|
Bangladesh
ligt in Zuid-Azië tussen Myanmar (Birma) en India. De kust ligt aan de
golf van Bengalen. De oppervlakte van Bangladesh is 144.000 vierkante
kilometer.
Bangladesh is overwegend een vlak land en bestaat voor 80 % uit grote
vlaktes langs de rivierdelta's van de rivieren de Ganges en de
Brahmaputra. De rest van Bangladesh bestaat uit bosgebied lage heuvels.
De hoogste top van Bangladesh is de Mowdok Mual (1003 m.). De
laaggelegen gebieden hebben jaarlijks te lijden van overstromingen in
het natte seizoen (mei tot oktober).
Klimaat
Bangladesh heeft een tropisch klimaat met minima van 21 graden Celsius
en maxima van 35 graden Celsius. Er zijn koele droge winters van oktober
tot maart en hete, vochtige zomers van maart tot juni. Het moesson
seizoen loopt van juni tot oktober en zorgt voor frequente
overstromingen en cyclonen.
Planten
Bangladesh is een agrarisch gebied en bestaat voornamelijk uit
landbouwgrond.In het zuidoosten zijn Mangrovebossen. Hier groeien
diverse palmsoorten, tropische bloemen en bamboe.
Dieren
Er zijn veel waterdieren in Bangladesh, ondermeer schilpadden, otters,
krokodillen en verschillende slangensoorten.Een daarvan is de python,
die op volwassen leeftijd wel 6 meter kan worden. In de zuidelijk
gelegen mangrove bossen leven ook cobra's.
Aan zoogdieren komen in Bangladesh apen, tijgers, luipaarden, olifanten
en nog enkele zwarte beren voor.
Verder leven er in Bangladesh veel vogels. Er zijn ruim 600
verschillende soorten. Opvallende verschijningen zijn de adelaar en de
kleurrijke ijsvogel.
Landschap
De laagvlakten van de Ganges en de Brahmaputra, welke rivieren zich in
Bangladesh verenigen tot de Padma (= Lotus), alsmede het grote
deltagebied van deze stromen bepalen het aangezicht van het land. De
rivieren zijn zeer breed; de beddingen verleggen zich regelmatig en
overstromingen doen zic h
veelvuldig voor. De vestiging van nederzettingen langs de oevers wordt
hierdoor ernstig bemoeilijkt, evenals het onderhouden van goede
verbindingen tussen grote delen van het land. Het klimaat van Bangladesh
heeft een uitgesproken moessonkarakter: een hoge vochtigheidsgraad met
zomertemperaturen rond 28 °C, wintertemperaturen rond 19 °C en een
gemiddelde jaarlijkse neerslag van meer dan 2000 mm. In voor- en najaar
doen zich dikwijls verwoestende orkanen voor, met windsnelheden van
boven de 150 km per uur.
Slechts ongeveer een zesde deel van het land is nog met tropisch
regenwoud bedekt, vnl. het in het zuidoosten gelegen heuvellandschap en
het gebied van de oude (niet meer actieve) delta, de sundarbans: bossen
die zijn genoemd naar de hier veel voorkomende sundari-boom. De meest
algemene plant in Bangladesh is een grote bamboesoort, die een
belangrijke grondstof vormt voor de papierindustrie van het land. Mango,
betel en kokospalm zijn eveneens algemeen.
De dierenwereld behoort tot die van de oriëntaalse regio en omvat o.a.
de tijger en honingbeer, verscheidene herten en apen (resusaap, e.a.).
Armoede, overbevolking en stroperij maken het de moeizaam op gang
komende natuurbescherming moeilijk. Het Sundarbans Wildreservaat in de
delta van de Ganges is befaamd vanwege de tijgers; ook in de
Chittagongheuvels bestaan wildreservaten.
Bevolking
Samenstelling
De
bevolking bestaat voor 98% uit Bengali (zowel een etnische als een
linguïstische aanduiding). De Bihari, wier aantal op 1,5 miljoen wordt
geschat, vormen de belangrijkste minderheidsgroep. In het heuvelgebied
ten oosten van Chittagong woont een groot aantal volken van
verschillende herkomst; enkele kleinere groepen leven in het noorden en
noordoosten.
