|

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Australië heeft een compacte en afgeronde vorm, zonder sterke
geledingen; de enige zeebochten van grotere omvang zijn de
Carpentariagolf, de Joseph Bonapartegolf en de Van Diemengolf in het
noorden en de Grote Australische Bocht, de Spencergolf en de St.-Vincentgolf
in het zuiden. Er zijn dan ook slechts twee grote schiereilanden:
Arnhemland en Cape Yorkschiereiland. De gemiddelde hoogte van 360 m
(inclusief de eilanden 340 m) is op die van Europa na de laagste van
alle continenten (wereldgemiddelde 875 m).
In het oosten van het continent ligt het bergland, dat met een steile
rand afdaalt naar een kustvlakte van wisselende breedte; talrijke
rivieren doorbreken dit bergland in nauwe kloven op hun weg naar de
oceaan. Het bergland bestaat uit een reeks van hoogvlakten,
middelgebergten, bekkens en dalen, doorsneden door rivieren die deels
diep ingesneden, deels brede, vlakke dalen vormen. De ruggengraat van
het gebied wordt gevormd door het Grote Scheidingsgebergte (Great
Dividing Range). Het hoogste punt vormt Mt. Kosciusko (2230 m) in de
Australian Alps. In New South Wales zijn sporen van vroeger vulkanisme
te vinden (maren, explosiekraters).
Naar het westen toe gaat het bergland nauwelijks merkbaar over in de
grote vlakten van het centrale laagland, dat gemiddeld slechts 180 m
hoog ligt en op de diepste punten zelfs tot beneden de zeespiegel daalt.
Het wordt door lage ruggen in een drietal grote bekkens verdeeld: het
noordelijke Carpentariabekken, welks rivieren via uitgestrekte
mangrovemoerassen de Carpentariagolf bereiken; voorts het grote centrale
Eyrebekken, waarin het Eyremeer (-12 m) het laagste punt van het
continent vormt. Het is een van de droogste gebieden van de aarde en
bestaat deels uit zandwoestijnen (Simpson Desert); de rivieren verliezen
zich in de roodachtige zand- en leembodem. Het grootste bekken is het
Murray-Darlingbekken, van het Eyrebekken gescheiden door de Grey Range
en de Main Barrier Range (Mt. Sturt 427 m), doorstroomd door de van de
Snowy Mountains komende Murray, de enige constant watervoerende rivier
van Australië. Tussen deze en de Darling ligt een kale, vrijwel
boomloze, zouthoudende vlakte, slechts onderbroken door enkele
galerijwouden langs de droge beddingen van enkele rivieren, die
uitsluitend in de regentijd water voeren.
Even geleidelijk als in het oosten gaat het centrale laagland in het
westen over in het grote westelijke plateau, een 500-700 m hoog,
uitzonderlijk vlak gebied, waaruit slechts hier en daar gebergten
oprijzen, o.a. de wilde, sterk versneden parallelle rotsketens van de
Macdonnell Ranges, door het Amadeusmeer gescheiden van de Musgrave
Ranges, en in het uiterste westen de Hamersley Range, terwijl in het
noordwesten en noorden de lage tafelgebergten van Kimberley en
Arnhemland liggen. Daartussen liggen uitgestrekte, uit langgerekte
roodachtige duinenreeksen bestaande zandwoestijnen, spaarzaam begroeid
met woestijngras, woestijneiken en acacia's (Tanami Desert, Great Sandy
Desert, Great Victoria Desert). In het gebied liggen talrijke zoutpannen
en -meren en droge, bochtige rivierbeddingen. Enkele eilandbergen (Ayers
Rock, Mt. Olga) werden door hun merkwaardige vorm tot heilige plaatsen
voor de Aborigines. Twee lager liggende gebieden dringen diep in dit
plateaulandschap door: in het noorden het Canning Basin en in het zuiden
de volstrekt vlakke Nullarbor Plain. Ook in het westen grenst het
plateau met een steile rand aan de kustvlakte, die hier, in
tegenstelling tot de oostkust, droog is met slechts weinige rivieren,
die in zoute strandmeren uitmonden.
1.2 Geologie en delfstoffen
Australië bestaat uit een grondgebergte opgebouwd uit gedeelten van
gebergteketens van verschillende ouderdom, die tezamen een deel van het
oude supercontinent Gondwanaland vormen. Er kunnen drie provincies in
dit grondgebergte onderscheiden worden, nl. de Tasmanprovincie in
Oost-Australië, de Arunta-Gawlerprovincie in Centraal-Australië en de
Pilbara-Yilgarnprovincie in West-Australië. Deze drie provincies zijn
gescheiden door grote gebieden met vlakliggende, plaatselijk zwak
geplooide sedimenten van paleozoïsche, mesozoïsche en kaenozoïsche
ouderdom.
De Tasmanprovincie bestaat uit laat-precambrische en paleozoïsche
gesteenten die tijdens het Devoon en Perm sterk geplooid werden. Daarbij
traden gesteentemetamorfose en granietintrusie op. De
Arunta-Gawlerprovincie is opgebouwd uit vroeg- en midden-proterozoïsche
gesteenten, die 1700-1800 miljoen jaar geleden een eerste belangrijke
plooiing en hooggradige metamorfose ondergingen. In het Laat-Precambrium
en Boven-Paleozoïcum vond overschuiving van dekbladen plaats, en wel in
het noordelijk gelegen Aruntablok naar het zuiden en in het zuidelijke
Gawlerblok naar het noorden. Het ertussen gelegen Amadeusbekken werd
aldus van beide zijden overschoven. Het Pilbaragebied behoort met het
Yilgarngebied tot de oudste gedeelten van Australië; zij werden tijdens
het Archaeïcum, omstreeks 3100 miljoen jaar geleden, gevormd. Van west
naar oost worden de gebergtevormende bewegingen en de daaraan
deelnemende gesteenten steeds jonger.
Australië is rijk aan delfstoffen. Goud komt voor in de precambrische
gesteenten van Western Australia, Northern Territory, South Australia en
de westelijke delen van Queensland en New South Wales, die sterke
metamorfose ondergingen. Te zamen met goud komen ook koper (Queensland
en New South Wales), zink, lood en zilver (dezelfde gebieden) voor; in
mindere mate tin, wolfraam en bismut. De belangrijkste
uraniumafzettingen vindt men bij Darwin in precambrische zwarte leien.
In jongere formaties vindt men als tertiair verweringsproduct bauxiet
(Kaap Yorkschiereiland, Northern Territory). De rijke steenkoollagen
liggen vrijwel geheel in het oosten en zijn geologisch betrekkelijk
jong: de lagen van New South Wales en Queensland stammen uit het Perm,
de bruinkool in Victoria en South Australia uit het Tertiair. IJzererts
komt voor in South Australia en in het noordwesten. In de jaren zestig
werden, vnl. langs de kust, voorts in Mereenie (het zuiden van het
Northern Territory) en in de Indische Oceaan ten noorden van Barrow
Island, alsmede in Bass Strait (Zuidoost-Australië) aardgas- en
olievelden ontdekt. Ilmeniet is aangetroffen in het zuidwesten van
Western Australia, mangaan in het centrale deel daarvan, nikkel weer
meer naar het zuiden, evenals fosfaat, dat ook aan de oostkust en op
Tasmanië voorkomt. In 1966 heeft men te Kampala (Western Australia) een
laag van hoogwaardig nikkelsulfide-erts ontdekt.
1.3 Klimaat
Door zijn ligging tussen 10° Z.Br. en 40° Z.Br. heeft Australië voor het
grootste gedeelte een subtropisch klimaat. Dit geldt niet voor het
uiterste noorden, waar het klimaat werkelijk tropisch of equatoriaal kan
worden genoemd en voor het zuiden en Tasmanië, waar, evenals in
Nieuw-Zeeland, ten zuiden van 35° Z.Br., de westelijke winden van
gematigde breedte reeds overheersen. Het continent zelf ligt, althans in
het winterhalfjaar, in de baan van de van west naar oost trekkende
subtropische hogedrukgebieden, terwijl in het zomerhalfjaar de
subtropische maxima in hoofdzaak ten zuiden van Australië langs trekken,
waardoor over het continent de zuidoostpassaat waait. Dit heeft tot
gevolg dat het binnenland het gehele jaar slechts weinig neerslag
ontvangt. Aan de oostkust en een gedeelte van de zuidkust vallen
stuwregens, terwijl in de zomer het noordelijke gedeelte van Australië
in het equatoriale regengebied ligt. Daarbij representeert Darwin, in
het noorden, het tropische gedeelte van Australië met uitgesproken
zomerneerslag, een voorbeeld van een savanneklimaat. Alice Springs, in
het midden van het continent, heeft een aride klimaat; de jaarlijkse
neerslag in mm (282) is kleiner dan de gemiddelde jaartemperatuur (21
°C) plus 14. De overige weerstations liggen in de gematigde regenzone.
Daarbij moet de grote jaarlijkse neerslagsom in Sydney worden
toegeschreven aan stuw tegen het gebergte langs de oostkust.
