header landen en staten

 


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Australië - land

 

Terug naar overzicht Australië >>  

Australië (Eng.: Australia, v. Lat. australis = zuidelijk; oorspr. Terra australis incognita = het Onbekende Zuidland), het kleinste van de bewoonde continenten, gelegen ten zuidoosten van Azië. Het continent wordt aan de oostzijde bespoeld door de Grote Oceaan (Koraalzee, Tasmanzee), aan de overige drie zijden door de Indische Oceaan. Het heeft een oppervlakte van 7.682.300 miljoen km2, met (1995) 18.322.000 inw. (2,4 inw. per km2).
Het continent Australië vormt het overgrote deel van het territorium van de Commonwealth of Australia, een zelfstandige staat binnen het Gemenebest van Naties. Direct door de Commonwealth of Australia bestuurd worden de twee interne territoria, Australian Capital Territory (ACT) en Northern Territory en de externe territoria Norfolk Island, Cocos (Keeling) Islands, Heard en McDonalds Islands, Coral Sea Islands Territory, Ashmore en Cartier Islands Territory, Christmas Island en Australian Antarctic Territory. Federale hoofdstad: Canberra. Munteenheid is de Australische dollar ($A), verdeeld in 100 cents. Nationale feestdag is 26 jan., Australia Day. voorbehouden.