Het gemiddelde jaarlijkse geboortecijfer in Bangladesh bedraagt 32 (per
duizend inw.), het sterftecijfer 11 (per duizend inw.). De
bevolkingsaanwas bedraagt ca. 2% per jaar, hetgeen ongeveer een
verdubbeling van het aantal inwoners in 27 jaar inhoudt. In 1996 werd de
omvang van de bevolking geschat op 123 miljoen. Onder andere door het
propageren van geboortebeperking heeft de regering het groeipercentage
in 20 jaar weten terug te brengen van 3 naar 2%. Bangladesh is het de
dichtstbevolkte land ter wereld; bovendien is de bevolking niet over het
land verspreid, maar vnl. geconcentreerd in lintvormige nederzettingen
langs de rivieroevers, vooral in het zuiden. Er zijn slechts drie grote
steden: Dhaka (samen met het even ten zuiden ervan gelegen Narayanganj
Greater Dhaka genoemd; totaal aantal inw.: ruim 10 miljoen), Chittagong
(ca. 5 miljoen inw.) en Khulna (ca. 4 miljoen inw.). Er zijn ca. 80
kleinere steden; volgens schattingen uit 1995 woonde bijna 18% van de
totale bevolking in de steden. De urbanisatiegraad neemt als gevolg van
de industrialisatie echter toe.
Taal
Officiële taal is het Bengali; Engels wordt daarnaast veel als
handelstaal gebezigd. Een kleine minderheid (0, 6%) spreekt Urdu.
Religie
Ruim 85% van de bevolking behoort tot de islam. De meesten van hen zijn
soennieten; daarnaast komen enkele sji'itische groeperingen voor, met
name onder de afstammelingen van immigranten uit Iran. Het hindoeïsme
wordt door ca. 12% van de bevolking (voor het merendeel uit de onderste
kasten) aangehangen; er zijn kleine aantallen boeddhisten, christenen en
animisten. In 1988 werd de islam tot staatsgodsdienst verklaard. De
grondwet garandeert godsdienstvrijheid.
Bestuur en
samenleving
Staatsinrichting
De in 1971 opgerichte staat Bangladesh kreeg in 1972 een grondwet die
voorzag in een parlementair-democratisch staatsbestel. Het staatshoofd,
de president, wordt volgens deze grondwet om de vijf jaar door het
parlement gekozen en heeft sinds een grondwetswijziging in 1991 alleen
nog representatieve functies. De minister-president, die door de
grootste partij in het parlement wordt geleverd, en zijn ministers zijn
verantwoording voor hun beleid verschuldigd aan het parlement, dat uit
één kamer bestaat (330 zetels, waarvan 30 gereserveerd voor vrouwen).
Alle burgers van 18 jaar en ouder zijn kiesgerechtigd.
Politieke partijen
De belangrijkste politieke partijen zijn: Jatiya-Dal (Nationale Partij),
opgericht in 1983 en in 1986 na fusie met een aantal kleinere partijen
gereorganiseerd. De partij van voormalig president Ershad was van 1983
tot 1991 regeringspartij. De Awami-liga (AL), opgericht in 1949, was tot
1975 en vanaf 1996 de regeringspartij en daartussen de belangrijkste
oppositiepartij. De Bangladesh National Party (BNP) was jarenlang de
partij van de in 1981 vermoorde president Zia. Zij was tussen 1991 en
1996 regeringspartij.
Het vakbondswezen is weinig ontwikkeld; slechts 3% van de werknemers is
georganiseerd.
Administratieve indeling
Het land is verdeeld in een viertal regio's, die ieder weer in
districten zijn opgedeeld, in totaal 21.
Lidmaatschap van internationale organisaties
Bangladesh is lid van de Verenigde Naties en al haar gespecialiseerde
organisaties, de Commonwealth, de Asian Development Bank, het SAARC en
het Colombo-plan.