Australië vormt een brongebied voor continentaal-tropische lucht (cTL).
Deze lucht beheerst het weer in de wintermaanden en zijn grote droogte
leidt dan tot lage temperaturen. De cTL wordt van tijd tot tijd
verdrongen door maritiem tropische neerslagrijke lucht (mTL), die vooral
van de Grote Oceaan wordt aangevoerd. Ook maritiem polaire lucht (mPL),
afkomstig uit het uitgestrekte brongebied boven de oceaan ten zuiden van
Australië, kan, met name in het winterhalfjaar, het gebied binnenstromen
en veroorzaakt dan winterregens (Perth en Wellington; Nieuw-Zeeland).
Zowel aan de noordwest- als aan de noordoostkust van Australië komen in
de zomer en het najaar tropische cyclonen voor (Willy Willies).
1.4 Waterhuishouding
Slechts de hooglanden in het zuidoosten, het kustgebied van Queensland
tot Victoria en het uiterste zuidwesten hebben voldoende water. De
Murray vormt met de Darling en de Murrumbidgee het enige werkelijke
rivierenstelsel, waarbij de Murray nog een groot traject door een droog
gebied moet afleggen. Het grote Eyrebekken is afvoerloos; de daarin
liggende 'meren' zijn in werkelijkheid meestal grote zoutvlakten, waarin
de meestal droge beddingen van rivieren uitmonden. Deze voeren slechts
zeer zelden water, alleen na stortregens in het bergland van Queensland
kunnen zij plotseling tot woeste en vernielende stromen aanzwellen; er
staat dan ook enig water in het Eyremeer, dat echter spoedig weer
verdampt. Een gebied van ca. 2,6 miljoen km2 in het binnenland, tussen
de noordwestkust en de Macdonnell Ranges en tussen Kimberley en de Grote
Australische Bocht, heeft geen geordend afwateringssysteem en is vrijwel
waterloos. Hiertoe behoort ook de totaal boomloze en slechts met een
zoutsteppevegetatie begroeide Nullarbor Plain in het zuiden, waar de
neerslag (250 mm per jaar) onmiddellijk door de lemige oppervlaktelaag
in de onderliggende poreuze, verkarste kalklaag wegzakt en ondergronds
zuidelijk naar de Indische Oceaan afvloeit.
Tegenover deze waterarme oppervlakte staat een zeer rijke voorraad aan
onderaards water, vnl. in de vorm van artesisch water, dat aanwezig is
in een twintigtal grote en kleinere artesische bekkens; het grootste van
deze, het Grote Artesische Bekken, is 1,75 miljoen km2 groot; de
waterproductie ervan bedraagt dagelijks ca. 1,5 miljoen m3. Voorts wordt
uit vele bronnen subartesisch water gewonnen (d.i. artesisch water dat
moet worden opgepompt). Het water is meestal brak en is dan ook voor
menselijke consumptie en voor bevloeiing ongeschikt; als drinkwater voor
het vee heeft het echter grote steppegebieden in het binnenland als
weidegebied toegankelijk gemaakt, vnl. voor de enorme schapenkudden.
1.5 Plantengroei
De Australische plantenwereld vormt een apart florarijk, Australis
genaamd. Drie componenten stellen de Australische flora samen: a. het
antarctische element, bestaande uit geslachten die eveneens in
Zuid-Amerika voorkomen (zie Antarctis); b. het Maleise element, dat het
sterkst vertegenwoordigd is in de regenwouden in het noorden; c. het
eigenlijke Australische deel van de flora, waarvoor de grote
veelvormigheid van de geslachten Acacia en Eucalyptus vooral
karakteristiek is.
1.6 Dierenwereld
Het vasteland van Australië behoort, evenals Nieuw-Guinea, Tasmanië,
Nieuw-Zeeland en een aantal eilandengroepen in de Grote Oceaan, tot het
dierengeografische hoofdgebied Notogaea (Australische Regio of
Zuiderrijk). De zeer bijzondere fauna reflecteert enerzijds de
merkwaardige geschiedenis van Australië na het uiteenvallen van het
zuidelijke supercontinent Gondwana en anderzijds de langdurige isolatie
van dit grote eiland. Geen ander deel van de wereld herbergt een zo
merkwaardige fauna als Australië. Onder de zoogdieren ontbreken vrijwel
alle hoger ontwikkelde orden; de ca. 235 soorten zijn voor de helft
buideldieren (Marsupialia) en eierleggende zoogdieren (Monotremata of
snaveldieren), en voor de andere helft moderne zoogdieren (Placentalia),
welke laatste echter uitsluitend bestaan uit vleermuizen en knaagdieren.
Daarnaast werd al lang voor de komst van de blanken de dingo, een
verwilderde hond, ingevoerd. De talrijke buideldieren vormen tezamen een
klassiek voorbeeld van adaptieve radiatie (veelvormigheid opgetreden als
gevolg van geringe of ontbrekende concurrentie voor wat de ecologische
mogelijkheden betreft). Door het ontbreken van concurrerende moderne
zoogdieren zijn de buideldieren in Australië gaan klimmen, zwemmen,
graven, enz. en hebben zij zich op talloze verschillende typen van
voedsel gespecialiseerd, wat weer geleid heeft tot een opvallende
convergentie (gelijkvormigheid zonder verwantschap) met de moderne
zoogdieren elders. Onder de buideldieren treft men zodoende
insecteneter-, knaagdier-, roofdier- en andere typen aan, wat al tot
uiting komt in de Nederlandse namen: buidelmol, buidelmuis,
buideleekhoorn, buidelwolf, enz. De kangoeroes vormen het equivalent van
de graseters van de vlakten van Afrika (antilopen) of Eurazië en
Noord-Amerika (herten). De moderne zoogdieren die Australië eveneens
bevolken, zijn ook in veel gevallen merkwaardig. Daarnaast is door
toedoen van de mens een aantal diersoorten van elders ingevoerd die de
oorspronkelijke fauna verdrongen hebben of bezig zijn dat te doen. Het
beruchtste dier is ongetwijfeld het konijn, in 1859 ingevoerd als
jachtwild. Na een traag begin bereikten de populaties snel ongehoorde
plaagproporties. Bestrijding door middel van uit hun oorspronkelijke
verspreidingsgebied ingevoerde roofdieren als vossen had weer treurige
gevolgen voor de Australische fauna.
De vogelwereld is rijk (ca. 650 soorten) en bijzonder karakteristiek.
Endemisch zijn o.a. paradijsvogels en prieelvogels (beide ook op
Nieuw-Guinea), de liervogels, honingzuigers en de struisvogelachtige
emoe. Hoenders (behalve grootpoothoenders), spechten en gieren ontbreken
geheel. Australië is zeer rijk aan papegaaiachtigen (55 soorten),
ijsvogels en duiven. Meer dan 200 soorten vertegenwoordigen endemische
families en subfamilies; daarnaast komen nog talrijke eigenaardige
vormen voor als de zwarte zwaan en de reuzenijsvogel (kookaburra of
Lachende Hans).
Het aantal soorten reptielen is vrij groot (iets minder dan 400 soorten)
en bestaat uit krokodillen (in het noorden), meer dan 100 slangen
(waaronder naast zeer giftige ook grote wurgslangen, pythons), meer dan
200 hagedissen (waaronder o.a. 15 varanen, de grootste plaatselijke
concentratie van deze familie van reuzenhagedissen) en (endemische)
zoetwaterschildpadden. Bekende hagedissen zijn de groteske bergduivel of
moloch en de kraaghagedis (Chlamydosaurus kingi). De amfibieën omvatten
uitsluitend kikvorsen, vaak van zeer oude groepen. Zoetwatervissen zijn
weinig soortenrijk (minder dan 200 soorten); karperachtigen ontbreken
geheel. De opvallendste vorm is de archaïsche Australische longvis van
Queensland, een overblijfsel van een eens wijd verspreide groep van
zoetwatervissen.
De insecten, totaal ongeveer 55!000 soorten, waarvan bijna 20!000
kevers, vertonen een zelfde beeld, nl. een mengfauna van oude elementen,
waarbij verwantschappen met Zuid-Amerika opvallen, en meer recente
groepen, die veelal uit Azië afkomstig zijn. Vrijwel altijd ontbreekt
een aantal moderne groepen. Ook de andere ongewervelde dieren zijn vaak
zeer eigenaardig (bijv. de reuzenaardwormen). De zeeën rond Australië
herbergen een zeer rijke fauna, waarvan die van het Great Barrier Reef
(een reeks van koraaleilanden) wereldwijde faam geniet. Talloze
zeedieren zijn in hun verspreiding beperkt tot de zeeën rond Australië.
