header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

Bangladesh

 

Terug naar overzicht AziŽ >>

 

 

Bangladesh (Bengali, = Land van Bengalen), officieel: People's Republic of Bangladesh (Ghana Prajatantri Bangladesh), republiek in Zuid-AziŽ, aan de Golf van Bengalen, 147.570 km2, met 122,7 miljoen inw. (831 inw. per km2); hoofdstad: Dhaka. Munteenheid is de taka, verdeeld in 100 paisa.
De nationale feestdag is 26 maart, sinds het jaar 1971.
 

Bangladesh ligt in Zuid-AziŽ tussen Myanmar (Birma) en India. De kust ligt aan de golf van Bengalen. De oppervlakte van Bangladesh is 144.000 vierkante kilometer.
Bangladesh is overwegend een vlak land en bestaat voor 80 % uit grote vlaktes langs de rivierdelta's van de rivieren de Ganges en de Brahmaputra. De rest van Bangladesh bestaat uit bosgebied lage heuvels. De hoogste top van Bangladesh is de Mowdok Mual (1003 m.). De laaggelegen gebieden hebben jaarlijks te lijden van overstromingen in het natte seizoen (mei tot oktober).

Klimaat
Bangladesh heeft een tropisch klimaat met minima van 21 graden Celsius en maxima van 35 graden Celsius. Er zijn koele droge winters van oktober tot maart en hete, vochtige zomers van maart tot juni. Het moesson seizoen loopt van juni tot oktober en zorgt voor frequente overstromingen en cyclonen.

Planten
Bangladesh is een agrarisch gebied en bestaat voornamelijk uit landbouwgrond.In het zuidoosten zijn Mangrovebossen. Hier groeien diverse palmsoorten, tropische bloemen en bamboe.

Dieren
Er zijn veel waterdieren in Bangladesh, ondermeer schilpadden, otters, krokodillen en verschillende slangensoorten.Een daarvan is de python, die op volwassen leeftijd wel 6 meter kan worden. In de zuidelijk gelegen mangrove bossen leven ook cobra's.
Aan zoogdieren komen in Bangladesh apen, tijgers, luipaarden, olifanten en nog enkele zwarte beren voor.
Verder leven er in Bangladesh veel vogels. Er zijn ruim 600 verschillende soorten. Opvallende verschijningen zijn de adelaar en de kleurrijke ijsvogel.

Landschap
De laagvlakten van de Ganges en de Brahmaputra, welke rivieren zich in Bangladesh verenigen tot de Padma (= Lotus), alsmede het grote deltagebied van deze stromen bepalen het aangezicht van het land. De rivieren zijn zeer breed; de beddingen verleggen zich regelmatig en overstromingen doen zich veelvuldig voor. De vestiging van nederzettingen langs de oevers wordt hierdoor ernstig bemoeilijkt, evenals het onderhouden van goede verbindingen tussen grote delen van het land. Het klimaat van Bangladesh heeft een uitgesproken moessonkarakter: een hoge vochtigheidsgraad met zomertemperaturen rond 28 įC, wintertemperaturen rond 19 įC en een gemiddelde jaarlijkse neerslag van meer dan 2000 mm. In voor- en najaar doen zich dikwijls verwoestende orkanen voor, met windsnelheden van boven de 150 km per uur.
Slechts ongeveer een zesde deel van het land is nog met tropisch regenwoud bedekt, vnl. het in het zuidoosten gelegen heuvellandschap en het gebied van de oude (niet meer actieve) delta, de sundarbans: bossen die zijn genoemd naar de hier veel voorkomende sundari-boom. De meest algemene plant in Bangladesh is een grote bamboesoort, die een belangrijke grondstof vormt voor de papierindustrie van het land. Mango, betel en kokospalm zijn eveneens algemeen.
De dierenwereld behoort tot die van de oriŽntaalse regio en omvat o.a. de tijger en honingbeer, verscheidene herten en apen (resusaap, e.a.). Armoede, overbevolking en stroperij maken het de moeizaam op gang komende natuurbescherming moeilijk. Het Sundarbans Wildreservaat in de delta van de Ganges is befaamd vanwege de tijgers; ook in de Chittagongheuvels bestaan wildreservaten.