Economie
Bangladesh heeft een open-markteconomie. De regering tracht door
meerjarenplannen de economische ontwikkeling te stimuleren. Bangladesh
geldt als een van de armste landen ter wereld. In het begin van de jaren
zeventig bereikte de economische situatie een dieptepunt als gevolg van
de oorlogsverwoestingen, droogte en overstromingen. Het land is
dichtbevolkt, het inkomen per hoofd van de bevolking uiterst laag ($ 230
in 1994; 93 miljoen mensen leven in armoede) en door de snelle groei van
de bevolking neemt de jaarlijks beschikbare hoeveelheid voedsel per
persoon nog steeds af. Bezit van duurzame consumptiegoederen komt
slechts in beperkte mate voor. Jute, verantwoordelijk voor 22% van de
exportwaarde, verliest terrein op de wereldmarkt. De ongunstige
natuurlijke omstandigheden belemmeren o.m. de opbouw van een adequaat
waterbeheersingssysteem, van goede verbindingen en daardoor van de
industrie. De slechte economische toestand is deels een gevolg van de
achtergestelde positie van het gebied toen het nog tot Pakistan
behoorde, deels een gevolg van het door de eertijds nieuwe machthebbers
gevoerde beleid (o.a. nationalisatie van de jute-industrie). Een nieuwe
bedreiging vormt de boycot op door kinderen vervaardigde producten. In
de tweede helft van de jaren zeventig veranderde de economische politiek
drastisch: particuliere investeringen werden aangemoedigd, compensatie
werd betaald voor genationaliseerde bedrijven en vele staatsbedrijven
werden geprivatiseerd. In 1986 was nog slechts 45% van de industriële
ondernemingen in staatshanden (tegen 85% in 1972). In de jaren tachtig
werden drie 'exportvrije zones' gecreëerd om handel en buitenlandse
investeringen te stimuleren.
Landbouw
Ca.
67% van de bevolking is werkzaam in de landbouw; ca. 30% van het
nationaal inkomen is uit de landbouw afkomstig. Rijst is het
belangrijkste voedselgewas, gevolgd door tarwe. Door o.a.
irrigatieprojecten en de stimulering van het gebruik van kunstmest
tracht men de voedselopbrengsten te vergroten. De klimatologische
omstandigheden (lange perioden van droogte afgewisseld met zware
regenval die grote overstromingen veroorzaakt) maken dit echter
vooralsnog onmogelijk. In 1987 moest de regering 3,5 miljoen ton voedsel
(vnl. tarwe) invoeren. Jute is het voornaamste exportgewas; de
jaarproductie fluctueert sterk; tussen 4 miljoen (1981) en 7,5 miljoen
(1985) balen (1 baal = ca. 200 kg). De helft ervan wordt onverwerkt
uitgevoerd, de rest wordt thans in Bangladesh zelf verwerkt voor de
export (jutezakken e.d.). De prijs van jute op de wereldmarkt staat al
jaren onder druk vanwege hevige concurrentie door landen als India en
door het bestaan van synthetische substituten. In 1985-1986 daalde de
wereldmarktprijs met 45%. Verder zijn o.m. suikerriet, tabak en thee als
handelsgewas van betekenis.
Mijnbouw
De winning van delfstoffen speelt in de economie van Bangladesh
vooralsnog een geringe rol. In de Golf van Bengalen is aardolie ontdekt.
Omvangrijke aardgasvoorraden bij Titas worden al geëxploiteerd; er is
een pijpleiding naar Dhaka. De voorraad is genoeg voor enkele decennia.
Bij Jamalpur zijn omvangrijke steenkoolvoorraden aangetoond, die echter
van slechte kwaliteit zijn. Langs de kust vindt enige zoutwinning
plaats. Verder treft men er kalksteen en porselein-aarde aan.
Industrie
Ruim een kwart van de waarde van de industriële productie wordt geleverd
door de textielindustrie. De juteverwerking was het belangrijkst; verder
zijn er enkele katoenfabrieken en een zijdefabriek. Van belang is op de
tweede plaats de chemische, farmacologische en olie-industrie. Het land
telt een aantal suikerraffinaderijen; voorts worden o.m. sigaretten,
papier en cement geproduceerd. Te Chittagong is een staalfabriek. Van
economisch belang is verder de in 1987 voltooide kunstmestfabriek, die
jaarlijks 500!000 ton produceert. Over het algemeen laat de efficiency
bij productie en management zeer veel te wensen over. De
privé-ondernemingen nemen in belang toe.
Handel
De uitvoer van jute vertegenwoordigt 22% van de totale exportwaarde.
Voorts worden o.m. leer, vis- en visproducten en thee geëxporteerd;
hoewel de thee niet van hoge kwaliteit is, wordt zij veel gebruikt voor
vermenging met andere soorten ( 'blending'). Alleen al aan
voedingsmiddelen echter moet Bangladesh in jaren van tegenvallende
oogsten voor een grotere waarde importeren dan zijn gehele export
oplevert. Andere invoerartikelen zijn aardolie, katoen, kunstmest,
tarwe, garen, bouwmaterialen en kapitaalgoederen. De importwaarde is
gemiddeld tweemaal zo hoog als die van de export, waardoor een groot en
chronisch tekort op de betalingsbalans bestaat.