In het tropisch regenwoud langs de noordkust en de drogere bostypen
langs de oostkust leven talrijke klimmende buideldieren als de
boomkangoeroe, voskoesoe, koeskoes (met grijpstaart) en koala of
buidelbeer (een voedselspecialist, die uitsluitend in gomboombossen met
bomen van het geslacht Eucalyptus leven kan); op de grond vindt men daar
o.a. de grijze kangoeroe, wallabie, de vrijwel uitgestorven buidelwolf
(Tasmanië), buidelduivel (vnl. aaseter), vogelbekdier (eierleggend
zoogdier, langs water), kasuaris en liervogel. Op de uitgestrekte
savannen vindt men kangoeroes, knaagbuideldieren, wombats (gravers),
buideldassen, mierenegels (eierleggende zoogdieren), emoes en
papegaaiachtigen (kaketoes, e.a.). De fauna in het droge centrale
woestijngebied is niet rijk aan soorten, maar omvat wel eigenaardige,
aan de barre omstandigheden aangepaste vormen (kangoeroes, buidelmuizen,
buidelmol, parkieten, slangen en hagedissen).
De flora en fauna van Australië worden momenteel ernstig bedreigd, niet
alleen door de mens, maar ook, en niet in de laatste plaats, door de
invoer van uitheemse gewassen en dieren (flora- en faunavervalsing).
Vele diersoorten (o.a. de koala en het vogelbekdier) genieten
bescherming, o.a. in reservaten. Andere dieren (kangoeroes) worden
geëxploiteerd voor het vlees en de huiden en als (vermeende)
weideconcurrenten van de schapen gedood.
  
2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking van Australië, in 1995 geschat op ruim 18 miljoen, is voor
het grootste deel van Europese, vnl. Britse, afkomst. De Angelsaksische
groep vormt bijna 70% van de bevolking van Australië. Slechts 1,5% van
de totale bevolking stamt af van de oorspronkelijke bewoners van
Australië, de Aborigines. Vele Aborigines handhaven hun tribale banden,
maar nog slechts weinigen volgen de nomadische levenswijze van hun
voorouders. De meeste Aborigines leven in noordelijk en
Centraal-Australië. 1,3% van de bevolking bestaat uit Aziaten. De
bevolking van Australië is zeer ongelijk over het land verdeeld; ca. B
leeft in het oostelijke en zuidoostelijke kustgebied. Ofschoon Australië
met een bevolkingsdichtheid van 2,4 inw. per km2 tot de dunst bevolkte
landen ter wereld gerekend kan worden, behoort het tot de meest
verstedelijkte landen ter wereld: meer dan 85% van de bevolking woont in
de steden.
In de vijftig jaar na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog is de
Australische bevolking meer dan verdubbeld. Deze toename is voor een
deel te verklaren uit het immigratiebeleid. Dit beleid heeft vanaf de
eerste Europese vestigingen een belangrijke plaats ingenomen in de
ontwikkeling van Australië. Na de Tweede Wereldoorlog is er sprake van
een doelgericht immigratiebeleid op grote schaal; een tekort aan
arbeidskrachten, de zorg om uit veiligheidsoverwegingen de bevolking te
vergroten en de noodzaak van economische groei en ontwikkeling brachten
de Australische regering ertoe een Departement voor Immigratie te
vestigen. De algemene richtlijn was jaarlijks ca. 1% van de bevolking
aan immigranten toe te laten. Dit streefcijfer is vrijwel in geen enkel
jaar gehaald. Toch kan gesproken worden van een succesvol
immigratiebeleid. In het algemeen assimileerden de immigranten vrij snel
en de meesten vroegen het Australische staatsburgerschap aan, dat na
drie jaar verleend kan worden. De homogeniteit van de Australische
bevolking is het resultaat van wat officieel de 'established Australian
immigration policy' heet. Vanaf het begin van de 20ste eeuw heeft elke
Australische regering er op toegezien, dat geen anderen dan Europeanen
zich blijvend vestigden in Australië. Vandaar dat dit beleid ook wel
bekend staat als 'white Australia policy'. In de jaren zestig is dit
beleid geleidelijk aan verzacht, zodat in het midden van de jaren
zeventig jaarlijks ca. 3500 niet-Europeanen in Australië als immigrant
werden toegelaten. Sedert het begin van de jaren zeventig is het
immigratiebeleid met het oog op de verslechterende sociaal-economische
situatie strenger geworden. De afnemende immigratie, te zamen met het
langzaam dalende geboortecijfer, zijn de oorzaken van de sinds 1970
dalende bevolkingsgroei. In de periode 1980-1995 was de groei nog
slechts 1,4% (van 1960 tot 1970 nog 2%). In de jaren tachtig nam de
immigratie uit Aziatische landen een enorme vlucht en oversteeg die uit
Europese landen met gemak. De levensverwachting bij geboorte was in 1995
voor vrouwen ruim 81 jaar en voor mannen 75 jaar (voor Aborigines liggen
die cijfers veel lager: 62 resp. 57 jaar). De kindersterfte was in 1992
9‰ (in 1965 nog 19‰).
2.2 Taal
De officiële taal is het Engels.
2.3 Religie
De grondwet garandeert volledige godsdienstvrijheid. In 1991 was 26%
rooms-katholiek, behoorde 24% tot de Anglicaanse Kerk en 10% tot het
methodisme en presbyterianisme; 3% was Grieks-orthodox.
3. Bestuur en
samenleving
3.1 Staatsinrichting
Australië is een parlementaire democratie, lid van het Gemenebest van
Naties en formeel onderworpen aan het gezag van de Britse vorst(in), die
wordt vertegenwoordigd door een gouverneur-generaal en door de
gouverneurs van de zes deelstaten. De Grondwetswijziging van 1986
schafte de nog bestaande controle van het Britse parlement over
Australische wetgeving af.
De deelstaten vormen tezamen een federatie: 'the Commonwealth of
Australia'. Het bestuur van de deelstaten is op dezelfde wijze ingericht
als dat van de federatie. De beide interne territoriale gebieden, de
Northern Territory en het gebied rond Canberra (Australian Capital
Territory) hebben een afhankelijker positie tegenover de federale
regering, die eveneens verantwoordelijk is voor het volledige bestuur
over de externe territoria. Volgens de grondwet is de
gouverneur-generaal staatshoofd en formeel belast met de uitvoerende
macht. In vrijwel alle kwesties handelt hij echter alleen op advies van
de ministers van de federatieve regering. De gouverneurs van de
deelstaten vervullen een soortgelijke functie. De wetgevende macht
berust bij het Australische parlement, dat bestaat uit het Huis van
Afgevaardigden (het Lagerhuis) met 148 leden en de Senaat (het
Hogerhuis) met 76 leden. De leden van het Huis van Afgevaardigden worden
in de verschillende deelstaten gekozen naar rato van hun respectieve
bevolkingsgrootte. Verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden vinden
ten minste eens in de drie jaar plaats. Naar de Senaat vaardigt elke
deelstaat twaalf leden af. Het getal van 76 wordt bereikt doordat het
Australian Capital Territory en Northern Territory elk twee senatoren
afvaardigen. De leden van de Senaat vervullen een ambtstermijn van zes
jaar, waarbij elke drie jaar de helft van de Senaat opnieuw gekozen
wordt. Senatoren uit de twee interne territoriale gebieden hebben echter
een ambtsperiode van drie jaar. Wetsvoorstellen moeten door beide kamers
aangenomen zijn alvorens zij kracht van wet bezitten. Is een wet van een
deelstaat strijdig met een federatieve wet dan prevaleert de
laatstgenoemde. Er bestaat algemene stemplicht voor personen vanaf 18
jaar.
In 1997 werd een volksconventie ingesteld (voor de helft door de
Australiërs gekozen), die een uitspraak gaat voorbereiden over de vraag
of het land een republiek moet worden of een parlementaire monarchie
binnen het Britse Gemenebest moet blijven. De meningen hierover waren in
de jaren negentig ongeveer gelijk verdeeld. Een eventuele uitspraak in
het voordeel van een republiek behoeft overigens bekrachtiging door
eenzelfde uitspraak door de Australiërs zelf via een referendum.
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Australië is lid van de Verenigde Naties en haar organisaties, het
Gemenebest van Naties, de OESO, het Anzus-Pact, het Colombo-Plan en de
South Pacific Commission Verder heeft Australië een
vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) met Nieuw-Zeeland.
3.3 Aborigines
Een moeilijk en urgent sociaal probleem voor de Australische regering is
dat van de Aborigines, de oorspronkelijke bevolking. Toen in 1788 de
eerste blanke kolonisten uit Engeland op de oostkust van Australië
arriveerden, was dit continent bewoond door ca. 300!000 inboorlingen,
door hen Aborigines genoemd. Hun aantal is de afgelopen 200 jaar sterk
teruggelopen, o.a. door ziekten en uitroeiing. De blanke kolonisten en
hun nakomelingen hebben geleidelijk aan de beste stukken land in bezit
genomen, terwijl de Aborigines moesten uitwijken naar de meest
onherbergzame delen van het Australische continent.
In de jaren zestig van de 20ste eeuw werden juist in die gebieden
economisch belangrijke bodemschatten ontdekt: uranium in het berggebied
van Arnhemland en bauxiet op de westkust van de Carpentariagolf (Queensland).