Bevolking
Samenstelling
De bevolking bestaat voor 98% uit Bengali (zowel een etnische als een linguÔstische aanduiding). De Bihari, wier aantal op 1,5 miljoen wordt geschat, vormen de belangrijkste minderheidsgroep. In het heuvelgebied ten oosten van Chittagong woont een groot aantal volken van verschillende herkomst; enkele kleinere groepen leven in het noorden en noordoosten.
Het gemiddelde jaarlijkse geboortecijfer in Bangladesh bedraagt 32 (per duizend inw.), het sterftecijfer 11 (per duizend inw.). De bevolkingsaanwas bedraagt ca. 2% per jaar, hetgeen ongeveer een verdubbeling van het aantal inwoners in 27 jaar inhoudt. In 1996 werd de omvang van de bevolking geschat op 123 miljoen. Onder andere door het propageren van geboortebeperking heeft de regering het groeipercentage in 20 jaar weten terug te brengen van 3 naar 2%. Bangladesh is het de dichtstbevolkte land ter wereld; bovendien is de bevolking niet over het land verspreid, maar vnl. geconcentreerd in lintvormige nederzettingen langs de rivieroevers, vooral in het zuiden. Er zijn slechts drie grote steden: Dhaka (samen met het even ten zuiden ervan gelegen Narayanganj Greater Dhaka genoemd; totaal aantal inw.: ruim 10 miljoen), Chittagong (ca. 5 miljoen inw.) en Khulna (ca. 4 miljoen inw.). Er zijn ca. 80 kleinere steden; volgens schattingen uit 1995 woonde bijna 18% van de totale bevolking in de steden. De urbanisatiegraad neemt als gevolg van de industrialisatie echter toe.
Taal
OfficiŽle taal is het Bengali; Engels wordt daarnaast veel als handelstaal gebezigd. Een kleine minderheid (0, 6%) spreekt Urdu.
Religie
Ruim 85% van de bevolking behoort tot de islam. De meesten van hen zijn soennieten; daarnaast komen enkele sji'itische groeperingen voor, met name onder de afstammelingen van immigranten uit Iran. Het hindoeÔsme wordt door ca. 12% van de bevolking (voor het merendeel uit de onderste kasten) aangehangen; er zijn kleine aantallen boeddhisten, christenen en animisten. In 1988 werd de islam tot staatsgodsdienst verklaard. De grondwet garandeert godsdienstvrijheid.

Bestuur en samenleving
Staatsinrichting
De in 1971 opgerichte staat Bangladesh kreeg in 1972 een grondwet die voorzag in een parlementair-democratisch staatsbestel. Het staatshoofd, de president, wordt volgens deze grondwet om de vijf jaar door het parlement gekozen en heeft sinds een grondwetswijziging in 1991 alleen nog representatieve functies. De minister-president, die door de grootste partij in het parlement wordt geleverd, en zijn ministers zijn verantwoording voor hun beleid verschuldigd aan het parlement, dat uit ťťn kamer bestaat (330 zetels, waarvan 30 gereserveerd voor vrouwen). Alle burgers van 18 jaar en ouder zijn kiesgerechtigd.
Politieke partijen
De belangrijkste politieke partijen zijn: Jatiya-Dal (Nationale Partij), opgericht in 1983 en in 1986 na fusie met een aantal kleinere partijen gereorganiseerd. De partij van voormalig president Ershad was van 1983 tot 1991 regeringspartij. De Awami-liga (AL), opgericht in 1949, was tot 1975 en vanaf 1996 de regeringspartij en daartussen de belangrijkste oppositiepartij. De Bangladesh National Party (BNP) was jarenlang de partij van de in 1981 vermoorde president Zia. Zij was tussen 1991 en 1996 regeringspartij.
Het vakbondswezen is weinig ontwikkeld; slechts 3% van de werknemers is georganiseerd.
Administratieve indeling
Het land is verdeeld in een viertal regio's, die ieder weer in districten zijn opgedeeld, in totaal 21.
Lidmaatschap van internationale organisaties
Bangladesh is lid van de Verenigde Naties en al haar gespecialiseerde organisaties, de Commonwealth, de Asian Development Bank, het SAARC en het Colombo-plan.