1. Fysische geografie

1.1 Landschap
Australië heeft een compacte en afgeronde vorm, zonder sterke geledingen; de enige zeebochten van grotere omvang zijn de Carpentariagolf, de Joseph Bonapartegolf en de Van Diemengolf in het noorden en de Grote Australische Bocht, de Spencergolf en de St.-Vincentgolf in het zuiden. Er zijn dan ook slechts twee grote schiereilanden: Arnhemland en Cape Yorkschiereiland. De gemiddelde hoogte van 360 m (inclusief de eilanden 340 m) is op die van Europa na de laagste van alle continenten (wereldgemiddelde 875 m).
In het oosten van het continent ligt het bergland, dat met een steile rand afdaalt naar een kustvlakte van wisselende breedte; talrijke rivieren doorbreken dit bergland in nauwe kloven op hun weg naar de oceaan. Het bergland bestaat uit een reeks van hoogvlakten, middelgebergten, bekkens en dalen, doorsneden door rivieren die deels diep ingesneden, deels brede, vlakke dalen vormen. De ruggengraat van het gebied wordt gevormd door het Grote Scheidingsgebergte (Great Dividing Range). Het hoogste punt vormt Mt. Kosciusko (2230 m) in de Australian Alps. In New South Wales zijn sporen van vroeger vulkanisme te vinden (maren, explosiekraters).
Naar het westen toe gaat het bergland nauwelijks merkbaar over in de grote vlakten van het centrale laagland, dat gemiddeld slechts 180 m hoog ligt en op de diepste punten zelfs tot beneden de zeespiegel daalt. Het wordt door lage ruggen in een drietal grote bekkens verdeeld: het noordelijke Carpentariabekken, welks rivieren via uitgestrekte mangrovemoerassen de Carpentariagolf bereiken; voorts het grote centrale Eyrebekken, waarin het Eyremeer (-12 m) het laagste punt van het continent vormt. Het is een van de droogste gebieden van de aarde en bestaat deels uit zandwoestijnen (Simpson Desert); de rivieren verliezen zich in de roodachtige zand- en leembodem. Het grootste bekken is het Murray-Darlingbekken, van het Eyrebekken gescheiden door de Grey Range en de Main Barrier Range (Mt. Sturt 427 m), doorstroomd door de van de Snowy Mountains komende Murray, de enige constant watervoerende rivier van Australië. Tussen deze en de Darling ligt een kale, vrijwel boomloze, zouthoudende vlakte, slechts onderbroken door enkele galerijwouden langs de droge beddingen van enkele rivieren, die uitsluitend in de regentijd water voeren.
Even geleidelijk als in het oosten gaat het centrale laagland in het westen over in het grote westelijke plateau, een 500-700 m hoog, uitzonderlijk vlak gebied, waaruit slechts hier en daar gebergten oprijzen, o.a. de wilde, sterk versneden parallelle rotsketens van de Macdonnell Ranges, door het Amadeusmeer gescheiden van de Musgrave Ranges, en in het uiterste westen de Hamersley Range, terwijl in het noordwesten en noorden de lage tafelgebergten van Kimberley en Arnhemland liggen. Daartussen liggen uitgestrekte, uit langgerekte roodachtige duinenreeksen bestaande zandwoestijnen, spaarzaam begroeid met woestijngras, woestijneiken en acacia's (Tanami Desert, Great Sandy Desert, Great Victoria Desert). In het gebied liggen talrijke zoutpannen en -meren en droge, bochtige rivierbeddingen. Enkele eilandbergen (Ayers Rock, Mt. Olga) werden door hun merkwaardige vorm tot heilige plaatsen voor de Aborigines. Twee lager liggende gebieden dringen diep in dit plateaulandschap door: in het noorden het Canning Basin en in het zuiden de volstrekt vlakke Nullarbor Plain. Ook in het westen grenst het plateau met een steile rand aan de kustvlakte, die hier, in tegenstelling tot de oostkust, droog is met slechts weinige rivieren, die in zoute strandmeren uitmonden.
1.2 Geologie en delfstoffen
Australië bestaat uit een grondgebergte opgebouwd uit gedeelten van gebergteketens van verschillende ouderdom, die tezamen een deel van het oude supercontinent Gondwanaland vormen. Er kunnen drie provincies in dit grondgebergte onderscheiden worden, nl. de Tasmanprovincie in Oost-Australië, de Arunta-Gawlerprovincie in Centraal-Australië en de Pilbara-Yilgarnprovincie in West-Australië. Deze drie provincies zijn gescheiden door grote gebieden met vlakliggende, plaatselijk zwak geplooide sedimenten van paleozoïsche, mesozoïsche en kaenozoïsche ouderdom.
De Tasmanprovincie bestaat uit laat-precambrische en paleozoïsche gesteenten die tijdens het Devoon en Perm sterk geplooid werden. Daarbij traden gesteentemetamorfose en granietintrusie op. De Arunta-Gawlerprovincie is opgebouwd uit vroeg- en midden-proterozoïsche gesteenten, die 1700-1800 miljoen jaar geleden een eerste belangrijke plooiing en hooggradige metamorfose ondergingen. In het Laat-Precambrium en Boven-Paleozoïcum vond overschuiving van dekbladen plaats, en wel in het noordelijk gelegen Aruntablok naar het zuiden en in het zuidelijke Gawlerblok naar het noorden. Het ertussen gelegen Amadeusbekken werd aldus van beide zijden overschoven. Het Pilbaragebied behoort met het Yilgarngebied tot de oudste gedeelten van Australië; zij werden tijdens het Archaeïcum, omstreeks 3100 miljoen jaar geleden, gevormd. Van west naar oost worden de gebergtevormende bewegingen en de daaraan deelnemende gesteenten steeds jonger.
Australië is rijk aan delfstoffen. Goud komt voor in de precambrische gesteenten van Western Australia, Northern Territory, South Australia en de westelijke delen van Queensland en New South Wales, die sterke metamorfose ondergingen. Te zamen met goud komen ook koper (Queensland en New South Wales), zink, lood en zilver (dezelfde gebieden) voor; in mindere mate tin, wolfraam en bismut. De belangrijkste uraniumafzettingen vindt men bij Darwin in precambrische zwarte leien. In jongere formaties vindt men als tertiair verweringsproduct bauxiet (Kaap Yorkschiereiland, Northern Territory). De rijke steenkoollagen liggen vrijwel geheel in het oosten en zijn geologisch betrekkelijk jong: de lagen van New South Wales en Queensland stammen uit het Perm, de bruinkool in Victoria en South Australia uit het Tertiair. IJzererts komt voor in South Australia en in het noordwesten. In de jaren zestig werden, vnl. langs de kust, voorts in Mereenie (het zuiden van het Northern Territory) en in de Indische Oceaan ten noorden van Barrow Island, alsmede in Bass Strait (Zuidoost-Australië) aardgas- en olievelden ontdekt. Ilmeniet is aangetroffen in het zuidwesten van Western Australia, mangaan in het centrale deel daarvan, nikkel weer meer naar het zuiden, evenals fosfaat, dat ook aan de oostkust en op Tasmanië voorkomt. In 1966 heeft men te Kampala (Western Australia) een laag van hoogwaardig nikkelsulfide-erts ontdekt.
1.3 Klimaat
Door zijn ligging tussen 10° Z.Br. en 40° Z.Br. heeft Australië voor het grootste gedeelte een subtropisch klimaat. Dit geldt niet voor het uiterste noorden, waar het klimaat werkelijk tropisch of equatoriaal kan worden genoemd en voor het zuiden en Tasmanië, waar, evenals in Nieuw-Zeeland, ten zuiden van 35° Z.Br., de westelijke winden van gematigde breedte reeds overheersen. Het continent zelf ligt, althans in het winterhalfjaar, in de baan van de van west naar oost trekkende subtropische hogedrukgebieden, terwijl in het zomerhalfjaar de subtropische maxima in hoofdzaak ten zuiden van Australië langs trekken, waardoor over het continent de zuidoostpassaat waait. Dit heeft tot gevolg dat het binnenland het gehele jaar slechts weinig neerslag ontvangt. Aan de oostkust en een gedeelte van de zuidkust vallen stuwregens, terwijl in de zomer het noordelijke gedeelte van Australië in het equatoriale regengebied ligt. Daarbij representeert Darwin, in het noorden, het tropische gedeelte van Australië met uitgesproken zomerneerslag, een voorbeeld van een savanneklimaat. Alice Springs, in het midden van het continent, heeft een aride klimaat; de jaarlijkse neerslag in mm (282) is kleiner dan de gemiddelde jaartemperatuur (21 °C) plus 14. De overige weerstations liggen in de gematigde regenzone. Daarbij moet de grote jaarlijkse neerslagsom in Sydney worden toegeschreven aan stuw tegen het gebergte langs de oostkust.
Australië vormt een brongebied voor continentaal-tropische lucht (cTL). Deze lucht beheerst het weer in de wintermaanden en zijn grote droogte leidt dan tot lage temperaturen. De cTL wordt van tijd tot tijd verdrongen door maritiem tropische neerslagrijke lucht (mTL), die vooral van de Grote Oceaan wordt aangevoerd. Ook maritiem polaire lucht (mPL), afkomstig uit het uitgestrekte brongebied boven de oceaan ten zuiden van Australië, kan, met name in het winterhalfjaar, het gebied binnenstromen en veroorzaakt dan winterregens (Perth en Wellington; Nieuw-Zeeland). Zowel aan de noordwest- als aan de noordoostkust van Australië komen in de zomer en het najaar tropische cyclonen voor (Willy Willies).
1.4 Waterhuishouding
Slechts de hooglanden in het zuidoosten, het kustgebied van Queensland tot Victoria en het uiterste zuidwesten hebben voldoende water. De Murray vormt met de Darling en de Murrumbidgee het enige werkelijke rivierenstelsel, waarbij de Murray nog een groot traject door een droog gebied moet afleggen. Het grote Eyrebekken is afvoerloos; de daarin liggende 'meren' zijn in werkelijkheid meestal grote zoutvlakten, waarin de meestal droge beddingen van rivieren uitmonden. Deze voeren slechts zeer zelden water, alleen na stortregens in het bergland van Queensland kunnen zij plotseling tot woeste en vernielende stromen aanzwellen; er staat dan ook enig water in het Eyremeer, dat echter spoedig weer verdampt. Een gebied van ca. 2,6 miljoen km2 in het binnenland, tussen de noordwestkust en de Macdonnell Ranges en tussen Kimberley en de Grote Australische Bocht, heeft geen geordend afwateringssysteem en is vrijwel waterloos. Hiertoe behoort ook de totaal boomloze en slechts met een zoutsteppevegetatie begroeide Nullarbor Plain in het zuiden, waar de neerslag (250 mm per jaar) onmiddellijk door de lemige oppervlaktelaag in de onderliggende poreuze, verkarste kalklaag wegzakt en ondergronds zuidelijk naar de Indische Oceaan afvloeit.
Tegenover deze waterarme oppervlakte staat een zeer rijke voorraad aan onderaards water, vnl. in de vorm van artesisch water, dat aanwezig is in een twintigtal grote en kleinere artesische bekkens; het grootste van deze, het Grote Artesische Bekken, is 1,75 miljoen km2 groot; de waterproductie ervan bedraagt dagelijks ca. 1,5 miljoen m3. Voorts wordt uit vele bronnen subartesisch water gewonnen (d.i. artesisch water dat moet worden opgepompt). Het water is meestal brak en is dan ook voor menselijke consumptie en voor bevloeiing ongeschikt; als drinkwater voor het vee heeft het echter grote steppegebieden in het binnenland als weidegebied toegankelijk gemaakt, vnl. voor de enorme schapenkudden.
1.5 Plantengroei
De Australische plantenwereld vormt een apart florarijk, Australis genaamd. Drie componenten stellen de Australische flora samen: a. het antarctische element, bestaande uit geslachten die eveneens in Zuid-Amerika voorkomen (zie Antarctis); b. het Maleise element, dat het sterkst vertegenwoordigd is in de regenwouden in het noorden; c. het eigenlijke Australische deel van de flora, waarvoor de grote veelvormigheid van de geslachten Acacia en Eucalyptus vooral karakteristiek is.
1.6 Dierenwereld
Het vasteland van Australië behoort, evenals Nieuw-Guinea, Tasmanië, Nieuw-Zeeland en een aantal eilandengroepen in de Grote Oceaan, tot het dierengeografische hoofdgebied Notogaea (Australische Regio of Zuiderrijk). De zeer bijzondere fauna reflecteert enerzijds de merkwaardige geschiedenis van Australië na het uiteenvallen van het zuidelijke supercontinent Gondwana en anderzijds de langdurige isolatie van dit grote eiland. Geen ander deel van de wereld herbergt een zo merkwaardige fauna als Australië. Onder de zoogdieren ontbreken vrijwel alle hoger ontwikkelde orden; de ca. 235 soorten zijn voor de helft buideldieren (Marsupialia) en eierleggende zoogdieren (Monotremata of snaveldieren), en voor de andere helft moderne zoogdieren (Placentalia), welke laatste echter uitsluitend bestaan uit vleermuizen en knaagdieren. Daarnaast werd al lang voor de komst van de blanken de dingo, een verwilderde hond, ingevoerd. De talrijke buideldieren vormen tezamen een klassiek voorbeeld van adaptieve radiatie (veelvormigheid opgetreden als gevolg van geringe of ontbrekende concurrentie voor wat de ecologische mogelijkheden betreft). Door het ontbreken van concurrerende moderne zoogdieren zijn de buideldieren in Australië gaan klimmen, zwemmen, graven, enz. en hebben zij zich op talloze verschillende typen van voedsel gespecialiseerd, wat weer geleid heeft tot een opvallende convergentie (gelijkvormigheid zonder verwantschap) met de moderne zoogdieren elders. Onder de buideldieren treft men zodoende insecteneter-, knaagdier-, roofdier- en andere typen aan, wat al tot uiting komt in de Nederlandse namen: buidelmol, buidelmuis, buideleekhoorn, buidelwolf, enz. De kangoeroes vormen het equivalent van de graseters van de vlakten van Afrika (antilopen) of Eurazië en Noord-Amerika (herten). De moderne zoogdieren die Australië eveneens bevolken, zijn ook in veel gevallen merkwaardig. Daarnaast is door toedoen van de mens een aantal diersoorten van elders ingevoerd die de oorspronkelijke fauna verdrongen hebben of bezig zijn dat te doen. Het beruchtste dier is ongetwijfeld het konijn, in 1859 ingevoerd als jachtwild. Na een traag begin bereikten de populaties snel ongehoorde plaagproporties. Bestrijding door middel van uit hun oorspronkelijke verspreidingsgebied ingevoerde roofdieren als vossen had weer treurige gevolgen voor de Australische fauna.
De vogelwereld is rijk (ca. 650 soorten) en bijzonder karakteristiek. Endemisch zijn o.a. paradijsvogels en prieelvogels (beide ook op Nieuw-Guinea), de liervogels, honingzuigers en de struisvogelachtige emoe. Hoenders (behalve grootpoothoenders), spechten en gieren ontbreken geheel. Australië is zeer rijk aan papegaaiachtigen (55 soorten), ijsvogels en duiven. Meer dan 200 soorten vertegenwoordigen endemische families en subfamilies; daarnaast komen nog talrijke eigenaardige vormen voor als de zwarte zwaan en de reuzenijsvogel (kookaburra of Lachende Hans).
Het aantal soorten reptielen is vrij groot (iets minder dan 400 soorten) en bestaat uit krokodillen (in het noorden), meer dan 100 slangen (waaronder naast zeer giftige ook grote wurgslangen, pythons), meer dan 200 hagedissen (waaronder o.a. 15 varanen, de grootste plaatselijke concentratie van deze familie van reuzenhagedissen) en (endemische) zoetwaterschildpadden. Bekende hagedissen zijn de groteske bergduivel of moloch en de kraaghagedis (Chlamydosaurus kingi). De amfibieën omvatten uitsluitend kikvorsen, vaak van zeer oude groepen. Zoetwatervissen zijn weinig soortenrijk (minder dan 200 soorten); karperachtigen ontbreken geheel. De opvallendste vorm is de archaïsche Australische longvis van Queensland, een overblijfsel van een eens wijd verspreide groep van zoetwatervissen.
De insecten, totaal ongeveer 55!000 soorten, waarvan bijna 20!000 kevers, vertonen een zelfde beeld, nl. een mengfauna van oude elementen, waarbij verwantschappen met Zuid-Amerika opvallen, en meer recente groepen, die veelal uit Azië afkomstig zijn. Vrijwel altijd ontbreekt een aantal moderne groepen. Ook de andere ongewervelde dieren zijn vaak zeer eigenaardig (bijv. de reuzenaardwormen). De zeeën rond Australië herbergen een zeer rijke fauna, waarvan die van het Great Barrier Reef (een reeks van koraaleilanden) wereldwijde faam geniet. Talloze zeedieren zijn in hun verspreiding beperkt tot de zeeën rond Australië.
In het tropisch regenwoud langs de noordkust en de drogere bostypen langs de oostkust leven talrijke klimmende buideldieren als de boomkangoeroe, voskoesoe, koeskoes (met grijpstaart) en koala of buidelbeer (een voedselspecialist, die uitsluitend in gomboombossen met bomen van het geslacht Eucalyptus leven kan); op de grond vindt men daar o.a. de grijze kangoeroe, wallabie, de vrijwel uitgestorven buidelwolf (Tasmanië), buidelduivel (vnl. aaseter), vogelbekdier (eierleggend zoogdier, langs water), kasuaris en liervogel. Op de uitgestrekte savannen vindt men kangoeroes, knaagbuideldieren, wombats (gravers), buideldassen, mierenegels (eierleggende zoogdieren), emoes en papegaaiachtigen (kaketoes, e.a.). De fauna in het droge centrale woestijngebied is niet rijk aan soorten, maar omvat wel eigenaardige, aan de barre omstandigheden aangepaste vormen (kangoeroes, buidelmuizen, buidelmol, parkieten, slangen en hagedissen).
De flora en fauna van Australië worden momenteel ernstig bedreigd, niet alleen door de mens, maar ook, en niet in de laatste plaats, door de invoer van uitheemse gewassen en dieren (flora- en faunavervalsing). Vele diersoorten (o.a. de koala en het vogelbekdier) genieten bescherming, o.a. in reservaten. Andere dieren (kangoeroes) worden geëxploiteerd voor het vlees en de huiden en als (vermeende) weideconcurrenten van de schapen gedood.