Dit had een gedwongen migratie voor de Aborigines ten gevolge naar nog
onvruchtbaarder woonplaatsen. De schadevergoeding aan de Aborigines,
waartoe de regering de mijnbouwondernemingen verplichtte, kon nauwelijks
als compensatie gelden.
Het in 1972 geïnitieerde regeringsbeleid inzake de Aborigines (vooral
betrekking hebbend op opheffing van de achterstelling op het gebied van
onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid en behuizing) heeft nog niet
veel positieve resultaten opgeleverd. Dit wordt deels veroorzaakt door
verzet van de oorspronkelijke bewoners zich te assimileren met de blanke
bevolking, deels ook door hun afwijzende houding tegenover de zgn.
'reservaten voor Aborigines'. In 1974 erkende de Australische regering
in principe het recht van de Aborigines zich op hun eigen grondgebied te
vestigen. Het ministerie voor 'Aboriginal Affairs' probeert o.a. betere
mogelijkheden op onderwijsgebied te creëren voor Aborigine-kinderen en
in hun gemeenschappen meer aandacht te vestigen op de traditionele
inheemse cultuur. In gebieden waar veel Aborigines wonen worden in het
basisonderwijs de inheemse talen onderwezen. South Australia werd in
1976 de eerste deelstaat met een Aborigine als gouverneur. Vijf jaar
eerder was de eerste senator van dezelfde etnische groepering gekozen.
Nadat in 1976 de Aborigines de rechten hadden verkregen over een deel
van Northern Territory, werd dit gebied in 1985 officieel aan hen
overgedragen. Ook in South Australia verkregen de Aborigines rechten
over delen van het grondgebied. In 1990 werd de ATSIC-commissie in het
leven geroepen, die voor de oorspronkelijke bewoners een 'decent'
zelfbestuur en een betere deelname aan voor hen belangrijke politieke
beslissingen mogelijk moet maken. In 1995 bekrachtigde het Opperste
Gerechtshof de in 1993 aangenomen 'Native Title Act', welke wet voorziet
in een substantiële financiële vergoeding voor land waarop Aborigines
aantoonbaar historische aanspraak kunnen maken. (Zie ook Aborigines.)
3.4 Politieke organisatie, partijwezen en vakbeweging
De drie grootste politieke partijen zijn de Liberal Party, de Australian
Labor Party en de National Party. De Liberal Party is voorstander van
een vrije economie en het particulier ondernemerschap. De National Party
vertegenwoordigt de belangen van de bevolking buiten de stedelijke
agglomeraties. De Labor Party, de oudste politieke partij van Australië
(1891), staat democratische socialisering van de industrie, productie en
verdeling voor. Zij is voor een algemene gelijkheid van kansen voor alle
Australiërs; zij breidt haar aanhang vooral uit onder de stedelijke
middengroepen en de jeugd.
Er is een groot aantal vakbonden; in 1992 waren er 227 door de staat
erkende vakbonden (in 1990 nog 295) met in totaal 3, 1 miljoen leden.
Twee jaar later was het aantal georganiseerde werknemers al gezakt naar
2,4 miljoen.
4. Economie
4.1 Algemeen
Australië heeft een vrije-markt economie; overheidsregulering beperkt
zich voornamelijk tot het sociale terrein. Australië behoort tot de
meest welvarende landen ter wereld; het inkomen per hoofd van de
bevolking bedroeg $ 17.980 (1994). De ontwikkeling van de Australische
economie wordt gekenmerkt door snelle en ingrijpende veranderingen die
het beeld van Australië als een overwegend agrarisch land radicaal
hebben veranderd. De belangrijkste sectoren waarin de beroepsbevolking
in 1993 werk vond, waren de industrie (ca. 24%) en de handel (ca. 20%),
terwijl bij de overheid ca. 22% van de arbeidskrachten werkzaam was. In
het midden van de jaren vijftig bedroeg het aandeel van de land- en
bosbouw in het bnp nog ca. 15%. In 1994 was dat teruggelopen tot 3%. De
belangrijkste bestanddelen van het bnp vormden de industrie (30%) en de
handel, diensten en transportsector (67%). Een stormachtige ontwikkeling
heeft de mijnbouw doorgemaakt (40% van de exportwaarde in 1995 tegen 13%
in 1965) door de ontdekking van belangrijke delfstoffen als bauxiet,
uranium, ijzererts en aardolie.
Deze ontwikkelingen vonden hun weerslag op de buitenlandse handel van
Australië. Ofschoon de agrarische sector na de mijnbouw nog steeds de
belangrijkste pijler vormt van de Australische economie, daalde het
agrarische aandeel in de export tussen 1965 en 1986 van 73% naar 39%.
Het percentage van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw liep
terug van ca. 15% in 1975 tot 5% in 1993.
Toch is ook de internationale economische crisis niet ongemerkt aan
Australië voorbijgegaan. De industriële goederenproductie daalde,
ondanks beschermingsmaatregelen, van 29% van het bnp in 1955 tot 18% in
1985. Onder het sterk sociaal gerichte beleid van de Labor-regering
(1972-1975) steeg het inflatiecijfer tot 17%. In de daarop volgende
jaren werd dat door de regeringen van achtereenvolgens liberalen en
Labor teruggebracht tot 8,2% in 1987, o.a. door de belastingen te
verlagen en de overheidsbestedingen te beperken. Een gevolg hiervan was
een stijgende werkloosheid. Eind 1995 was meer dan 8% van de
beroepsbevolking werkloos, voor een land dat traditioneel een gebrek aan
arbeidskrachten kent, een ongekende situatie. De werkloosheid komt het
hardst aan bij de jongeren. Hoewel 12% van de beroepsbevolking jonger is
dan 21 jaar, vormen zij ca. 33% van het totale aantal werklozen. De
overheid is slechts sturend actief om de inflatie en de werkloosheid
terug te dwingen.
Een belangrijke bijdrage aan de economische ontwikkeling van Australië
vormen de buitenlandse investeringen. In 1976 kondigde de overheid
nieuwe richtlijnen aan voor buitenlandse investeringen. De bestaande
regeling, die o.m. bepaalde dat elke onderneming die met buitenlands
kapitaal wordt opgezet, een gelijke inbreng van vreemd en Australisch
kapitaal moet hebben, werd beperkt in die zin, dat dit alleen geldt voor
projecten die van nationaal belang worden geacht, zoals de
uraniumwinning. In 1984 beliepen de netto-buitenlandse investeringen in
totaal ca. $ 10 miljard.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
De Australische agrarische sector is sterk op de export gericht (ca. 95%
van de wol en meer dan 40% van de overige agrarische producten wordt
geëxporteerd). Ofschoon hun economische betekenis is afgenomen, vormden
agrarische producten in 1986 nog altijd ca. 39% van de totale
exportwaarde. Klimaat en bodem beperken de landbouw tot een relatief
zeer kleine oppervlakte. Slechts ca. 1% van de bodem wordt gebruikt voor
de verbouw van voedselgewassen, waaronder de (wijn)druiven sterk in
opkomst zijn. Irrigatie vindt op kleine schaal plaats, hoewel daarin
sterk wordt geïnvesteerd. Het belangrijkste gewas is tarwe, dat in alle
staten op ruime schaal wordt verbouwd en een belangrijk agrarisch
exportartikel vormt. Haver en gerst blijven hierbij sterk achter. Maïs
en sorghum worden verbouwd in de tropische gebieden van New South Wales
en Queensland. In bevloeide streken van deze staten vindt ook sterk
gemechaniseerde rijstverbouw plaats. Australië is na Cuba de grootste
suikerexporteur, met Japan als de belangrijkste afnemer. Queensland is
het gebied bij uitstek voor suikerriet. Fruit is eveneens een belangrijk
product. Queensland levert tropische en subtropische vruchten (ananas,
papaja's), terwijl in New South Wales, Victoria, South Australia en op
Tasmanië appels en peren worden geteeld; Tasmanië is de grootste
appelproducent. In Victoria teelt men wijndruiven, die grotendeels tot
rozijnen worden verwerkt. Door irrigatie is het gebied tussen de Murray
en de Murrumbidgee in het zuidoosten gedeeltelijk geschikt gemaakt voor
de teelt van vruchten (perziken, citrusvruchten). Bananenteelt vindt
plaats in het westen en langs de oostkust van Queensland en New South
Wales; tabaksteelt, van oudsher in Queensland, heeft zich sterk
uitgebreid door de ingebruikname van geïrrigeerde gebieden in New South
Wales en Western Australia. Belangrijker dan de akkerbouw is de
veeteelt, waarbij de schapenteelt de eerste plaats inneemt. Australië
bezit met ca. 150 miljoen schapen (1994) de grootste schapenstapel ter
wereld. Australië is ook de grootste wolproducent ter wereld. Wol
vertegenwoordigt meer dan 9% van de Australische exportopbrengst. De
belangrijkste afnemers zijn Japan, Duitsland en Frankrijk. Hoewel de
schapenteelt ook in het akkerbouwgebied wordt bedreven, worden de
grootste kudden toch gehouden in de door winning van artesisch water
voor de schapenteelt toegankelijk gemaakte steppegebieden in het
binnenland, zowel van oostelijk als van westelijk Australië. De
uitroeiing (voor 90%) van het (geïmporteerde) konijn (met behulp van het
myxomatosevirus), alsmede veterinaire zorg en insectenbestrijding hebben
de schapenteelt zeer bevorderd, al blijft de soms optredende extreme
droogte voor de graziers (schapenboeren) een zeer groot risico vormen.