Economie
Bangladesh heeft een open-markteconomie. De regering tracht door meerjarenplannen de economische ontwikkeling te stimuleren. Bangladesh geldt als een van de armste landen ter wereld. In het begin van de jaren zeventig bereikte de economische situatie een dieptepunt als gevolg van de oorlogsverwoestingen, droogte en overstromingen. Het land is dichtbevolkt, het inkomen per hoofd van de bevolking uiterst laag ($ 230 in 1994; 93 miljoen mensen leven in armoede) en door de snelle groei van de bevolking neemt de jaarlijks beschikbare hoeveelheid voedsel per persoon nog steeds af. Bezit van duurzame consumptiegoederen komt slechts in beperkte mate voor. Jute, verantwoordelijk voor 22% van de exportwaarde, verliest terrein op de wereldmarkt. De ongunstige natuurlijke omstandigheden belemmeren o.m. de opbouw van een adequaat waterbeheersingssysteem, van goede verbindingen en daardoor van de industrie. De slechte economische toestand is deels een gevolg van de achtergestelde positie van het gebied toen het nog tot Pakistan behoorde, deels een gevolg van het door de eertijds nieuwe machthebbers gevoerde beleid (o.a. nationalisatie van de jute-industrie). Een nieuwe bedreiging vormt de boycot op door kinderen vervaardigde producten. In de tweede helft van de jaren zeventig veranderde de economische politiek drastisch: particuliere investeringen werden aangemoedigd, compensatie werd betaald voor genationaliseerde bedrijven en vele staatsbedrijven werden geprivatiseerd. In 1986 was nog slechts 45% van de industriŽle ondernemingen in staatshanden (tegen 85% in 1972). In de jaren tachtig werden drie 'exportvrije zones' gecreŽerd om handel en buitenlandse investeringen te stimuleren.
Landbouw
Ca. 67% van de bevolking is werkzaam in de landbouw; ca. 30% van het nationaal inkomen is uit de landbouw afkomstig. Rijst is het belangrijkste voedselgewas, gevolgd door tarwe. Door o.a. irrigatieprojecten en de stimulering van het gebruik van kunstmest tracht men de voedselopbrengsten te vergroten. De klimatologische omstandigheden (lange perioden van droogte afgewisseld met zware regenval die grote overstromingen veroorzaakt) maken dit echter vooralsnog onmogelijk. In 1987 moest de regering 3,5 miljoen ton voedsel (vnl. tarwe) invoeren. Jute is het voornaamste exportgewas; de jaarproductie fluctueert sterk; tussen 4 miljoen (1981) en 7,5 miljoen (1985) balen (1 baal = ca. 200 kg). De helft ervan wordt onverwerkt uitgevoerd, de rest wordt thans in Bangladesh zelf verwerkt voor de export (jutezakken e.d.). De prijs van jute op de wereldmarkt staat al jaren onder druk vanwege hevige concurrentie door landen als India en door het bestaan van synthetische substituten. In 1985-1986 daalde de wereldmarktprijs met 45%. Verder zijn o.m. suikerriet, tabak en thee als handelsgewas van betekenis.
Mijnbouw