aboriginal art australiaaboriginal australia tours

2. Bevolking
2.1 Samenstelling en spreiding
De bevolking van Australië, in 1995 geschat op ruim 18 miljoen, is voor het grootste deel van Europese, vnl. Britse, afkomst. De Angelsaksische groep vormt bijna 70% van de bevolking van Australië. Slechts 1,5% van de totale bevolking stamt af van de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Aborigines. Vele Aborigines handhaven hun tribale banden, maar nog slechts weinigen volgen de nomadische levenswijze van hun voorouders. De meeste Aborigines leven in noordelijk en Centraal-Australië. 1,3% van de bevolking bestaat uit Aziaten. De bevolking van Australië is zeer ongelijk over het land verdeeld; ca. B leeft in het oostelijke en zuidoostelijke kustgebied. Ofschoon Australië met een bevolkingsdichtheid van 2,4 inw. per km2 tot de dunst bevolkte landen ter wereld gerekend kan worden, behoort het tot de meest verstedelijkte landen ter wereld: meer dan 85% van de bevolking woont in de steden.
In de vijftig jaar na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog is de Australische bevolking meer dan verdubbeld. Deze toename is voor een deel te verklaren uit het immigratiebeleid. Dit beleid heeft vanaf de eerste Europese vestigingen een belangrijke plaats ingenomen in de ontwikkeling van Australië. Na de Tweede Wereldoorlog is er sprake van een doelgericht immigratiebeleid op grote schaal; een tekort aan arbeidskrachten, de zorg om uit veiligheidsoverwegingen de bevolking te vergroten en de noodzaak van economische groei en ontwikkeling brachten de Australische regering ertoe een Departement voor Immigratie te vestigen. De algemene richtlijn was jaarlijks ca. 1% van de bevolking aan immigranten toe te laten. Dit streefcijfer is vrijwel in geen enkel jaar gehaald. Toch kan gesproken worden van een succesvol immigratiebeleid. In het algemeen assimileerden de immigranten vrij snel en de meesten vroegen het Australische staatsburgerschap aan, dat na drie jaar verleend kan worden. De homogeniteit van de Australische bevolking is het resultaat van wat officieel de 'established Australian immigration policy' heet. Vanaf het begin van de 20ste eeuw heeft elke Australische regering er op toegezien, dat geen anderen dan Europeanen zich blijvend vestigden in Australië. Vandaar dat dit beleid ook wel bekend staat als 'white Australia policy'. In de jaren zestig is dit beleid geleidelijk aan verzacht, zodat in het midden van de jaren zeventig jaarlijks ca. 3500 niet-Europeanen in Australië als immigrant werden toegelaten. Sedert het begin van de jaren zeventig is het immigratiebeleid met het oog op de verslechterende sociaal-economische situatie strenger geworden. De afnemende immigratie, te zamen met het langzaam dalende geboortecijfer, zijn de oorzaken van de sinds 1970 dalende bevolkingsgroei. In de periode 1980-1995 was de groei nog slechts 1,4% (van 1960 tot 1970 nog 2%). In de jaren tachtig nam de immigratie uit Aziatische landen een enorme vlucht en oversteeg die uit Europese landen met gemak. De levensverwachting bij geboorte was in 1995 voor vrouwen ruim 81 jaar en voor mannen 75 jaar (voor Aborigines liggen die cijfers veel lager: 62 resp. 57 jaar). De kindersterfte was in 1992 9‰ (in 1965 nog 19‰).
2.2 Taal
De officiële taal is het Engels.
2.3 Religie
De grondwet garandeert volledige godsdienstvrijheid. In 1991 was 26% rooms-katholiek, behoorde 24% tot de Anglicaanse Kerk en 10% tot het methodisme en presbyterianisme; 3% was Grieks-orthodox.