De wol, speciaal de merino, is van zeer goede kwaliteit; de wolproductie
per schaap is hoog (tot 5 kg per jaar). De streng gesloten beroepsgroep
van de schaapscheerders bedient de stations per auto en vliegtuig.
Hoewel minder belangrijk dan de schapenteelt, is ook de rundveeteelt van
veel gewicht (Queensland, Northern Territory en South Australia).
Noord-Australië is het gebied van de slachtveehouderij; de dieren worden
alvorens geslacht te worden uit de steppen naar de vetweiden (fattening
areas) gevoerd en van daar naar de slachthuizen in de steden. In de
gebieden met wat ruimere neerslag, vnl. Victoria, overheerst de
melkveehouderij, gecombineerd met een grote boter- en kaasproductie.
Eveneens in Victoria en New South Wales is de lamsvleesproductie
belangrijk. Australië behoort met Argentinië tot de belangrijkste
exporteurs van vlees. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde
Staten, Groot-Brittannië, Japan en Canada.
4.2.1 Bosbouw
Ondanks de uitgestrekte woestijngebieden bezit Australië grote wouden (ca.
5% van de oppervlakte is bos). Tropische oerwoudgebieden liggen langs de
kusten van Queensland en Noord-Australië; zij worden ten dele
geëxploiteerd en bevatten waardevolle houtsoorten (ceder, notenhout,
mahonie). De niet-tropische woudgebieden liggen vooral in de vochtige
kustgebieden in het oosten en zuidoosten, in het uiterste zuidwesten en
op Tasmanië. Meer landinwaarts liggen grote droogtewoudgebieden met
eucalyptus als economisch belangrijke boomsoort. Kwalijke gevolgen van
de te sterke ontwouding (door houtkap en om cultuurgrond te winnen)
waren zandverstuivingen, bodemerosie en verstoring van de
waterhuishouding. Staatsbosbeheer en een aantal particuliere commerciële
organisaties trachten dit door nieuwe aanplant zoveel mogelijk ongedaan
te maken. Voor de eigen behoeften worden jaarlijks 30!000 ha bos
aangeplant.
4.2.2 Visserij
De visserij is van geringe omvang en kan slechts aan ongeveer de helft
van de binnenlandse behoefte voldoen. Oesters worden in New South Wales
en Queensland gekweekt.
4.3 Mijnbouw
Australië is buitengewoon rijk aan delfstoffen. De mijnbouw heeft een
stormachtige ontwikkeling doorgemaakt en is thans de kurk waarop de
Australische economie drijft. Bij volledige exploratie van de thans
bekende lagen zou Australië, afgezien van enkele mineralen, in hoge mate
onafhankelijk zijn van de invoer van delfstoffen. Japan is de grootste
afnemer van Australische mineralen en metalen (ca. 60% van het totaal).
In het begin van de jaren zeventig vond ca. 65% van de buitenlandse
investeringen in Australië plaats in de mijnbouw en werd deze sector in
meerderheid door buitenlands kapitaal gedomineerd. Australië bezit grote
voorraden aan uraniumerts. Eind 1977 hief de regering het embargo op de
uraniumexploitatie op, dat vier jaar van kracht was geweest. Uranium
wordt gevonden in het Northern Territory bij Mary Kathleen (Queensland)
en bij Radium Hill (New South Wales). Enorme ijzerertsreserves zijn
aangetroffen in Western Australia. Australisch ijzererts bezit een hoog
ijzergehalte (65%). De brutoproductie vertwintigvoudigde zich tussen
1962 en 1975, en nam tussen 1980 en 1985 verder toe met 65%. Even
opzienbarend was de ontdekking van een belangrijk aardolieveld in Bass
Strait, waardoor Australië voor 70% in zijn eigen aardoliebehoeften kan
voorzien. Aardgas wordt eveneens in Bass Strait gewonnen, in nieuwe
velden van South en Western Australia. Enorme voorraden zijn aanwezig in
de Northwest Shelf (Western Australia). Goud was in 1995 goed voor 7,4%
van de totale uitvoer.
Australië is de belangrijkste producent van zirkoon, rutiel en bauxiet
en een belangrijk exporteur van dit laatstgenoemde erts en het daaruit
gewonnen aluminium. De grootste vindplaatsen zijn gelegen bij Weipa
(Kaap Yorkschiereiland), in Northern Territory en in Queensland. Ook
voor lood en zink (Broken Hill in New South Wales, Mount Isa in
Queensland en Queenstown in Tasmanië) geldt Australië als een van de
belangrijkste producenten en exporteurs. De Australische bodem bevat
voorts belangrijke hoeveelheden nikkel (rond Kalgoorlie en Kambalda in
Western Australia), bruinkool en steenkool (Victoria), tin (New South
Wales en Queensland), asbest (New South Wales) en opaal (South Australia).
4.4 Energievoorziening
Steenkool is de belangrijkste primaire energiebron die in thermische
centrales gebruikt wordt. Te zamen met aardolie en aardgas levert het
ca. 80% van de totale energieproductie (zie ook § 4.3). De resterende
20% komt van hydro-elektrische installaties. Tasmanië was tot 1975 de
enige staat waar voldoende mogelijkheden waren voor
waterkrachtcentrales. Het belangrijkst is het Snowy-Mountainsproject in
het zuidoosten van New South Wales. Het project, met de bouw waarvan in
1949 begonnen werd en dat in 1974 voltooid was, is een van de grootste
gecombineerde irrigatie- en energieprojecten ter wereld. Het geheel
bestaat uit meer dan 5200 km2, waarop o.a. zeven krachtcentrales staan
met een gezamenlijk vermogen van bijna 4000 MW. Victoria heeft grote
bruinkoolcentrales. Daarnaast zijn afvalverbrandingsovens nieuwe
stroomproducenten.
4.5 Industrie
De Australische industrie heeft zich na 1950 sterk ontwikkeld. Haar
aandeel in het bnp bedroeg in 1994 30%, terwijl 24% van de
beroepsbevolking in de industrie werkzaam was. De jaarlijkse
investeringen in de verwerkende industrie vertoonden na 1974 een daling
als gevolg van de internationale conjuncturele teruggang en de daarmee
gepaard gaande productiedaling. Belangrijke problemen bij de industriële
ontwikkeling vormen o.a. de hoge loonkosten, de beperktheid van de
markt, de grootte van het land (hoge transportkosten) en de
afhankelijkheid van buitenlandse knowhow. In de eerste helft van de
jaren tachtig verminderde de groei van de loonkosten in de industrie
(1980-1985: 1,3% groei), terwijl de arbeidsproductiviteit toenam.
Sectoren als de automobiel-, de elektronica-, de textiel- en de
schoenenindustrie kampen vanwege hun slechte concurrentiepositie met
toenemende afzetmoeilijkheden. De regering steunde de zwaarst getroffen
branches met tariefverhogingen en andere protectionistische maatregelen,
maar ziet daar nu van af. Ondanks overheidssteun kan de
scheepsbouwindustrie (Newcastle in New South Wales en Whyalla in South
Australia) niet opwerken tegen de buitenlandse concurrentie. Hetzelfde
geldt voor de metaalverwerkende industrie. Bijna de gehele ijzer- en
staalproductie is in handen van de Broken Hill Proprietary Company Ltd.
en haar dochterondernemingen met centra in Port Kembla, Newcastle en
Whyalla. De Broken Hill Company heeft ook belangen in de
aardoliewinning. Belangrijke industriële activiteiten vinden voorts
plaats in de voedings- en genotmiddelensector (waar bijna 10% van de
beroepsbevolking werkzaam is), de elektronica, de textiel- en de
kledingbranche, terwijl bijna de helft van de bruto industriële
productie afkomstig is uit de metaal- en chemische industrie en de
machinebouw. Een stijger is de telecommunicatie.
4.6 Handel
De Australische handelsbalans vertoont doorgaans een overschot. De
economische problemen in de eerste helft van de jaren tachtig leidden in
1985 en 1986 echter tot een tekort op de balans.
In 1986 bestond de export voor 40% uit brandstof, mineralen en metalen
(1965: 13%). Andere primaire goederen, zoals voedsel en tabak, vormden
39% (1965: 73%) van de export en fabrikaten waren goed voor 22% (1965:
11%) van de export. De import bestond in 1986 voor 5% uit voedsel, 5%
uit brandstof, 43% uit machines en transportmiddelen en voor 44% uit
fabrikaten, zoals elektronica. Evenals voor de export is ook voor de
Australische import het gebied van de Grote Oceaan, m.n. Japan, van
toenemende betekenis. Japan is de belangrijkste handelspartner van
Australië (25,2% van de export en 18,7% van de Australische import in
1993). Andere belangrijke handelspartners zijn de Verenigde Staten (7%
van de Australische export) en de EU (14% van de export).
