkerblauw van kleur. Bij Kaap Hatteras verlaat de
stroom de kust en gaat hij ten slotte over in de Atlantische Stroom, die
veel breder en langzamer is en onder invloed van de heersende
zuidwestelijke tot westelijke winden verkeert. Een gedeelte van deze
aanvankelijk oostelijke stroming buigt ten westen van Portugal
zuidwaarts om en keert als Canarische of Noord-Afrikaanse stroom naar de
Noordelijke Equatoriale Stroom terug. Op deze wijze ontstaat in de
Noord-Atlantische Oceaan een gesloten kringloop, waarbinnen het water
vrij rustig is, maar plaatselijk ook een zekere convergerende beweging
vertoont, wat daar tot een langzaam neerdalen van water voert. Het
andere deel van de Atlantische Stroom, populair ook Golfstroom genoemd,
steekt van Newfoundland de Noord-Atlantische Oceaan scheef over, splitst
een zijtak af langs IJslands zuidkust, de Irminger Stroom, en loopt voor
het overige door tot bij Nova Zembla en Spitsbergen.
Op drie plaatsen komt de Golfstroom met koude stromen uit de Poolzee in
aanraking, met de Labradorstroom, de Oost-Groenland- en de
Oost-IJslandstroom. De snelheden van al deze stromingen zijn zeer
verschillend, sommige zijn betrekkelijk traag, sommige zijn plaatselijk
vrij snel (bijv 0,5 à 1 m/s, of 1 à 2 zeemijlen per uur), terwijl de
grootste snelheden worden gevonden in de Golfstroom aan de westkant van
de oceaan (tegenover de Verenigde Staten), waar soms een snelheid van
2,5 m/s (5 zeemijlen per uur) is waargenomen. Op grote diepten heersen
zeer langzame waterbewegingen, onderdeel van de grote diepzeecirculatie.
De noordelijke Atlantische Oceaan speelt in de waterhuishouding van de
gehele wereldzee een belangrijke rol wat betreft de diepzeecirculatie.
Het warmere water dat met de Golfstroom naar het noorden gaat, koelt
tussen Noorwegen en Groenland sterk af, waardoor het zwaarder wordt en
naar de diepte zinkt. Het stroomt dan naar het zuiden af ter compensatie
van het water dat aan de oppervlakte van de zuidelijke Atlantische
Oceaan naar de noordelijke Atlantische Oceaan toestroomt. Via de
Antarctische Oceaan stroomt het dieptewater verder naar de Grote en de
Indische Oceaan met als gevolg dat beneden een diepte van ca. 1500 m het
water van de wereldzee grotendeels afkomstig is van de noordelijke
Atlantische Oceaan.
Verkeer en visserij
Gelegen tussen de twee volkrijke en economisch hoog ontwikkelde
continenten, Europa en Noord-Amerika, is de Atlantische Oceaan, in het
bijzonder het noordelijke deel, de drager van het grootste deel van het
wereldscheepvaartverkeer. Van de droge lading die jaarlijks over zee
wordt vervoerd, komt gemiddeld ca. 70% voor rekening van de Atlantische
Oceaan en hiervan wordt weer het grootste deel vervoerd over de zgn.
Noord-Atlantische route (West-Europa–Noord-Amerika), die tevens de
drukst bevlogen intercontinentale vliegroute is. Veel geringer van
omvang is het verkeer tussen Europa en resp. Afrika en Zuid-Amerika,
tussen Noord-Amerika en beide werelddelen en nog bescheidener is het
verkeer tussen deze laatste twee werelddelen onderling.
De vaartijd is, door de steeds snellere schepen, geleidelijk ingekort en
bedraagt thans (Hamburg–New York) 8–14 dagen, de vliegtijd daarentegen
slechts 6–10 uur (beide afhankelijk van het weer). Het passagiersvervoer
per schip ondervindt aanzienlijke concurrentie van de luchtvaart: in
1958 werden voor het eerst méér personen door de lucht over de
Atlantische Oceaan vervoerd dan per schip. Het Panamakanaal en het
Suezkanaal vormen de kortste verbindingen met de andere oceanen.
Ter beveiliging van scheepvaart en luchtvaart liggen thans weerschepen
op het noordelijk halfrond in de oceaan. De internationale
ijspatrouilledienst (Ice Patrol Service) geeft bericht over de
bewegingen van de ijsbergen bij de Newfoundland Bank.
Het berichtenverkeer over de Atlantische Oceaan vindt sedert 1866 via
telegraafkabels, sedert 1914 via draadloze telegrafie en sedert 1956 via
telefoonkabels plaats. Sedert 1962 wisselt men, via satellieten, ook
tv-programma's tussen Amerika en Europa uit.
Niet alleen als drager van het scheepvaartverkeer, doch ook als
visserijgebied is de Atlantische Oceaan van economische betekenis. Van
de totale wereldvisvangst wordt ca. 50% op de Atlantische Oceaan
gevangen, waarvan ca. 30% in het noordoosten, 12% in het noordwesten, 4%
in het zuiden en 3% in de Middellandse Zee als nevenzee. De visgronden
liggen vrijwel uitsluitend in de shelfgebieden (continentaal plateau met
diepten minder dan 200 m). Haring en kabeljauw zijn de belangrijkste
vissoorten. In het Antarctische deel van de oceaan is de walvisvangst
van betekenis (zie walvisvaart). In het Arctische deel werd vroeger
jacht gemaakt op de sterk in aantal verminderde Groenlandse walvis; dit
is echter sinds 1946 verboden, behoudens de zeer geringe vangst door de
plaatselijke bevolking. Zie voorts visserijrecht en zeerecht. |