De winning van delfstoffen speelt in de economie van Bangladesh vooralsnog een geringe rol. In de Golf van Bengalen is aardolie ontdekt. Omvangrijke aardgasvoorraden bij Titas worden al geŽxploiteerd; er is een pijpleiding naar Dhaka. De voorraad is genoeg voor enkele decennia. Bij Jamalpur zijn omvangrijke steenkoolvoorraden aangetoond, die echter van slechte kwaliteit zijn. Langs de kust vindt enige zoutwinning plaats. Verder treft men er kalksteen en porselein-aarde aan.
Industrie
Ruim een kwart van de waarde van de industriŽle productie wordt geleverd door de textielindustrie. De juteverwerking was het belangrijkst; verder zijn er enkele katoenfabrieken en een zijdefabriek. Van belang is op de tweede plaats de chemische, farmacologische en olie-industrie. Het land telt een aantal suikerraffinaderijen; voorts worden o.m. sigaretten, papier en cement geproduceerd. Te Chittagong is een staalfabriek. Van economisch belang is verder de in 1987 voltooide kunstmestfabriek, die jaarlijks 500!000 ton produceert. Over het algemeen laat de efficiency bij productie en management zeer veel te wensen over. De privť-ondernemingen nemen in belang toe.
Handel
De uitvoer van jute vertegenwoordigt 22% van de totale exportwaarde. Voorts worden o.m. leer, vis- en visproducten en thee geŽxporteerd; hoewel de thee niet van hoge kwaliteit is, wordt zij veel gebruikt voor vermenging met andere soorten ( 'blending'). Alleen al aan voedingsmiddelen echter moet Bangladesh in jaren van tegenvallende oogsten voor een grotere waarde importeren dan zijn gehele export oplevert. Andere invoerartikelen zijn aardolie, katoen, kunstmest, tarwe, garen, bouwmaterialen en kapitaalgoederen. De importwaarde is gemiddeld tweemaal zo hoog als die van de export, waardoor een groot en chronisch tekort op de betalingsbalans bestaat.
Ontwikkelingssamenwerking
Het merendeel van de aan Bangladesh verstrekte buitenlandse financiŽle hulp wordt verstrekt door de Wereldbank, de VS en Japan. Daarnaast wordt door staten zelfstandig nog hulp verstrekt, o.m. door Nederland: Bangladesh is een van de concentratielanden van de Nederlandse bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Sinds 1970 gaat van de totale rechtstreeks door Nederland verstrekte ontwikkelingshulp ca. 6% naar Bangladesh; een deel hiervan wordt gegeven in de vorm van zgn. technische hulp, die bestaat uit het beschikbaar stellen van Nederlandse deskundigheid, veelal bij projecten die betrekking hebben op de verbetering van de infrastructuur, vooral waterstaat.
Verkeer
Sedert in 1971 honderden bruggen en spoorbruggen werden verwoest, is de binnenscheepvaart de belangrijkste vorm van transport in Bangladesh. Het land beschikt over ca. 4000 km waterwegen, die het gehele jaar bevaarbaar zijn, terwijl 2000 km waterweg alleen in de regentijd bevaarbaar is. Dhaka, Narayanganj, Chandpur en Khulna zijn belangrijke binnenhavens; Chittagong en Chalna zijn zeehavens. Dhaka en Chittagong beschikken over een internationale luchthaven. Er bestaan helikopterverbindingen tussen de voornaamste steden.