Ontwikkelingssamenwerking
Het merendeel van de aan Bangladesh verstrekte buitenlandse financiële
hulp wordt verstrekt door de Wereldbank, de VS en Japan. Daarnaast wordt
door staten zelfstandig nog hulp verstrekt, o.m. door Nederland:
Bangladesh is een van de concentratielanden van de Nederlandse
bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Sinds 1970 gaat van de totale
rechtstreeks door Nederland verstrekte ontwikkelingshulp ca. 6% naar
Bangladesh; een deel hiervan wordt gegeven in de vorm van zgn.
technische hulp, die bestaat uit het beschikbaar stellen van Nederlandse
deskundigheid, veelal bij projecten die betrekking hebben op de
verbetering van de infrastructuur, vooral waterstaat.
Verkeer
Sedert in 1971 honderden bruggen en spoorbruggen werden verwoest, is de
binnenscheepvaart de belangrijkste vorm van transport in Bangladesh. Het
land beschikt over ca. 4000 km waterwegen, die het gehele jaar
bevaarbaar zijn, terwijl 2000 km waterweg alleen in de regentijd
bevaarbaar is. Dhaka, Narayanganj, Chandpur en Khulna zijn belangrijke
binnenhavens; Chittagong en Chalna zijn zeehavens. Dhaka en Chittagong
beschikken over een internationale luchthaven. Er bestaan
helikopterverbindingen tussen de voornaamste steden.
Geschiedenis
Bij de ontbinding van het Britse koloniale rijk in 1947 werd Bengalen
verdeeld tussen de twee nieuw ontstane staten India, een hindoestaat, en
Pakistan, een islamitische staat. Oost-Bengalen, het huidige Bangladesh,
werd hierbij aan Pakistan toegewezen, vanwege de overheersende positie
van de islam in het gebied.
In de Britse tijd was Oost-Bengalen een achtergebleven gebied geworden:
de islamitische heersers uit de prekoloniale tijd werden in de 19de eeuw
door Europeanen vervangen, de boerenbevolking verloor haar land door de
hoge grondbelastingen en de zijdeweverijen gingen ten onder als gevolg
van de concurrentie van de Britse textielindustrie. Ondanks enige
islamitische 'revival'-bewegingen in de 19de eeuw bleven de islamieten
in Bengalen bij de hindoes ten achter op het gebied van onderwijs,
bestuursfuncties, enz. Mede door de houding van de Britse overheid
raakten de belangen van de islamitische elite in Bengalen steeds meer
tegengesteld aan die van de hindoes: de bestuurlijke verdeling van
Bengalen tussen 1905 en 1911 en het creëren van afzonderlijke
islamitische zetels in de volksvertegenwoordiging (1909, 1919, 1935)
ondervonden verzet van de hindoes, maar werd door de islamieten
toegejuicht en stimuleerde de vorming van islamitische partijen zoals de
Moslimliga. Ondanks het sterke Bengaals nationalistische sentiment dat
hindoes en islamieten verbond, groeide de betekenis van de Moslimliga,
die een afzonderlijke Pakistaanse staat nastreefde, ook in Bengalen; in
1943 werd hier een provinciale Moslimliga-regering gevormd. Bij de
onafhankelijkheid en de verdeling van het subcontinent in 1947 toonden
de Bengaalse islamieten zich echter zeer teleurgesteld over het feit dat
Bengalen werd opgedeeld tussen India en Pakistan. De verdeling ging met
bloedige tonelen gepaard; talloze hindoes verlieten het land om zich in
India te vestigen. Oost-Pakistan, het voormalige Oost-Bengalen, raakte
economisch in moeilijkheden doordat het nu van de markt en de
juteverwerkende industrie van Calcutta was afgesneden. Een
religieuze
(islamitische) band met West-Pakistan bleef weliswaar bestaan, doch de
verschillen in taal, ras en levensstijl manifesteerden zich steeds
duidelijker. Leger en bestuur van Pakistan werden overheerst door
Westpakistani (vooral Punjabi), die ook het Oostpakistaanse zakenleven
gingen beheersen. Bovendien werd het Westpakistaanse Urdu als enige
officiële taal ingevoerd. Vooral tegen dit laatste ontstond heftige
tegenstand (zie foto rechts) (1952), en in 1954 verloor de
Moslimliga in Oost-Pakistan de verkiezingen, ten gunste vooral van de in
1950 opgerichte Awamiliga. Dit leidde tot enige concessies van de
centrale regering, zoals de mede-erkenning van het Bengali en de
nominale gelijkberechtiging van Oost-Pakistan in het parlement (1955).