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
Jaarlijks geeft Australië ca. 0, 5% van het bnp aan ontwikkelingshulp
(1985 ca. $ 700 miljoen). Papua New-Guinea ontvangt hiervan ca.
eenderde.
4.8 Bankwezen en financiën
Het bankwezen van Australië omvat naast de centrale bank (de Reserve
Bank of Australia, die in 1959 als zodanig de vroegere Commonwealth Bank
verving) vijftien handelsbanken, waaronder drie die volledig in
buitenlandse handen zijn en een aantal kleinere banken en spaarbanken.
In sept. 1974 werd de Australische dollar met 12% gedevalueerd en tevens
de koppeling aan de Amerikaanse dollar losgelaten. In 1983 werd besloten
de Australische dollar volledig te laten zweven. Als gevolg hiervan
deprecieerde de munt in 1985 dramatisch: 54% ten opzichte van de yen en
25% ten opzichte van de Amerikaanse dollar.
4.9 Verkeer
De integratie van de Australische spoorwegen (eerste treinverbinding:
Melbourne-Port Melbourne, 1854) wordt bemoeilijkt door de verschillende
spoorbreedten in de afzonderlijke staten. De kostbare standaardisering,
waaraan de centrale overheid van 1955 tot 1975 $A 250 miljoen besteedde,
resulteerde o.a. in de lijn Brisbane-Sydney-Broken Hill-Perth-Fremantle
(ca. 3000 km), die in 1970 gereed kwam en waardoor voor het eerst
passagiers zonder overstappen van de Grote naar de Indische Oceaan
vervoerd kunnen worden (in 65 uur). Een doorgaande noord-zuidverbinding
ontbreekt nog. Particulier spoor wordt vooral voor het vervoer van erts
en suiker gebruikt.
Het wegennet omvatte in 1990 ca. 810!000 km verharde en onverharde
wegen. 'Road trains' (trekkers met 2 à 3 aanhangers) verzorgen vnl. het
transport over land in afgelegen gebieden. Een speciaal wegentype vormen
de zgn. stock routes: wegen met grasstroken aan beide zijden, waarlangs
het vee wordt gedreven naar nieuwe weidegronden of naar slachtcentra.
Met meer dan 550 motorvoertuigen per 1000 inw. is Australië een van de
meest gemotoriseerde landen ter wereld. Het meest nijpende
vervoersprobleem vormt het gebrek aan adequate snelwegen tussen de
hoofdsteden van de deelstaten.
De scheepvaart (uitsluitend zeescheepvaart) beschikt over 52 vnl. goed
geoutilleerde havens, o.a. Sydney, Melbourne, Fremantle, Newcastle, Port
Hedland, Geelong, Port Kembla, Adelaide, Brisbane, Hobart. De havens
zijn niet alleen van belang voor het overzeese internationale
goederenvervoer, maar ook voor het nationale goederenvervoer tussen de
afzonderlijke staten van Australië, dat voor een belangrijk deel over
zee plaatsvindt. Ondanks de grote rol die de zeescheepvaart speelt in
het economische leven, beschikt Australië over een vrij kleine
handelsvloot.
Het luchtverkeer speelt een steeds belangrijker rol bij de ontsluiting
van talrijke afgelegen plaatsen; het verkeer per privévliegtuig is in
Australië sterk ontwikkeld. Alle grote steden bezitten luchthavens,
talrijke kleinere hebben ten minste een vliegveld (in totaal zijn er 441
met geregelde diensten). De nationale luchtvaartmaatschappij is de
Qantas Empire Airways Ltd. Het grootste deel van het binnenlandse
luchtvervoer wordt verzorgd door Australian Airlines en de Ansett
Airlines of Australia. Er zijn in totaal tien luchtvaartmaatschappijen.
5. Toeristische
gegevens
Sedert het begin van de jaren zeventig is het toerisme in Australië
sterk toegenomen. De toeristische trekpleisters liggen voornamelijk in
het oosten, in Queensland en New South Wales. Sydney, met het gehele
jaar door gemiddeld ruim zes uur zon per dag, wordt vooral bezocht om de
brede, kilometers lange stranden die zich binnen de stadsgrenzen
bevinden, en om het nabij gelegen Kuringgai Chase National Park, een
befaamd dierenreservaat. Australiës bekendste zoogdier, het
vogelbekdier, is te aanschouwen in het wildreservaat Healesville, 65 km
van Melbourne. Ten zuiden van Canberra liggen de Snowy Mountains, waar
het skiseizoen in juni begint. Thredbo en Perisher zijn de voornaamste
wintersportcentra.
Australiës grootste toeristische attractie is het Groot Barrièrerif voor
de noordoostkust, een koraalformatie die zich uitstrekt over een lengte
van 2000 km (totale oppervlakte bijna 210.000 km2). Great Keppel Island
in het zuiden is beroemd om zijn witte stranden. Het favoriete
vakantiegebied van de Australiërs ligt 80 km ten zuiden van Brisbane: de
Gold Coast. Hotels, motels, pensions, appartementen, campings en
caravanstandplaatsen zijn hier samengeperst op een kuststrook van 30 km
lengte, die beroemd is om zijn surfmogelijkheden.
Midden in het Australische binnenland ligt de oude kolonistenstad Alice
Springs, de enige stad in een omtrek van honderden kilometers. Het
voormalige telegraafkantoor hier is thans ingericht als pioniersmuseum.
Ruim 350 km ten westen van de stad liggen Ayers Rock (met prehistorische
tekeningen) en de felgekleurde rotsen van Mount Olga. Barossa Valley in
South Australia, nabij Adelaide, is een uitgestrekt wijngebied.
Op het groene en vruchtbare Tasmanië biedt het landschap een totaal
andere aanblik dan waar ook op het continent. Cradle Mountain in Lake
St. Claire National Park is hier het grootste natuurgebied - zeer in
trek bij forelvissers. In Port Arthur, 100 km ten zuidoosten van
Tasmaniës hoofdstad Hobart, getuigen de ruïnes van gevangenissen en
bewakersverblijven nog van het feit dat hier eens de meest gevreesde
strafkolonie van Australië gevestigd was.
Toeristen hebben een visum nodig voor Australië. De beste tijden voor
een bezoek verschillen per landstreek. Voor South Australia zijn het de
maanden september tot december, voor Queensland juni tot september, voor
New South Wales september tot mei, voor Western Australia augustus tot
november.
6. Prehistorie
De kolonisering van Australië vanuit Zuidoost-Azië (waar Homo erectus
reeds op Java voorkwam) is lange tijd tegengehouden door de diepe
zeetroggen welke de lijnen van Wallace en Weber vormen tussen de
Aziatische en de Australische dierenwereld. Hoewel het Sunda- en het
Sahulplat in de IJstijden droogvielen ten gevolge van de
zeespiegeldaling en zo de verspreiding van dier en mens
vergemakkelijkten, waren er toch vaartuigen nodig om de zeebarrières
over te steken. In dit licht is het opmerkelijk dat de oudste
radiokoolstofdateringen teruggaan tot 30!000 v.C., voor een afzetting
met bewoningsresten nabij Lake Mungo, aan de monding van de Murray, en
het is nog allesbehalve zeker dat hiermee de oudste bewoningsfase is
gedocumenteerd. Er zijn voorts ruim twintig archeologische terreinen, in
alle hoeken van het continent gelegen, gedateerd tussen 24.000 en 10.000
v.C. De menselijke schedels uit deze periode behoren alle tot Homo
sapiens, zij het tot twee morfologische typen: een meer archaïsche
Talgai-groep, met kenmerken van de Javaanse Solo-mens, en een modernere
Keilor-groep. De materiële cultuur omvat zware stenen schrabbers, pebble
tools, stenen bijlen met geslepen snede, eenvoudige benen priemen en
rotstekeningen (te Koonalda, 20.000 v.C.). De doden werden begraven en
opmerkelijk zijn enkele zeer vroege crematies: Lake Mungo (23.000 v.C.)
en Lake Tandau (10.000 v.C.). Blijkens de gevonden beenderen leefde men
van de jacht op verschillende soorten kangoeroes, knaagdieren,
hagedissen en vogels. Er werden schildpadden en vissen gevangen, eieren
en schelpdieren verzameld, niet verschillend van de leefwijze van de
Aborigines in de 18de en 19de eeuw. Het plantaardige voedsel is
archeologisch slecht gedocumenteerd, maar het zal zeker van even groot
belang zijn geweest. Met name in Zuidoost-Australië en op Tasmanië
werden langs de kust op zeehonden gejaagd en zoveel schelpdieren
verzameld, dat grote afvalhopen ontstonden.