Geschiedenis
Bij de ontbinding van het Britse koloniale rijk in 1947 werd Bengalen verdeeld tussen de twee nieuw ontstane staten India, een hindoestaat, en Pakistan, een islamitische staat. Oost-Bengalen, het huidige Bangladesh, werd hierbij aan Pakistan toegewezen, vanwege de overheersende positie van de islam in het gebied.
In de Britse tijd was Oost-Bengalen een achtergebleven gebied geworden: de islamitische heersers uit de prekoloniale tijd werden in de 19de eeuw door Europeanen vervangen, de boerenbevolking verloor haar land door de hoge grondbelastingen en de zijdeweverijen gingen ten onder als gevolg van de concurrentie van de Britse textielindustrie. Ondanks enige islamitische 'revival'-bewegingen in de 19de eeuw bleven de islamieten in Bengalen bij de hindoes ten achter op het gebied van onderwijs, bestuursfuncties, enz. Mede door de houding van de Britse overheid raakten de belangen van de islamitische elite in Bengalen steeds meer tegengesteld aan die van de hindoes: de bestuurlijke verdeling van Bengalen tussen 1905 en 1911 en het creŽren van afzonderlijke islamitische zetels in de volksvertegenwoordiging (1909, 1919, 1935) ondervonden verzet van de hindoes, maar werd door de islamieten toegejuicht en stimuleerde de vorming van islamitische partijen zoals de Moslimliga. Ondanks het sterke Bengaals nationalistische sentiment dat hindoes en islamieten verbond, groeide de betekenis van de Moslimliga, die een afzonderlijke Pakistaanse staat nastreefde, ook in Bengalen; in 1943 werd hier een provinciale Moslimliga-regering gevormd. Bij de onafhankelijkheid en de verdeling van het subcontinent in 1947 toonden de Bengaalse islamieten zich echter zeer teleurgesteld over het feit dat Bengalen werd opgedeeld tussen India en Pakistan. De verdeling ging met bloedige tonelen gepaard; talloze hindoes verlieten het land om zich in India te vestigen. Oost-Pakistan, het voormalige Oost-Bengalen, raakte economisch in moeilijkheden doordat het nu van de markt en de juteverwerkende industrie van Calcutta was afgesneden. Een religieuze (islamitische) band met West-Pakistan bleef weliswaar bestaan, doch de verschillen in taal, ras en levensstijl manifesteerden zich steeds duidelijker. Leger en bestuur van Pakistan werden overheerst door Westpakistani (vooral Punjabi), die ook het Oostpakistaanse zakenleven gingen beheersen. Bovendien werd het Westpakistaanse Urdu als enige officiŽle taal ingevoerd. Vooral tegen dit laatste ontstond heftige tegenstand (zie foto rechts) (1952), en in 1954 verloor de Moslimliga in Oost-Pakistan de verkiezingen, ten gunste vooral van de in 1950 opgerichte Awamiliga. Dit leidde tot enige concessies van de centrale regering, zoals de mede-erkenning van het Bengali en de nominale gelijkberechtiging van Oost-Pakistan in het parlement (1955). Het gevoel dat Oost-Pakistan een kolonie van West-Pakistan geworden was, bleef evenwel bestaan, en werd sterker met de opkomst van een jongere, Bengaals sprekende, geschoolde middenklasse. Het uitblijven van verkiezingen, de komst van een militaire regering onder Ayub Khan (1958), de beperking van het kiesrecht, de herverkiezing van Ayub Khan in 1965 en de militaire en economische verwaarlozing van Oost-Pakistan vormden evenzovele oorzaken van ontevredenheid. De Awamiliga van Mujib ur-Rahman vertaalde deze ontevredenheid in de politieke eis van verregaande autonomie voor Oost-Pakistan; Mujib werd in 1966 gevangengezet, maar in 1969, na de val van Ayub Khan, door de nieuwe president Yahya Khan weer vrijgelaten.
Vanaf 1970
Bij de parlementsverkiezingen van dec. 1970, een maand na een verwoestende overstromingsramp, laaiden de anti-Westpakistaanse gevoelens hoog op: de Awamiliga behaalde 288 van de 300 zetels in het provinciale parlement en 160 van de 303 zetels in het nationale parlement. Tegelijkertijd braken in Oost-Pakistan gewapende opstanden uit: het East Bengal Regiment, de East Bengal Rifles (samen ca. 25!000 man) en de Mujib Bahini (ca. 20!000 vrijwilligers, vnl. jonge aanhangers van Mujib) sloten zich aaneen tot een guerrillaleger, de Mukti Bahini. Onderhandelingen tussen Mujib ur-Rahman en Yahya Khan over de vorming van een regering leden schipbreuk. Op 10 maart 