3. Bestuur en samenleving
3.1 Staatsinrichting
Australië is een parlementaire democratie, lid van het Gemenebest van Naties en formeel onderworpen aan het gezag van de Britse vorst(in), die wordt vertegenwoordigd door een gouverneur-generaal en door de gouverneurs van de zes deelstaten. De Grondwetswijziging van 1986 schafte de nog bestaande controle van het Britse parlement over Australische wetgeving af.
De deelstaten vormen tezamen een federatie: 'the Commonwealth of Australia'. Het bestuur van de deelstaten is op dezelfde wijze ingericht als dat van de federatie. De beide interne territoriale gebieden, de Northern Territory en het gebied rond Canberra (Australian Capital Territory) hebben een afhankelijker positie tegenover de federale regering, die eveneens verantwoordelijk is voor het volledige bestuur over de externe territoria. Volgens de grondwet is de gouverneur-generaal staatshoofd en formeel belast met de uitvoerende macht. In vrijwel alle kwesties handelt hij echter alleen op advies van de ministers van de federatieve regering. De gouverneurs van de deelstaten vervullen een soortgelijke functie. De wetgevende macht berust bij het Australische parlement, dat bestaat uit het Huis van Afgevaardigden (het Lagerhuis) met 148 leden en de Senaat (het Hogerhuis) met 76 leden. De leden van het Huis van Afgevaardigden worden in de verschillende deelstaten gekozen naar rato van hun respectieve bevolkingsgrootte. Verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden vinden ten minste eens in de drie jaar plaats. Naar de Senaat vaardigt elke deelstaat twaalf leden af. Het getal van 76 wordt bereikt doordat het Australian Capital Territory en Northern Territory elk twee senatoren afvaardigen. De leden van de Senaat vervullen een ambtstermijn van zes jaar, waarbij elke drie jaar de helft van de Senaat opnieuw gekozen wordt. Senatoren uit de twee interne territoriale gebieden hebben echter een ambtsperiode van drie jaar. Wetsvoorstellen moeten door beide kamers aangenomen zijn alvorens zij kracht van wet bezitten. Is een wet van een deelstaat strijdig met een federatieve wet dan prevaleert de laatstgenoemde. Er bestaat algemene stemplicht voor personen vanaf 18 jaar.
In 1997 werd een volksconventie ingesteld (voor de helft door de Australiërs gekozen), die een uitspraak gaat voorbereiden over de vraag of het land een republiek moet worden of een parlementaire monarchie binnen het Britse Gemenebest moet blijven. De meningen hierover waren in de jaren negentig ongeveer gelijk verdeeld. Een eventuele uitspraak in het voordeel van een republiek behoeft overigens bekrachtiging door eenzelfde uitspraak door de Australiërs zelf via een referendum.
3.2 Lidmaatschap van internationale organisaties
Australië is lid van de Verenigde Naties en haar organisaties, het Gemenebest van Naties, de OESO, het Anzus-Pact, het Colombo-Plan en de South Pacific Commission Verder heeft Australië een vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) met Nieuw-Zeeland.
3.3 Aborigines
Een moeilijk en urgent sociaal probleem voor de Australische regering is dat van de Aborigines, de oorspronkelijke bevolking. Toen in 1788 de eerste blanke kolonisten uit Engeland op de oostkust van Australië arriveerden, was dit continent bewoond door ca. 300!000 inboorlingen, door hen Aborigines genoemd. Hun aantal is de afgelopen 200 jaar sterk teruggelopen, o.a. door ziekten en uitroeiing. De blanke kolonisten en hun nakomelingen hebben geleidelijk aan de beste stukken land in bezit genomen, terwijl de Aborigines moesten uitwijken naar de meest onherbergzame delen van het Australische continent.
In de jaren zestig van de 20ste eeuw werden juist in die gebieden economisch belangrijke bodemschatten ontdekt: uranium in het berggebied van Arnhemland en bauxiet op de westkust van de Carpentariagolf (Queensland). Dit had een gedwongen migratie voor de Aborigines ten gevolge naar nog onvruchtbaarder woonplaatsen. De schadevergoeding aan de Aborigines, waartoe de regering de mijnbouwondernemingen verplichtte, kon nauwelijks als compensatie gelden.
Het in 1972 geïnitieerde regeringsbeleid inzake de Aborigines (vooral betrekking hebbend op opheffing van de achterstelling op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid en behuizing) heeft nog niet veel positieve resultaten opgeleverd. Dit wordt deels veroorzaakt door verzet van de oorspronkelijke bewoners zich te assimileren met de blanke bevolking, deels ook door hun afwijzende houding tegenover de zgn. 'reservaten voor Aborigines'. In 1974 erkende de Australische regering in principe het recht van de Aborigines zich op hun eigen grondgebied te vestigen. Het ministerie voor 'Aboriginal Affairs' probeert o.a. betere mogelijkheden op onderwijsgebied te creëren voor Aborigine-kinderen en in hun gemeenschappen meer aandacht te vestigen op de traditionele inheemse cultuur. In gebieden waar veel Aborigines wonen worden in het basisonderwijs de inheemse talen onderwezen. South Australia werd in 1976 de eerste deelstaat met een Aborigine als gouverneur. Vijf jaar eerder was de eerste senator van dezelfde etnische groepering gekozen.
Nadat in 1976 de Aborigines de rechten hadden verkregen over een deel van Northern Territory, werd dit gebied in 1985 officieel aan hen overgedragen. Ook in South Australia verkregen de Aborigines rechten over delen van het grondgebied. In 1990 werd de ATSIC-commissie in het leven geroepen, die voor de oorspronkelijke bewoners een 'decent' zelfbestuur en een betere deelname aan voor hen belangrijke politieke beslissingen mogelijk moet maken. In 1995 bekrachtigde het Opperste Gerechtshof de in 1993 aangenomen 'Native Title Act', welke wet voorziet in een substantiële financiële vergoeding voor land waarop Aborigines aantoonbaar historische aanspraak kunnen maken. (Zie ook Aborigines.)
3.4 Politieke organisatie, partijwezen en vakbeweging
De drie grootste politieke partijen zijn de Liberal Party, de Australian Labor Party en de National Party. De Liberal Party is voorstander van een vrije economie en het particulier ondernemerschap. De National Party vertegenwoordigt de belangen van de bevolking buiten de stedelijke agglomeraties. De Labor Party, de oudste politieke partij van Australië (1891), staat democratische socialisering van de industrie, productie en verdeling voor. Zij is voor een algemene gelijkheid van kansen voor alle Australiërs; zij breidt haar aanhang vooral uit onder de stedelijke middengroepen en de jeugd.
Er is een groot aantal vakbonden; in 1992 waren er 227 door de staat erkende vakbonden (in 1990 nog 295) met in totaal 3, 1 miljoen leden. Twee jaar later was het aantal georganiseerde werknemers al gezakt naar 2,4 miljoen.