Het gevoel dat Oost-Pakistan een kolonie van West-Pakistan geworden was,
bleef evenwel bestaan, en werd sterker met de opkomst van een jongere,
Bengaals sprekende, geschoolde middenklasse. Het uitblijven van
verkiezingen, de komst van een militaire regering onder Ayub Khan
(1958), de beperking van het kiesrecht, de herverkiezing van Ayub Khan
in 1965 en de militaire en economische verwaarlozing van Oost-Pakistan
vormden evenzovele oorzaken van ontevredenheid. De Awamiliga van Mujib
ur-Rahman vertaalde deze ontevredenheid in de politieke eis van
verregaande autonomie voor Oost-Pakistan; Mujib werd in 1966
gevangengezet, maar in 1969, na de val van Ayub Khan, door de nieuwe
president Yahya Khan weer vrijgelaten.
Vanaf 1970
Bij de parlementsverkiezingen van dec. 1970, een maand na een
verwoestende overstromingsramp, laaiden de anti-Westpakistaanse
gevoelens hoog op: de Awamiliga behaalde 288 van de 300 zetels in het
provinciale parlement en 160 van de 303 zetels in het nationale
parlement. Tegelijkertijd braken in Oost-Pakistan gewapende opstanden
uit: het East Bengal Regiment, de East Bengal Rifles (samen ca. 25!000
man) en de Mujib Bahini (ca. 20!000 vrijwilligers, vnl. jonge aanhangers
van Mujib) sloten zich aaneen tot een guerrillaleger, de Mukti
Bahini.
Onderhandelingen tussen Mujib ur-Rahman en Yahya Khan over de vorming
van een regering leden schipbreuk. Op 10 maart 1971 greep de Awamiliga
de macht in Oost-Pakistan, en op 26 maart verklaarde zij het gebied
onafhankelijk onder de naam Bangladesh. Het Pakistaanse leger, geholpen
door de zgn. Razakars (gewapende pro-Pakistan groepen), onderdrukte de
opstand bloedig. Mujib ur-Rahman werd gevangengezet. Vele Bengali
vluchtten naar India, dat zijn grenzen openstelde en internationale
aandacht vroeg voor het daaruit voortvloeiende vluchtelingenprobleem;
dit probleem nam niettemin zulke vormen aan, dat India zich in dec. 1971
genoodzaakt zag militair in Bangladesh te interveniëren ten gunste van
de vrijheidsstrijders (zie foto links). Na een veldtocht van
twaalf dagen capituleerde het Pakistaanse leger.
Het nieuwe Bangladesh verwierf snel brede internationale erkenning, maar
kampte met grote binnenlandse moeilijkheden. Door de moordpartijen op de
Bengali door het Westpakistaanse leger en het vertrek van de
Westpakistaanse ingezetenen van Bangladesh waren bestuur en
bedrijfsleven ontwricht, vele gewapende groepen weigerden om de wapens
neer te leggen, de Bihari werden gewelddadig vervolgd en de Indiase
aanwezigheid werd steeds sterker als neokolonialisme gevoeld. In jan.
1972 werd Mujib ur-Rahman door Pakistan vrijgelaten; in deze maand
verruilde hij het presidentsambt - verkregen tijdens zijn gevangenschap
- voor dat van premier. In 1974 werd Bangladesh door Pakistan erkend. De
politieke terreur duurde evenwel voort, zowel van de kant van extreem
orthodoxe islamitische groepen en linkse mauïsten als van 'mujibisten'.
De wijdverbreide, nauwelijks bestreden corruptie en ernstige
overstromingen en hongersnood (aug. 1974) verergerden de situatie, en in
dec. 1974 werd de noodtoestand afgekondigd, waarbij Mujib weer president
werd en alle macht aan zichzelf trok. Ook binnen het leger bestond
ontevredenheid: in augustus pleegde een groep majoors een staatsgreep,
waarbij Mujib en zijn familie werden vermoord. Khondakar Mushtaq Ahmed,
een pro-Westerse Awamiligaleider, werd president. De machtsstrijd binnen
het leger leidde tot tegencoups op 3 nov. 1975, waarbij vele politici
omkwamen, en op 7 nov., waarbij Khondakar Mushtaq Ahmed als president
werd vervangen door de voormalige president van het Hooggerechtshof,
Abusadat Mohammed Sayem. De bevelhebbers van landmacht, luchtmacht en
marine kwamen als de werkelijke machthebbers naar voren. De
parlementsverkiezingen werden uitgesteld en er werd een militair bestuur
afgekondigd; in dec. 1977 werd legergeneraal Zia ur-Rahman president.