Tussen 6000 en 4500 v.C. bereikten enige vernieuwingen het continent
vanuit de Indische archipel: de hond en enige stenen werktuigvormen,
zoals de pirri-spits, en verschillende typen microlieten. Deze nieuwe
elementen drongen niet door tot de weinige bewoners van Tasmanië, dat
tussen 11.000 en 10!000 v.C. van het continent werd gescheiden en waar
de levenswijze sedertdien vrijwel onveranderd bleef. Voor de Europese
ontdekkers en kolonisten van de 18de en 19de eeuw, die een einde maakten
aan Australiës prehistorie, waren de Tasmaniërs hierdoor nog primitiever
dan de Australische Aborigines. In Europees-archeologische zin zou in
beide gevallen van een mesolithische levenswijze gesproken kunnen worden
en lijken de verschillen niet zo essentieel. Deze 'levende'
steentijdculturen zullen weinig hebben verschild van die van duizenden
jaren tevoren. Zij bieden een verrassend inzicht in de niet-materiële
culturele rijkdom welke achter een materieel arme en archeologisch
armelijke cultuur schuilgaat: een grote kennis van de omringende natuur
en de natuurlijke hulpbronnen, een rijke religieuze beleving en een
ontwikkelde sociale structuur. Men mag aannemen dat deze, of ten minste
de wortels daarvan, gedurende de gehele Australische prehistorie
aanwezig waren. De reden waarom er in Australië nooit een verdere
ontwikkeling heeft plaatsgevonden, is niet eenvoudig aan te geven. Een
optimale en stabiele aanpassing aan een weinig veranderend milieu, een
klimaat dat weinig eisen stelt aan kleding en onderdak en dat overwegend
weinig geschikt is voor akkerbouw, een mobiele levenswijze, die bezits-
en voorraadvorming verhinderde, en weinig of geen contacten met de
buitenwereld worden nu als de belangrijkste redenen gezien.
7. Geschiedenis
7.1 Ontstaan van de koloniën
Door zijn afgelegen ligging is Australië het laatst ontdekte en
doorvorste van alle werelddelen. Wat de eerste ontdekkers, de opvarenden
van het Hollandse schip 'Duyfken', in 1606 te zien kregen, lokte weinig
tot verder onderzoek: door het ontoegankelijke karakter van het
binnenland bleef de verkenning voorshands beperkt tot de barre westkust;
de veel gunstiger oostkust werd pas in 1770 door James Cook voor het
eerst bezocht. In 1788 landden ten slotte de eerste blanke bewoners in
de Botanybaai.
Engeland had aanvankelijk weinig belangstelling voor dit afgelegen
gebied. Het achtte het slechts geschikt voor strafkolonie. De eerste
dergelijke nederzetting was Port Jackson (1788). De uitzending van
gestraften duurde, wat New South Wales betreft, tot 1840, terwijl naar
Western Australia tot 1868 gevangenen werden gedeporteerd. Te Sydney
(genoemd naar de toenmalige Britse minister van Koloniën) had zich reeds
in de 18de eeuw de eerste vrije vestiging gevormd. Toen onder het
Napoleontische bewind Java in Franse handen viel, begonnen de Britten
meer aandacht aan Australië te schenken. Het land werd onder militair
bestuur gesteld. Na New South Wales werd ook Van Diemenland (sedert 1856
Tasmanië geheten) het terrein van vrije kolonisatie. De kolonisten
leefden van schapenteelt en graanbouw. Volgende koloniën werden
opgericht in Western Australia, South Australia, Victoria, Queensland en
het Northern Territory; deze koloniën werden echter door particulieren
gesticht, buiten directe bemoeienis van de Britse regering. Het
militaire bestuur werd het eerst in New South Wales vervangen door een
civiel bestuur met een volksvertegenwoordiging. In 1850 werden alle
staten uitgenodigd een grondwet op te stellen. Van grote betekenis voor
de opkomst van Australië was de ontdekking van goud bij Ballarat (ca.
1860), waardoor een ware stroom van immigranten ontstond en de grondslag
voor een eigen industriële ontwikkeling werd gelegd. Andere rijke
goudvelden werden gevonden in Bendigo, Clunes, Castlemaine, Maryborough,
Mount Morgan in Queensland (1882) en in de jaren negentig in Coolgardie
en Kalgoorlie (Western Australia).
7.2 De vorming van het Gemenebest
De Britse gebieden in Australië zijn lang enigszins vijandig tegenover
elkaar blijven staan. Dit moet wel verklaard worden uit de afzonderlijke
ligging van de staten, onderling gescheiden door de middenwoestijn, en
uit de ongelijke ontwikkeling. Maar de verbindingen werden beter en de
gemeenschappelijke tegenzin tegen Chinese en Japanse immigranten bracht
hen toch tot samenwerking. Een pan-Australische ministersconferentie in
1891 had nog geen succes, maar een tweede in 1897 had een
ontwerp-grondwet tot resultaat, die in 1900 door het Britse parlement
werd goedgekeurd; zij liet aan de staten nog een zeer grote
zelfstandigheid.
Op 1 jan. 1901 vond de stichting plaats van de Commonwealth of Australia,
die ook Tasmanië (doch niet Nieuw-Zeeland) omvat, en op 9 mei 1901 werd
het eerste Australische parlement te Sydney geopend.
7.3 Australië als autonome mogendheid tot aan de Tweede
Wereldoorlog
In de jaren rond 1900 werd het politieke leven grotendeels beheerst door
de in 1891 tot Labor Party geconstitueerde arbeidersbeweging. Deze droeg
een apart, nationalistisch en niet-marxistisch karakter. Door haar
straffe interne discipline werd zij in de Australische samenleving een
niet te onderschatten macht, ook wanneer de federale regering niet door
haar leiders gevormd werd. In 1910 kwam de Labor Party onder Andrew
Fisher eerst goed aan de regering. Na een onderbreking van een jaar
(1913-1914) vormde Labor in sept. 1914 weer een regering, waarin de
markante persoonlijkheid van W.H. Hughes, die in 1915 premier werd,
domineerde. Toen hij echter in 1917 de dienstplicht wilde invoeren,
kreeg hij onenigheid met zijn eigen partij, waarvan hij zich toen met
enkele getrouwen afscheidde om tezamen met de liberalen, met wie hij
zich tot de National Party verenigde, de regering voort te zetten. Het
voorstel tot dienstplicht werd echter tot tweemaal toe bij referendum
verworpen. Hughes, die zich door zijn eigenmachtig optreden tot een zeer
omstreden figuur had gemaakt, herwon veel van zijn nationaal prestige
door op de vredesconferentie van Versailles in 1919 krachtig voor
Australiës eisen op te komen. Hij wist voor zijn land het mandaat over
Duits Nieuw-Guinea te verkrijgen (zie ook Papua Nieuw Guinea: §
geschiedenis).
In 1923 moest Hughes wijken voor een kabinet onder leiding van S.M.
Bruce, leider van de liberale vleugel van de National Party, in
samenwerking met de Country Party, een in 1919 afgescheiden groep. Onder
zijn bewind, dat tot 1929 duurde, werd in 1927 de nieuwe hoofdstad
Canberra ingewijd. Oude geschilpunten over arbitrage, financiële
kwesties en arbeidswetgeving wekten ontevredenheid, waarvan Labor, voor
het eerst sinds vijftien jaar, profiteerde. Een regering-Scullin kon het
echter slechts twee jaren bolwerken.
Evenals in het moederland, ontstond ook hier ten gevolge van de
economische crisis, die Australië bijzonder hevig trof, een grote
behoefte aan een nationale regering. Bij de verkiezingen van eind 1931
behaalde de United Australian Party, ontstaan uit fusie tussen
ontevreden socialisten en National Party, de meerderheid. Onder leiding
van J.A. Lyons vormde zij een regering, die bijna tien jaar aanbleef.
In die jaren werd Australië zich bewust, dat in het isolement niet meer
zijn kracht lag. De Britse vloot zou bij een eventueel conflict, nog
meer dan in 1914-1918, in de Europese wateren vastgehouden worden,
terwijl anderzijds Japan als potentiële vijand moest worden beschouwd.
Deze overwegingen leidden ertoe, dat Australië zich al vroeg in de jaren
dertig ging toeleggen op bewapening en wapenfabricage. R.G. Menzies,
premier na Lyons' dood (april 1939), zette de politiek van solidariteit
met het Britse Rijk voort.
7.4 Australië en de Tweede Wereldoorlog
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zond Australië een grote
troepenmacht naar het Europese strijdtoneel, waar deze vooral in de
eerste twee Egyptische campagnes, in Griekenland, Kreta en Syrië het
leeuwendeel in de strijd hadden. In okt. 1941 kwam de Labor Party onder
J. Curtin aan de regering. Reeds twee maanden daarna barstte de strijd
in de Pacific los. Door de val van Singapore, waarbij ook zware
Australische verliezen werden geleden, stortte het gehele Britse
defensiesysteem voor het zuidwestelijke gedeelte van de Grote Oceaan
ineen. De Japanners landden op Nieuw-Guinea en rukten in snel tempo op
naar de zuidkust van dit eiland. De vlootbasis Darwin en andere plaatsen
aan de noordkust van Australië werden herhaaldelijk gebombardeerd. Een
invasie in dit schier onbewoonde gedeelte van het continent kon elk
ogenblik verwacht worden.