4. Economie
4.1 Algemeen
Australië heeft een vrije-markt economie; overheidsregulering beperkt zich voornamelijk tot het sociale terrein. Australië behoort tot de meest welvarende landen ter wereld; het inkomen per hoofd van de bevolking bedroeg $ 17.980 (1994). De ontwikkeling van de Australische economie wordt gekenmerkt door snelle en ingrijpende veranderingen die het beeld van Australië als een overwegend agrarisch land radicaal hebben veranderd. De belangrijkste sectoren waarin de beroepsbevolking in 1993 werk vond, waren de industrie (ca. 24%) en de handel (ca. 20%), terwijl bij de overheid ca. 22% van de arbeidskrachten werkzaam was. In het midden van de jaren vijftig bedroeg het aandeel van de land- en bosbouw in het bnp nog ca. 15%. In 1994 was dat teruggelopen tot 3%. De belangrijkste bestanddelen van het bnp vormden de industrie (30%) en de handel, diensten en transportsector (67%). Een stormachtige ontwikkeling heeft de mijnbouw doorgemaakt (40% van de exportwaarde in 1995 tegen 13% in 1965) door de ontdekking van belangrijke delfstoffen als bauxiet, uranium, ijzererts en aardolie.
Deze ontwikkelingen vonden hun weerslag op de buitenlandse handel van Australië. Ofschoon de agrarische sector na de mijnbouw nog steeds de belangrijkste pijler vormt van de Australische economie, daalde het agrarische aandeel in de export tussen 1965 en 1986 van 73% naar 39%. Het percentage van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw liep terug van ca. 15% in 1975 tot 5% in 1993.
Toch is ook de internationale economische crisis niet ongemerkt aan Australië voorbijgegaan. De industriële goederenproductie daalde, ondanks beschermingsmaatregelen, van 29% van het bnp in 1955 tot 18% in 1985. Onder het sterk sociaal gerichte beleid van de Labor-regering (1972-1975) steeg het inflatiecijfer tot 17%. In de daarop volgende jaren werd dat door de regeringen van achtereenvolgens liberalen en Labor teruggebracht tot 8,2% in 1987, o.a. door de belastingen te verlagen en de overheidsbestedingen te beperken. Een gevolg hiervan was een stijgende werkloosheid. Eind 1995 was meer dan 8% van de beroepsbevolking werkloos, voor een land dat traditioneel een gebrek aan arbeidskrachten kent, een ongekende situatie. De werkloosheid komt het hardst aan bij de jongeren. Hoewel 12% van de beroepsbevolking jonger is dan 21 jaar, vormen zij ca. 33% van het totale aantal werklozen. De overheid is slechts sturend actief om de inflatie en de werkloosheid terug te dwingen.
Een belangrijke bijdrage aan de economische ontwikkeling van Australië vormen de buitenlandse investeringen. In 1976 kondigde de overheid nieuwe richtlijnen aan voor buitenlandse investeringen. De bestaande regeling, die o.m. bepaalde dat elke onderneming die met buitenlands kapitaal wordt opgezet, een gelijke inbreng van vreemd en Australisch kapitaal moet hebben, werd beperkt in die zin, dat dit alleen geldt voor projecten die van nationaal belang worden geacht, zoals de uraniumwinning. In 1984 beliepen de netto-buitenlandse investeringen in totaal ca. $ 10 miljard.
4.2 Landbouw, veeteelt, bosbouw en visserij
De Australische agrarische sector is sterk op de export gericht (ca. 95% van de wol en meer dan 40% van de overige agrarische producten wordt geëxporteerd). Ofschoon hun economische betekenis is afgenomen, vormden agrarische producten in 1986 nog altijd ca. 39% van de totale exportwaarde. Klimaat en bodem beperken de landbouw tot een relatief zeer kleine oppervlakte. Slechts ca. 1% van de bodem wordt gebruikt voor de verbouw van voedselgewassen, waaronder de (wijn)druiven sterk in opkomst zijn. Irrigatie vindt op kleine schaal plaats, hoewel daarin sterk wordt geïnvesteerd. Het belangrijkste gewas is tarwe, dat in alle staten op ruime schaal wordt verbouwd en een belangrijk agrarisch exportartikel vormt. Haver en gerst blijven hierbij sterk achter. Maïs en sorghum worden verbouwd in de tropische gebieden van New South Wales en Queensland. In bevloeide streken van deze staten vindt ook sterk gemechaniseerde rijstverbouw plaats. Australië is na Cuba de grootste suikerexporteur, met Japan als de belangrijkste afnemer. Queensland is het gebied bij uitstek voor suikerriet. Fruit is eveneens een belangrijk product. Queensland levert tropische en subtropische vruchten (ananas, papaja's), terwijl in New South Wales, Victoria, South Australia en op Tasmanië appels en peren worden geteeld; Tasmanië is de grootste appelproducent. In Victoria teelt men wijndruiven, die grotendeels tot rozijnen worden verwerkt. Door irrigatie is het gebied tussen de Murray en de Murrumbidgee in het zuidoosten gedeeltelijk geschikt gemaakt voor de teelt van vruchten (perziken, citrusvruchten). Bananenteelt vindt plaats in het westen en langs de oostkust van Queensland en New South Wales; tabaksteelt, van oudsher in Queensland, heeft zich sterk uitgebreid door de ingebruikname van geïrrigeerde gebieden in New South Wales en Western Australia. Belangrijker dan de akkerbouw is de veeteelt, waarbij de schapenteelt de eerste plaats inneemt. Australië bezit met ca. 150 miljoen schapen (1994) de grootste schapenstapel ter wereld. Australië is ook de grootste wolproducent ter wereld. Wol vertegenwoordigt meer dan 9% van de Australische exportopbrengst. De belangrijkste afnemers zijn Japan, Duitsland en Frankrijk. Hoewel de schapenteelt ook in het akkerbouwgebied wordt bedreven, worden de grootste kudden toch gehouden in de door winning van artesisch water voor de schapenteelt toegankelijk gemaakte steppegebieden in het binnenland, zowel van oostelijk als van westelijk Australië. De uitroeiing (voor 90%) van het (geïmporteerde) konijn (met behulp van het myxomatosevirus), alsmede veterinaire zorg en insectenbestrijding hebben de schapenteelt zeer bevorderd, al blijft de soms optredende extreme droogte voor de graziers (schapenboeren) een zeer groot risico vormen. De wol, speciaal de merino, is van zeer goede kwaliteit; de wolproductie per schaap is hoog (tot 5 kg per jaar). De streng gesloten beroepsgroep van de schaapscheerders bedient de stations per auto en vliegtuig. Hoewel minder belangrijk dan de schapenteelt, is ook de rundveeteelt van veel gewicht (Queensland, Northern Territory en South Australia). Noord-Australië is het gebied van de slachtveehouderij; de dieren worden alvorens geslacht te worden uit de steppen naar de vetweiden (fattening areas) gevoerd en van daar naar de slachthuizen in de steden. In de gebieden met wat ruimere neerslag, vnl. Victoria, overheerst de melkveehouderij, gecombineerd met een grote boter- en kaasproductie. Eveneens in Victoria en New South Wales is de lamsvleesproductie belangrijk. Australië behoort met Argentinië tot de belangrijkste exporteurs van vlees. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Japan en Canada.
4.2.1 Bosbouw
Ondanks de uitgestrekte woestijngebieden bezit Australië grote wouden (ca. 5% van de oppervlakte is bos). Tropische oerwoudgebieden liggen langs de kusten van Queensland en Noord-Australië; zij worden ten dele geëxploiteerd en bevatten waardevolle houtsoorten (ceder, notenhout, mahonie). De niet-tropische woudgebieden liggen vooral in de vochtige kustgebieden in het oosten en zuidoosten, in het uiterste zuidwesten en op Tasmanië. Meer landinwaarts liggen grote droogtewoudgebieden met eucalyptus als economisch belangrijke boomsoort. Kwalijke gevolgen van de te sterke ontwouding (door houtkap en om cultuurgrond te winnen) waren zandverstuivingen, bodemerosie en verstoring van de waterhuishouding. Staatsbosbeheer en een aantal particuliere commerciële organisaties trachten dit door nieuwe aanplant zoveel mogelijk ongedaan te maken. Voor de eigen behoeften worden jaarlijks 30!000 ha bos aangeplant.
4.2.2 Visserij
De visserij is van geringe omvang en kan slechts aan ongeveer de helft van de binnenlandse behoefte voldoen. Oesters worden in New South Wales en Queensland gekweekt.
4.3 Mijnbouw
Australië is buitengewoon rijk aan delfstoffen. De mijnbouw heeft een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt en is thans de kurk waarop de Australische economie drijft. Bij volledige exploratie van de thans bekende lagen zou Australië, afgezien van enkele mineralen, in hoge mate onafhankelijk zijn van de invoer van delfstoffen. Japan is de grootste afnemer van Australische mineralen en metalen (ca. 60% van het totaal). In het begin van de jaren zeventig vond ca. 65% van de buitenlandse investeringen in Australië plaats in de mijnbouw en werd deze sector in meerderheid door buitenlands kapitaal gedomineerd. Australië bezit grote voorraden aan uraniumerts. Eind 1977 hief de regering het embargo op de uraniumexploitatie op, dat vier jaar van kracht was geweest. Uranium wordt gevonden in het Northern Territory bij Mary Kathleen (Queensland) en bij Radium Hill (New South Wales). Enorme ijzerertsreserves zijn aangetroffen in Western Australia. Australisch ijzererts bezit een hoog ijzergehalte (65%). De brutoproductie vertwintigvoudigde zich tussen 1962 en 1975, en nam tussen 1980 en 1985 verder toe met 65%. Even opzienbarend was de ontdekking van een belangrijk aardolieveld in Bass Strait, waardoor Australië voor 70% in zijn eigen aardoliebehoeften kan voorzien. Aardgas wordt eveneens in Bass Strait gewonnen, in nieuwe velden van South en Western Australia. Enorme voorraden zijn aanwezig in de Northwest Shelf (Western Australia). Goud was in 1995 goed voor 7,4% van de totale uitvoer.
Australië is de belangrijkste producent van zirkoon, rutiel en bauxiet en een belangrijk exporteur van dit laatstgenoemde erts en het daaruit gewonnen aluminium. De grootste vindplaatsen zijn gelegen bij Weipa (Kaap Yorkschiereiland), in Northern Territory en in Queensland. Ook voor lood en zink (Broken Hill in New South Wales, Mount Isa in Queensland en Queenstown in Tasmanië) geldt Australië als een van de belangrijkste producenten en exporteurs. De Australische bodem bevat voorts belangrijke hoeveelheden nikkel (rond Kalgoorlie en Kambalda in Western Australia), bruinkool en steenkool (Victoria), tin (New South Wales en Queensland), asbest (New South Wales) en opaal (South Australia).
4.4 Energievoorziening
Steenkool is de belangrijkste primaire energiebron die in thermische centrales gebruikt wordt. Te zamen met aardolie en aardgas levert het ca. 80% van de totale energieproductie (zie ook § 4.3). De resterende 20% komt van hydro-elektrische installaties. Tasmanië was tot 1975 de enige staat waar voldoende mogelijkheden waren voor waterkrachtcentrales. Het belangrijkst is het Snowy-Mountainsproject in het zuidoosten van New South Wales. Het project, met de bouw waarvan in 1949 begonnen werd en dat in 1974 voltooid was, is een van de grootste gecombineerde irrigatie- en energieprojecten ter wereld. Het geheel bestaat uit meer dan 5200 km2, waarop o.a. zeven krachtcentrales staan met een gezamenlijk vermogen van bijna 4000 MW. Victoria heeft grote bruinkoolcentrales. Daarnaast zijn afvalverbrandingsovens nieuwe stroomproducenten.
4.5 Industrie
De Australische industrie heeft zich na 1950 sterk ontwikkeld. Haar aandeel in het bnp bedroeg in 1994 30%, terwijl 24% van de beroepsbevolking in de industrie werkzaam was. De jaarlijkse investeringen in de verwerkende industrie vertoonden na 1974 een daling als gevolg van de internationale conjuncturele teruggang en de daarmee gepaard gaande productiedaling. Belangrijke problemen bij de industriële ontwikkeling vormen o.a. de hoge loonkosten, de beperktheid van de markt, de grootte van het land (hoge transportkosten) en de afhankelijkheid van buitenlandse knowhow. In de eerste helft van de jaren tachtig verminderde de groei van de loonkosten in de industrie (1980-1985: 1,3% groei), terwijl de arbeidsproductiviteit toenam. Sectoren als de automobiel-, de elektronica-, de textiel- en de schoenenindustrie kampen vanwege hun slechte concurrentiepositie met toenemende afzetmoeilijkheden. De regering steunde de zwaarst getroffen branches met tariefverhogingen en andere protectionistische maatregelen, maar ziet daar nu van af. Ondanks overheidssteun kan de scheepsbouwindustrie (Newcastle in New South Wales en Whyalla in South Australia) niet opwerken tegen de buitenlandse concurrentie. Hetzelfde geldt voor de metaalverwerkende industrie. Bijna de gehele ijzer- en staalproductie is in handen van de Broken Hill Proprietary Company Ltd. en haar dochterondernemingen met centra in Port Kembla, Newcastle en Whyalla. De Broken Hill Company heeft ook belangen in de aardoliewinning. Belangrijke industriële activiteiten vinden voorts plaats in de voedings- en genotmiddelensector (waar bijna 10% van de beroepsbevolking werkzaam is), de elektronica, de textiel- en de kledingbranche, terwijl bijna de helft van de bruto industriële productie afkomstig is uit de metaal- en chemische industrie en de machinebouw. Een stijger is de telecommunicatie.
4.6 Handel
De Australische handelsbalans vertoont doorgaans een overschot. De economische problemen in de eerste helft van de jaren tachtig leidden in 1985 en 1986 echter tot een tekort op de balans.
In 1986 bestond de export voor 40% uit brandstof, mineralen en metalen (1965: 13%). Andere primaire goederen, zoals voedsel en tabak, vormden 39% (1965: 73%) van de export en fabrikaten waren goed voor 22% (1965: 11%) van de export. De import bestond in 1986 voor 5% uit voedsel, 5% uit brandstof, 43% uit machines en transportmiddelen en voor 44% uit fabrikaten, zoals elektronica. Evenals voor de export is ook voor de Australische import het gebied van de Grote Oceaan, m.n. Japan, van toenemende betekenis. Japan is de belangrijkste handelspartner van Australië (25,2% van de export en 18,7% van de Australische import in 1993). Andere belangrijke handelspartners zijn de Verenigde Staten (7% van de Australische export) en de EU (14% van de export).
4.7 Ontwikkelingssamenwerking
Jaarlijks geeft Australië ca. 0, 5% van het bnp aan ontwikkelingshulp (1985 ca. $ 700 miljoen). Papua New-Guinea ontvangt hiervan ca. eenderde.
4.8 Bankwezen en financiën
Het bankwezen van Australië omvat naast de centrale bank (de Reserve Bank of Australia, die in 1959 als zodanig de vroegere Commonwealth Bank verving) vijftien handelsbanken, waaronder drie die volledig in buitenlandse handen zijn en een aantal kleinere banken en spaarbanken. In sept. 1974 werd de Australische dollar met 12% gedevalueerd en tevens de koppeling aan de Amerikaanse dollar losgelaten. In 1983 werd besloten de Australische dollar volledig te laten zweven. Als gevolg hiervan deprecieerde de munt in 1985 dramatisch: 54% ten opzichte van de yen en 25% ten opzichte van de Amerikaanse dollar.
4.9 Verkeer
De integratie van de Australische spoorwegen (eerste treinverbinding: Melbourne-Port Melbourne, 1854) wordt bemoeilijkt door de verschillende spoorbreedten in de afzonderlijke staten. De kostbare standaardisering, waaraan de centrale overheid van 1955 tot 1975 $A 250 miljoen besteedde, resulteerde o.a. in de lijn Brisbane-Sydney-Broken Hill-Perth-Fremantle (ca. 3000 km), die in 1970 gereed kwam en waardoor voor het eerst passagiers zonder overstappen van de Grote naar de Indische Oceaan vervoerd kunnen worden (in 65 uur). Een doorgaande noord-zuidverbinding ontbreekt nog. Particulier spoor wordt vooral voor het vervoer van erts en suiker gebruikt.
Het wegennet omvatte in 1990 ca. 810!000 km verharde en onverharde wegen. 'Road trains' (trekkers met 2 à 3 aanhangers) verzorgen vnl. het transport over land in afgelegen gebieden. Een speciaal wegentype vormen de zgn. stock routes: wegen met grasstroken aan beide zijden, waarlangs het vee wordt gedreven naar nieuwe weidegronden of naar slachtcentra. Met meer dan 550 motorvoertuigen per 1000 inw. is Australië een van de meest gemotoriseerde landen ter wereld. Het meest nijpende vervoersprobleem vormt het gebrek aan adequate snelwegen tussen de hoofdsteden van de deelstaten.
De scheepvaart (uitsluitend zeescheepvaart) beschikt over 52 vnl. goed geoutilleerde havens, o.a. Sydney, Melbourne, Fremantle, Newcastle, Port Hedland, Geelong, Port Kembla, Adelaide, Brisbane, Hobart. De havens zijn niet alleen van belang voor het overzeese internationale goederenvervoer, maar ook voor het nationale goederenvervoer tussen de afzonderlijke staten van Australië, dat voor een belangrijk deel over zee plaatsvindt. Ondanks de grote rol die de zeescheepvaart speelt in het economische leven, beschikt Australië over een vrij kleine handelsvloot.
Het luchtverkeer speelt een steeds belangrijker rol bij de ontsluiting van talrijke afgelegen plaatsen; het verkeer per privévliegtuig is in Australië sterk ontwikkeld. Alle grote steden bezitten luchthavens, talrijke kleinere hebben ten minste een vliegveld (in totaal zijn er 441 met geregelde diensten). De nationale luchtvaartmaatschappij is de Qantas Empire Airways Ltd. Het grootste deel van het binnenlandse luchtvervoer wordt verzorgd door Australian Airlines en de Ansett Airlines of Australia. Er zijn in totaal tien luchtvaartmaatschappijen.