Een maand later sprak het volk van Bangladesh zich per referendum uit
vóór diens aanblijven, en ook uit de in juni 1978 gehouden
presidentsverkiezingen kwam Zia als winnaar naar voren.
Vanaf 1980
In
1981 werd generaal Zia (zie foto rechts) vermoord tijdens een
mislukte militaire coup. De vice-president, Abdus Sattar, trad op als
nieuw staatshoofd namens de regerende BNP. De regering-Sattar werd in
1982 in een niet-gewelddadige coup aan de kant geschoven, na een jaar
van toenemende instabiliteit. De militairen onder leiding van Mohammad
Ershad namen de macht over, riepen de noodtoestand uit en plaatsten de
grondwet buiten werking. In dec. 1983 benoemde Ershad zichzelf tot
president. Onder de regering-Ershad vond een belangrijke koerswijziging
plaats in de economische politiek: deze werd gericht op het stimuleren
van buitenlandse investeringen en private ondernemingen.
In 1983 werd de roep tot terugkeer naar democratie sterker. De oppositie
organiseerde zich. Ook het regime trachtte door de vorming van de
Janadal-partij (later Jatiya-Dal) in 1983 steun onder de bevolking te
verkrijgen. De parlementsverkiezingen in mei 1986 werden gewonnen door
de Jatiya-Dal van Ershad, die in okt. 1986 zelf werd gekozen als
president (kort daarvoor had hij zijn militaire functies opgegeven). Aan
de vooravond van de parlementsverkiezingen werd de noodtoestand
opgeheven en de - gewijzigde - grondwet weer van kracht. In 1987 werd
deze liberalisering weer teruggedraaid, nadat de hevigste overstromingen
sinds 40 jaar Bangladesh hadden getroffen. Ook toenemende politieke
onrust vormde de aanleiding tot het opnieuw uitroepen van de
noodtoestand. De parlementsverkiezingen van 1988 werden mede als gevolg
van een boycot van de oppositie ruimschoots gewonnen door de Jatiya-Dal.
Vanaf 1990
In dec. 1990 moest Ershad aftreden na een periode van hartals (door
staking lamleggen van het openbare leven) en blokkades. Hij werd
gearresteerd en veroordeeld wegens corruptie. De economische toestand
verslechterde, toen als gevolg van de Golfcrisis ca. 85!000 Bengaalse
arbeidsmigranten terugkeerden uit Koeweit en Irak.
Ondanks het aantreden in maart 1991 van een nieuwe regering onder
leiding van Kholeda Zia van de Bangladesh Nationalistische Partij
(BNP)
en het herstel van de parlementaire vrijheden (verkiezingen 15 sept.
1991) veranderde de onderdrukking van de moslimminderheid in de
deelstaat Arakan niet. Van eind 1991 tot eind 1992 vluchtten ca. 300.000
Rohingya's naar Birma.
De eerste helft van de jaren negentig werd ook verder gekenmerkt door
politieke onlusten en gewelddadige stakingen, die voortkwamen uit
onvrede met het beleid van premier Khaleda Zia. De
parlementsverkiezingen van febr. 1996 leverden echter toch een grote
overwinning op voor de regerende BNP. Op grond van grove
onregelmatigheden eiste de oppositie, daarin gesteund door
internationale waarnemers, nieuwe verkiezingen. Onder toenemende
maatschappelijke druk diende premier Zia eind maart haar ontslag in. Een
interimregering schreef voor midden 1996 nieuwe verkiezingen uit, die
met een absolute meerderheid werden gewonnen door de Awami Liga van
Hasina Wajed (zie foto links), die ook de nieuwe premier werd. In
okt. 1996 werd president Biswas opgevolgd door Shahabbudin Ahmed van de
Awami Liga. De economische opleving in de jaren 1993-1996 werd echter
getemperd door de vele stakingen. Inefficiënte staatsbedrijven bleven de
economie domineren, ondanks aanzetten tot liberalisering.
Telefoongids Bangladesh
Postcodes Bangladesh
|