In het licht van deze noodtoestand werd nauwe aansluiting gezocht bij de
strategie van het Amerikaanse opperbevel, dat Australië zag als
uitgangspunt van een toekomstige tegenactie. Generaal MacArthur vestigde
er zijn hoofdkwartier en Amerikaanse troepen landden op Australische
bodem. Intussen werden alle Australische troepen uit het Midden-Oosten
teruggeroepen. Een militaire en burgerlijke dienstplicht werd ingevoerd
en allerlei bevoegdheden van de afzonderlijke staten werden in handen
van de federale regering gelegd. Een gelijktijdige actie in Nieuw-Guinea,
waar Australische en Amerikaanse troepen de vijand langzaam over het
Owen-Stanleygebergte terugdrongen, en op de Solomoneilanden bracht de
Japanse opmars tot staan. Weldra kon tot offensieve handelingen worden
overgegaan, zodat Australië reeds aan het einde van het zelfde jaar
(1942) ruimer kon ademhalen. Door de verkiezingsuitslag van aug. 1943
werd de positie van de regering in het parlement zeer verbeterd.
7.5 De periode 1945-1975
In de Tweede Wereldoorlog had Australië het voor een kleine natie enorme
aantal van 870.000 man aan troepen weten op te brengen. Zich er van
bewust, dat het zich niet straffeloos dergelijke inspanning kon
veroorloven, ging de regering, waarin J.B. Chifley de in juli 1945
overleden Curtin opvolgde, over tot een andere immigratiepolitiek. Op
buitenlands gebied wierp Australië zich bij monde van zijn minister van
Buitenlandse Zaken, H.E. Evatt, min of meer op als kampioen van de
kleine staten. Met Nederland, aan welk land het een dienst bewees door
aan de Nederlands-Indische regering van 1942 tot 1945 asiel te verlenen,
verkoelden de betrekkingen aanzienlijk toen Nederland moeilijkheden in
Indië ging ondervinden. Bij de verkiezingen van sept. 1946 bleef de
regering, zij het met verminderde meerderheid, vast in het zadel.
Bij de verkiezingen in dec. 1949 behaalde de oppositie van liberalen
onder Robert Menzies en de Country Party onder Fadden de overwinning.
Een kabinet werd nu gevormd onder Menzies, die de komende zestien jaar
Australië met vaste hand zou leiden in een veranderende wereld.
Verkiezingen in april 1951 brachten weliswaar winst voor de
Laboroppositie, maar de regering behield haar meerderheid. Ook bij de
verkiezingen van mei 1954 wist de coalitieregering zich, zij het met
opnieuw geslonken meerderheid, te handhaven. In dec. 1958 werd de
regeringsmeerderheid zelfs weer versterkt.
Ook na de verkiezingen van dec. 1961, okt. 1963 en jan. 1966 bleef de
rechtse coalitie, zij het met wisselende meerderheden, aan het bewind.
Premier Menzies trad in jan. 1966 als premier en partijleider af. Hij
werd opgevolgd door Harold Holt, die al spoedig stierf (dec. 1967).
Liberale premiers na hem waren John Gorton (jan. 1968 - maart 1971) en
William McMahon (maart 1971 - dec. 1972).
De rechtse coalitie streefde ernaar door de krachtige bevordering van de
immigratie het bevolkingsvacuüm dat Australië in het Verre Oosten
vormde, zo snel mogelijk op te vullen (zie § 2.1).
In de buitenlandse politiek bleef Australië trouw aan het Gemenebest.
Door het verlies van Brits-Indië en Birma als betrouwbare steunpunten
van het Britse imperiale defensiesysteem in het Verre Oosten kwam het
zwaartepunt hiervan in Australië te liggen. Van betekenis was ook het
gebruik van de Australische woestijn (Woomera) als proefterrein voor
Britse kernwapens. De trouw aan het Gemenebest deed Australië echter
niet blind zijn voor de verzwakking van Engeland. Voor zijn veiligheid
zocht het dan ook steeds meer aansluiting bij de Verenigde Staten. Het
trad toe tot het ANZUS-pact en tot de Zuidoost-Aziatische
Verdragsorganisatie (SEATO). Met Nederland kwam het in de tweede helft
van de jaren vijftig tot samenwerking bij de ontwikkeling van
Nieuw-Guinea, waarvan het westen door Nederland, het oosten door
Australië werd bestuurd. Toen in 1962 over westelijk Nieuw-Guinea een
oorlog tussen Nederland en Indonesië dreigde, onthield Australië
Nederland zijn steun. Een krachtiger houding nam de regering-Menzies aan
toen in 1963 tussen Indonesië en Engeland ernstige spanning ontstond
over de Federatie Maleisië. Australië verleende ook militaire steun aan
de Verenigde Staten in de oorlog in Vietnam (zie ook Indo-Chinese
Oorlogen).
De in nov. 1972 gehouden verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden
brachten een verrassende overwinning voor de Laborparty van E. Gough
Whitlam. In de buitenlandse politiek betekende diens bewind een meer
neutrale, op de Derde Wereld en Azië gerichte koers. Met Nieuw-Zeeland
voerde Australië actie tegen Franse kernproeven in de Grote Oceaan
(1973). Australisch Nieuw-Guinea (bestaande uit de kolonie Territory of
Papua in het zuiden en het door Australië in opdracht van de Verenigde
Naties bestuurde Trust Territory of New Guinea, de voormalige Duitse
kolonie) kreeg in sept. 1975 onafhankelijkheid onder de naam Papua Nieuw
Guinea.
7.6 De periode na 1975
In nov. 1975 leidden economische en politieke problemen tot een crisis,
die eindigde met ingrijpen van de gouverneur-generaal. Hij ontsloeg
Whitlam. Bij de daaropvolgende verkiezingen in december behaalden de
liberalen de overwinning. Van de coalitie werd de liberale partijleider
Malcolm Fraser premier. Tegen zijn economische politiek richtte zich een
aantal stakingsacties: op 12 juli 1976 vond de eerste algemene
werkstaking uit de geschiedenis van Australië plaats. De buitenlandse
politiek van Fraser hield een koersverlegging naar het Westen in.
Frasers coalitie hield stand tot 1983. De verkiezingen in dat jaar
brachten Robert Hawke, de leider van de Labor-Party, aan de regering.
Door middel van een inkomens- en prijspolitiek, tot stand gekomen in
overleg met werkgevers en werknemers, streefde de regering naar
economisch herstel. Als gevolg van aanhoudende economische problemen en
in opspraak gekomen Labor-politici daalde de populariteit van de
regering in 1986. De verenigde oppositie (liberale partij en nationale
partij) viel echter in datzelfde jaar uiteen, wat voor Hawke aanleiding
was tot het uitschrijven van vervroegde verkiezingen in 1987. Deze
werden overtuigend gewonnen door Labor. De nieuw gevormde regering
presenteerde een begroting die voor het eerst sinds 17 jaar bijna
sluitend was. Het beleid tot gezondmaking van de overheidsfinanciën
kreeg opnieuw de steun van de sociale partners. Tegenvallende productie
en lagere prijzen troffen de agrarische sector in 1991 hard. Mede door
de slechte economische toestand werd premier Hawke ten val gebracht en
opgevolgd door zijn vice-premier, Paul Keating. Keating zette febr. 1992
de relaties met Groot-Brittannië onder druk door te stellen dat het
voormalige moederland Australië tijdens de Tweede Wereldoorlog in de
steek had gelaten. In Londen werd woedend op zijn uitlatingen
gereageerd. Keating had eerder al voor opwinding gezorgd door zich
volgens de Britten tijdens het bezoek van koningin Elizabeth
onrespectvol te gedragen.
In juni 1992 werd voor het eerst officeel erkend dat de Aboriginals
Australië reeds bewoonden voordat het door de Europeanen werd
gekoloniseerd. In juni 1993 maakte de regering details bekend van
plannen met betrekking tot de rechten van Aboriginals op bepaalde
stukken grond.
Het parlement van de Northern Territory schreef in 1995 geschiedenis
door een wet aan te nemen die vrijwillige euthanasie met behulp van een
arts mogelijk maakte.
De parlementsverkiezingen van maart 1996 eindigden in een zware
nederlaag voor de Labor Party van premier Paul Keating. Grootste partij
werd de Liberal Party van John Howard, die, na dertien jaar Laborbewind,
een coalitiekabinet vormde met de National Party. Keatings beleid had
zich gericht op liberalisering van de economie en op een grotere
toenadering tot Azië, een politiek die zijn opvolger voortzette, maar
waarbij hij ook de banden met de Verenigde Staten versterkte.
Telefoongids Australië
Postcodes
Australië
|