5. Toeristische gegevens
Sedert het begin van de jaren zeventig is het toerisme in Australië sterk toegenomen. De toeristische trekpleisters liggen voornamelijk in het oosten, in Queensland en New South Wales. Sydney, met het gehele jaar door gemiddeld ruim zes uur zon per dag, wordt vooral bezocht om de brede, kilometers lange stranden die zich binnen de stadsgrenzen bevinden, en om het nabij gelegen Kuringgai Chase National Park, een befaamd dierenreservaat. Australiës bekendste zoogdier, het vogelbekdier, is te aanschouwen in het wildreservaat Healesville, 65 km van Melbourne. Ten zuiden van Canberra liggen de Snowy Mountains, waar het skiseizoen in juni begint. Thredbo en Perisher zijn de voornaamste wintersportcentra.
Australiës grootste toeristische attractie is het Groot Barrièrerif voor de noordoostkust, een koraalformatie die zich uitstrekt over een lengte van 2000 km (totale oppervlakte bijna 210.000 km2). Great Keppel Island in het zuiden is beroemd om zijn witte stranden. Het favoriete vakantiegebied van de Australiërs ligt 80 km ten zuiden van Brisbane: de Gold Coast. Hotels, motels, pensions, appartementen, campings en caravanstandplaatsen zijn hier samengeperst op een kuststrook van 30 km lengte, die beroemd is om zijn surfmogelijkheden.
Midden in het Australische binnenland ligt de oude kolonistenstad Alice Springs, de enige stad in een omtrek van honderden kilometers. Het voormalige telegraafkantoor hier is thans ingericht als pioniersmuseum. Ruim 350 km ten westen van de stad liggen Ayers Rock (met prehistorische tekeningen) en de felgekleurde rotsen van Mount Olga. Barossa Valley in South Australia, nabij Adelaide, is een uitgestrekt wijngebied.
Op het groene en vruchtbare Tasmanië biedt het landschap een totaal andere aanblik dan waar ook op het continent. Cradle Mountain in Lake St. Claire National Park is hier het grootste natuurgebied - zeer in trek bij forelvissers. In Port Arthur, 100 km ten zuidoosten van Tasmaniës hoofdstad Hobart, getuigen de ruïnes van gevangenissen en bewakersverblijven nog van het feit dat hier eens de meest gevreesde strafkolonie van Australië gevestigd was.
Toeristen hebben een visum nodig voor Australië. De beste tijden voor een bezoek verschillen per landstreek. Voor South Australia zijn het de maanden september tot december, voor Queensland juni tot september, voor New South Wales september tot mei, voor Western Australia augustus tot november.

6. Prehistorie
De kolonisering van Australië vanuit Zuidoost-Azië (waar Homo erectus reeds op Java voorkwam) is lange tijd tegengehouden door de diepe zeetroggen welke de lijnen van Wallace en Weber vormen tussen de Aziatische en de Australische dierenwereld. Hoewel het Sunda- en het Sahulplat in de IJstijden droogvielen ten gevolge van de zeespiegeldaling en zo de verspreiding van dier en mens vergemakkelijkten, waren er toch vaartuigen nodig om de zeebarrières over te steken. In dit licht is het opmerkelijk dat de oudste radiokoolstofdateringen teruggaan tot 30!000 v.C., voor een afzetting met bewoningsresten nabij Lake Mungo, aan de monding van de Murray, en het is nog allesbehalve zeker dat hiermee de oudste bewoningsfase is gedocumenteerd. Er zijn voorts ruim twintig archeologische terreinen, in alle hoeken van het continent gelegen, gedateerd tussen 24.000 en 10.000 v.C. De menselijke schedels uit deze periode behoren alle tot Homo sapiens, zij het tot twee morfologische typen: een meer archaïsche Talgai-groep, met kenmerken van de Javaanse Solo-mens, en een modernere Keilor-groep. De materiële cultuur omvat zware stenen schrabbers, pebble tools, stenen bijlen met geslepen snede, eenvoudige benen priemen en rotstekeningen (te Koonalda, 20.000 v.C.). De doden werden begraven en opmerkelijk zijn enkele zeer vroege crematies: Lake Mungo (23.000 v.C.) en Lake Tandau (10.000 v.C.). Blijkens de gevonden beenderen leefde men van de jacht op verschillende soorten kangoeroes, knaagdieren, hagedissen en vogels. Er werden schildpadden en vissen gevangen, eieren en schelpdieren verzameld, niet verschillend van de leefwijze van de Aborigines in de 18de en 19de eeuw. Het plantaardige voedsel is archeologisch slecht gedocumenteerd, maar het zal zeker van even groot belang zijn geweest. Met name in Zuidoost-Australië en op Tasmanië werden langs de kust op zeehonden gejaagd en zoveel schelpdieren verzameld, dat grote afvalhopen ontstonden.
Tussen 6000 en 4500 v.C. bereikten enige vernieuwingen het continent vanuit de Indische archipel: de hond en enige stenen werktuigvormen, zoals de pirri-spits, en verschillende typen microlieten. Deze nieuwe elementen drongen niet door tot de weinige bewoners van Tasmanië, dat tussen 11.000 en 10!000 v.C. van het continent werd gescheiden en waar de levenswijze sedertdien vrijwel onveranderd bleef. Voor de Europese ontdekkers en kolonisten van de 18de en 19de eeuw, die een einde maakten aan Australiës prehistorie, waren de Tasmaniërs hierdoor nog primitiever dan de Australische Aborigines. In Europees-archeologische zin zou in beide gevallen van een mesolithische levenswijze gesproken kunnen worden en lijken de verschillen niet zo essentieel. Deze 'levende' steentijdculturen zullen weinig hebben verschild van die van duizenden jaren tevoren. Zij bieden een verrassend inzicht in de niet-materiële culturele rijkdom welke achter een materieel arme en archeologisch armelijke cultuur schuilgaat: een grote kennis van de omringende natuur en de natuurlijke hulpbronnen, een rijke religieuze beleving en een ontwikkelde sociale structuur. Men mag aannemen dat deze, of ten minste de wortels daarvan, gedurende de gehele Australische prehistorie aanwezig waren. De reden waarom er in Australië nooit een verdere ontwikkeling heeft plaatsgevonden, is niet eenvoudig aan te geven. Een optimale en stabiele aanpassing aan een weinig veranderend milieu, een klimaat dat weinig eisen stelt aan kleding en onderdak en dat overwegend weinig geschikt is voor akkerbouw, een mobiele levenswijze, die bezits- en voorraadvorming verhinderde, en weinig of geen contacten met de buitenwereld worden nu als de belangrijkste redenen gezien.

7. Geschiedenis
7.1 Ontstaan van de koloniën
Door zijn afgelegen ligging is Australië het laatst ontdekte en doorvorste van alle werelddelen. Wat de eerste ontdekkers, de opvarenden van het Hollandse schip 'Duyfken', in 1606 te zien kregen, lokte weinig tot verder onderzoek: door het ontoegankelijke karakter van het binnenland bleef de verkenning voorshands beperkt tot de barre westkust; de veel gunstiger oostkust werd pas in 1770 door James Cook voor het eerst bezocht. In 1788 landden ten slotte de eerste blanke bewoners in de Botanybaai.
Engeland had aanvankelijk weinig belangstelling voor dit afgelegen gebied. Het achtte het slechts geschikt voor strafkolonie. De eerste dergelijke nederzetting was Port Jackson (1788). De uitzending van gestraften duurde, wat New South Wales betreft, tot 1840, terwijl naar Western Australia tot 1868 gevangenen werden gedeporteerd. Te Sydney (genoemd naar de toenmalige Britse minister van Koloniën) had zich reeds in de 18de eeuw de eerste vrije vestiging gevormd. Toen onder het Napoleontische bewind Java in Franse handen viel, begonnen de Britten meer aandacht aan Australië te schenken. Het land werd onder militair bestuur gesteld. Na New South Wales werd ook Van Diemenland (sedert 1856 Tasmanië geheten) het terrein van vrije kolonisatie. De kolonisten leefden van schapenteelt en graanbouw. Volgende koloniën werden opgericht in Western Australia, South Australia, Victoria, Queensland en het Northern Territory; deze koloniën werden echter door particulieren gesticht, buiten directe bemoeienis van de Britse regering. Het militaire bestuur werd het eerst in New South Wales vervangen door een civiel bestuur met een volksvertegenwoordiging. In 1850 werden alle staten uitgenodigd een grondwet op te stellen. Van grote betekenis voor de opkomst van Australië was de ontdekking van goud bij Ballarat (ca. 1860), waardoor een ware stroom van immigranten ontstond en de grondslag voor een eigen industriële ontwikkeling werd gelegd. Andere rijke goudvelden werden gevonden in Bendigo, Clunes, Castlemaine, Maryborough, Mount Morgan in Queensland (1882) en in de jaren negentig in Coolgardie en Kalgoorlie (Western Australia).
7.2 De vorming van het Gemenebest
De Britse gebieden in Australië zijn lang enigszins vijandig tegenover elkaar blijven staan. Dit moet wel verklaard worden uit de afzonderlijke ligging van de staten, onderling gescheiden door de middenwoestijn, en uit de ongelijke ontwikkeling. Maar de verbindingen werden beter en de gemeenschappelijke tegenzin tegen Chinese en Japanse immigranten bracht hen toch tot samenwerking. Een pan-Australische ministersconferentie in 1891 had nog geen succes, maar een tweede in 1897 had een ontwerp-grondwet tot resultaat, die in 1900 door het Britse parlement werd goedgekeurd; zij liet aan de staten nog een zeer grote zelfstandigheid.
Op 1 jan. 1901 vond de stichting plaats van de Commonwealth of Australia, die ook Tasmanië (doch niet Nieuw-Zeeland) omvat, en op 9 mei 1901 werd het eerste Australische parlement te Sydney geopend.
7.3 Australië als autonome mogendheid tot aan de Tweede Wereldoorlog
In de jaren rond 1900 werd het politieke leven grotendeels beheerst door de in 1891 tot Labor Party geconstitueerde arbeidersbeweging. Deze droeg een apart, nationalistisch en niet-marxistisch karakter. Door haar straffe interne discipline werd zij in de Australische samenleving een niet te onderschatten macht, ook wanneer de federale regering niet door haar leiders gevormd werd. In 1910 kwam de Labor Party onder Andrew Fisher eerst goed aan de regering. Na een onderbreking van een jaar (1913-1914) vormde Labor in sept. 1914 weer een regering, waarin de markante persoonlijkheid van W.H. Hughes, die in 1915 premier werd, domineerde. Toen hij echter in 1917 de dienstplicht wilde invoeren, kreeg hij onenigheid met zijn eigen partij, waarvan hij zich toen met enkele getrouwen afscheidde om tezamen met de liberalen, met wie hij zich tot de National Party verenigde, de regering voort te zetten. Het voorstel tot dienstplicht werd echter tot tweemaal toe bij referendum verworpen. Hughes, die zich door zijn eigenmachtig optreden tot een zeer omstreden figuur had gemaakt, herwon veel van zijn nationaal prestige door op de vredesconferentie van Versailles in 1919 krachtig voor Australiës eisen op te komen. Hij wist voor zijn land het mandaat over Duits Nieuw-Guinea te verkrijgen (zie ook Papua Nieuw Guinea: § geschiedenis).
In 1923 moest Hughes wijken voor een kabinet onder leiding van S.M. Bruce, leider van de liberale vleugel van de National Party, in samenwerking met de Country Party, een in 1919 afgescheiden groep. Onder zijn bewind, dat tot 1929 duurde, werd in 1927 de nieuwe hoofdstad Canberra ingewijd. Oude geschilpunten over arbitrage, financiële kwesties en arbeidswetgeving wekten ontevredenheid, waarvan Labor, voor het eerst sinds vijftien jaar, profiteerde. Een regering-Scullin kon het echter slechts twee jaren bolwerken.
Evenals in het moederland, ontstond ook hier ten gevolge van de economische crisis, die Australië bijzonder hevig trof, een grote behoefte aan een nationale regering. Bij de verkiezingen van eind 1931 behaalde de United Australian Party, ontstaan uit fusie tussen ontevreden socialisten en National Party, de meerderheid. Onder leiding van J.A. Lyons vormde zij een regering, die bijna tien jaar aanbleef.
In die jaren werd Australië zich bewust, dat in het isolement niet meer zijn kracht lag. De Britse vloot zou bij een eventueel conflict, nog meer dan in 1914-1918, in de Europese wateren vastgehouden worden, terwijl anderzijds Japan als potentiële vijand moest worden beschouwd. Deze overwegingen leidden ertoe, dat Australië zich al vroeg in de jaren dertig ging toeleggen op bewapening en wapenfabricage. R.G. Menzies, premier na Lyons' dood (april 1939), zette de politiek van solidariteit met het Britse Rijk voort.
7.4 Australië en de Tweede Wereldoorlog
Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zond Australië een grote troepenmacht naar het Europese strijdtoneel, waar deze vooral in de eerste twee Egyptische campagnes, in Griekenland, Kreta en Syrië het leeuwendeel in de strijd hadden. In okt. 1941 kwam de Labor Party onder J. Curtin aan de regering. Reeds twee maanden daarna barstte de strijd in de Pacific los. Door de val van Singapore, waarbij ook zware Australische verliezen werden geleden, stortte het gehele Britse defensiesysteem voor het zuidwestelijke gedeelte van de Grote Oceaan ineen. De Japanners landden op Nieuw-Guinea en rukten in snel tempo op naar de zuidkust van dit eiland. De vlootbasis Darwin en andere plaatsen aan de noordkust van Australië werden herhaaldelijk gebombardeerd. Een invasie in dit schier onbewoonde gedeelte van het continent kon elk ogenblik verwacht worden.
In het licht van deze noodtoestand werd nauwe aansluiting gezocht bij de strategie van het Amerikaanse opperbevel, dat Australië zag als uitgangspunt van een toekomstige tegenactie. Generaal MacArthur vestigde er zijn hoofdkwartier en Amerikaanse troepen landden op Australische bodem. Intussen werden alle Australische troepen uit het Midden-Oosten teruggeroepen. Een militaire en burgerlijke dienstplicht werd ingevoerd en allerlei bevoegdheden van de afzonderlijke staten werden in handen van de federale regering gelegd. Een gelijktijdige actie in Nieuw-Guinea, waar Australische en Amerikaanse troepen de vijand langzaam over het Owen-Stanleygebergte terugdrongen, en op de Solomoneilanden bracht de Japanse opmars tot staan. Weldra kon tot offensieve handelingen worden overgegaan, zodat Australië reeds aan het einde van het zelfde jaar (1942) ruimer kon ademhalen. Door de verkiezingsuitslag van aug. 1943 werd de positie van de regering in het parlement zeer verbeterd.
7.5 De periode 1945-1975
In de Tweede Wereldoorlog had Australië het voor een kleine natie enorme aantal van 870.000 man aan troepen weten op te brengen. Zich er van bewust, dat het zich niet straffeloos dergelijke inspanning kon veroorloven, ging de regering, waarin J.B. Chifley de in juli 1945 overleden Curtin opvolgde, over tot een andere immigratiepolitiek. Op buitenlands gebied wierp Australië zich bij monde van zijn minister van Buitenlandse Zaken, H.E. Evatt, min of meer op als kampioen van de kleine staten. Met Nederland, aan welk land het een dienst bewees door aan de Nederlands-Indische regering van 1942 tot 1945 asiel te verlenen, verkoelden de betrekkingen aanzienlijk toen Nederland moeilijkheden in Indië ging ondervinden. Bij de verkiezingen van sept. 1946 bleef de regering, zij het met verminderde meerderheid, vast in het zadel.
Bij de verkiezingen in dec. 1949 behaalde de oppositie van liberalen onder Robert Menzies en de Country Party onder Fadden de overwinning. Een kabinet werd nu gevormd onder Menzies, die de komende zestien jaar Australië met vaste hand zou leiden in een veranderende wereld. Verkiezingen in april 1951 brachten weliswaar winst voor de Laboroppositie, maar de regering behield haar meerderheid. Ook bij de verkiezingen van mei 1954 wist de coalitieregering zich, zij het met opnieuw geslonken meerderheid, te handhaven. In dec. 1958 werd de regeringsmeerderheid zelfs weer versterkt.
Ook na de verkiezingen van dec. 1961, okt. 1963 en jan. 1966 bleef de rechtse coalitie, zij het met wisselende meerderheden, aan het bewind. Premier Menzies trad in jan. 1966 als premier en partijleider af. Hij werd opgevolgd door Harold Holt, die al spoedig stierf (dec. 1967). Liberale premiers na hem waren John Gorton (jan. 1968 - maart 1971) en William McMahon (maart 1971 - dec. 1972).
De rechtse coalitie streefde ernaar door de krachtige bevordering van de immigratie het bevolkingsvacuüm dat Australië in het Verre Oosten vormde, zo snel mogelijk op te vullen (zie § 2.1).
In de buitenlandse politiek bleef Australië trouw aan het Gemenebest. Door het verlies van Brits-Indië en Birma als betrouwbare steunpunten van het Britse imperiale defensiesysteem in het Verre Oosten kwam het zwaartepunt hiervan in Australië te liggen. Van betekenis was ook het gebruik van de Australische woestijn (Woomera) als proefterrein voor Britse kernwapens. De trouw aan het Gemenebest deed Australië echter niet blind zijn voor de verzwakking van Engeland. Voor zijn veiligheid zocht het dan ook steeds meer aansluiting bij de Verenigde Staten. Het trad toe tot het ANZUS-pact en tot de Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie (SEATO). Met Nederland kwam het in de tweede helft van de jaren vijftig tot samenwerking bij de ontwikkeling van Nieuw-Guinea, waarvan het westen door Nederland, het oosten door Australië werd bestuurd. Toen in 1962 over westelijk Nieuw-Guinea een oorlog tussen Nederland en Indonesië dreigde, onthield Australië Nederland zijn steun. Een krachtiger houding nam de regering-Menzies aan toen in 1963 tussen Indonesië en Engeland ernstige spanning ontstond over de Federatie Maleisië. Australië verleende ook militaire steun aan de Verenigde Staten in de oorlog in Vietnam (zie ook Indo-Chinese Oorlogen).
De in nov. 1972 gehouden verkiezingen voor het Huis van Afgevaardigden brachten een verrassende overwinning voor de Laborparty van E. Gough Whitlam. In de buitenlandse politiek betekende diens bewind een meer neutrale, op de Derde Wereld en Azië gerichte koers. Met Nieuw-Zeeland voerde Australië actie tegen Franse kernproeven in de Grote Oceaan (1973). Australisch Nieuw-Guinea (bestaande uit de kolonie Territory of Papua in het zuiden en het door Australië in opdracht van de Verenigde Naties bestuurde Trust Territory of New Guinea, de voormalige Duitse kolonie) kreeg in sept. 1975 onafhankelijkheid onder de naam Papua Nieuw Guinea.
7.6 De periode na 1975
In nov. 1975 leidden economische en politieke problemen tot een crisis, die eindigde met ingrijpen van de gouverneur-generaal. Hij ontsloeg Whitlam. Bij de daaropvolgende verkiezingen in december behaalden de liberalen de overwinning. Van de coalitie werd de liberale partijleider Malcolm Fraser premier. Tegen zijn economische politiek richtte zich een aantal stakingsacties: op 12 juli 1976 vond de eerste algemene werkstaking uit de geschiedenis van Australië plaats. De buitenlandse politiek van Fraser hield een koersverlegging naar het Westen in. Frasers coalitie hield stand tot 1983. De verkiezingen in dat jaar brachten Robert Hawke, de leider van de Labor-Party, aan de regering. Door middel van een inkomens- en prijspolitiek, tot stand gekomen in overleg met werkgevers en werknemers, streefde de regering naar economisch herstel. Als gevolg van aanhoudende economische problemen en in opspraak gekomen Labor-politici daalde de populariteit van de regering in 1986. De verenigde oppositie (liberale partij en nationale partij) viel echter in datzelfde jaar uiteen, wat voor Hawke aanleiding was tot het uitschrijven van vervroegde verkiezingen in 1987. Deze werden overtuigend gewonnen door Labor. De nieuw gevormde regering presenteerde een begroting die voor het eerst sinds 17 jaar bijna sluitend was. Het beleid tot gezondmaking van de overheidsfinanciën kreeg opnieuw de steun van de sociale partners. Tegenvallende productie en lagere prijzen troffen de agrarische sector in 1991 hard. Mede door de slechte economische toestand werd premier Hawke ten val gebracht en opgevolgd door zijn vice-premier, Paul Keating. Keating zette febr. 1992 de relaties met Groot-Brittannië onder druk door te stellen dat het voormalige moederland Australië tijdens de Tweede Wereldoorlog in de steek had gelaten. In Londen werd woedend op zijn uitlatingen gereageerd. Keating had eerder al voor opwinding gezorgd door zich volgens de Britten tijdens het bezoek van koningin Elizabeth onrespectvol te gedragen.
In juni 1992 werd voor het eerst officeel erkend dat de Aboriginals Australië reeds bewoonden voordat het door de Europeanen werd gekoloniseerd. In juni 1993 maakte de regering details bekend van plannen met betrekking tot de rechten van Aboriginals op bepaalde stukken grond.
Het parlement van de Northern Territory schreef in 1995 geschiedenis door een wet aan te nemen die vrijwillige euthanasie met behulp van een arts mogelijk maakte.
De parlementsverkiezingen van maart 1996 eindigden in een zware nederlaag voor de Labor Party van premier Paul Keating. Grootste partij werd de Liberal Party van John Howard, die, na dertien jaar Laborbewind, een coalitiekabinet vormde met de National Party. Keatings beleid had zich gericht op liberalisering van de economie en op een grotere toenadering tot Azië, een politiek die zijn opvolger voortzette, maar waarbij hij ook de banden met de Verenigde Staten versterkte.

Telefoongids Australië
Postcodes Australië

     

Poolgebieden

 

 

 
 

uw eigen startpagina
© copyright Wisetogo 2006
Privacy Statement