1971 greep de Awamiliga de macht in Oost-Pakistan, en op 26 maart verklaarde zij het gebied onafhankelijk onder de naam Bangladesh. Het Pakistaanse leger, geholpen door de zgn. Razakars (gewapende pro-Pakistan groepen), onderdrukte de opstand bloedig. Mujib ur-Rahman werd gevangengezet. Vele Bengali vluchtten naar India, dat zijn grenzen openstelde en internationale aandacht vroeg voor het daaruit voortvloeiende vluchtelingenprobleem; dit probleem nam niettemin zulke vormen aan, dat India zich in dec. 1971 genoodzaakt zag militair in Bangladesh te interveniŽren ten gunste van de vrijheidsstrijders (zie foto links). Na een veldtocht van twaalf dagen capituleerde het Pakistaanse leger.
Het nieuwe Bangladesh verwierf snel brede internationale erkenning, maar kampte met grote binnenlandse moeilijkheden. Door de moordpartijen op de Bengali door het Westpakistaanse leger en het vertrek van de Westpakistaanse ingezetenen van Bangladesh waren bestuur en bedrijfsleven ontwricht, vele gewapende groepen weigerden om de wapens neer te leggen, de Bihari werden gewelddadig vervolgd en de Indiase aanwezigheid werd steeds sterker als neokolonialisme gevoeld. In jan. 1972 werd Mujib ur-Rahman door Pakistan vrijgelaten; in deze maand verruilde hij het presidentsambt - verkregen tijdens zijn gevangenschap - voor dat van premier. In 1974 werd Bangladesh door Pakistan erkend. De politieke terreur duurde evenwel voort, zowel van de kant van extreem orthodoxe islamitische groepen en linkse mauÔsten als van 'mujibisten'. De wijdverbreide, nauwelijks bestreden corruptie en ernstige overstromingen en hongersnood (aug. 1974) verergerden de situatie, en in dec. 1974 werd de noodtoestand afgekondigd, waarbij Mujib weer president werd en alle macht aan zichzelf trok. Ook binnen het leger bestond ontevredenheid: in augustus pleegde een groep majoors een staatsgreep, waarbij Mujib en zijn familie werden vermoord. Khondakar Mushtaq Ahmed, een pro-Westerse Awamiligaleider, werd president. De machtsstrijd binnen het leger leidde tot tegencoups op 3 nov. 1975, waarbij vele politici omkwamen, en op 7 nov., waarbij Khondakar Mushtaq Ahmed als president werd vervangen door de voormalige president van het Hooggerechtshof, Abusadat Mohammed Sayem. De bevelhebbers van landmacht, luchtmacht en marine kwamen als de werkelijke machthebbers naar voren. De parlementsverkiezingen werden uitgesteld en er werd een militair bestuur afgekondigd; in dec. 1977 werd legergeneraal Zia ur-Rahman president. Een maand later sprak het volk van Bangladesh zich per referendum uit vůůr diens aanblijven, en ook uit de in juni 1978 gehouden presidentsverkiezingen kwam Zia als winnaar naar voren.
Vanaf 1980
In 1981 werd generaal Zia (zie foto rechts) vermoord tijdens een mislukte militaire coup. De vice-president, Abdus Sattar, trad op als nieuw staatshoofd namens de regerende BNP. De regering-Sattar werd in 1982 in een niet-gewelddadige coup aan de kant geschoven, na een jaar van toenemende instabiliteit. De militairen onder leiding van Mohammad Ershad namen de macht over, riepen de noodtoestand uit en plaatsten de grondwet buiten werking. In dec. 1983 benoemde Ershad zichzelf tot president. Onder de regering-Ershad vond een belangrijke koerswijziging plaats in de economische politiek: deze werd gericht op het stimuleren van buitenlandse investeringen en private ondernemingen.
In 1983 werd de roep tot terugkeer naar democratie sterker. De oppositie organiseerde zich. Ook het regime trachtte door de vorming van de Janadal-partij (later Jatiya-Dal) in 1983 steun onder de bevolking te verkrijgen. De parlementsverkiezingen in mei 1986 werden gewonnen door de Jatiya-Dal van Ershad, die in okt. 1986 zelf werd gekozen als president (kort daarvoor had hij zijn militaire functies opgegeven). Aan de vooravond van de parlementsverkiezingen werd de noodtoestand opgeheven en de - gewijzigde - grondwet weer van kracht. In 1987 werd deze liberalisering weer teruggedraaid, nadat de hevigste overstromingen sinds 40 jaar Bangladesh hadden getroffen. Ook toenemende politieke onrust vormde de aanleiding tot het opnieuw uitroepen van de noodtoestand. De parlementsverkiezingen van 1988 werden mede als gevolg van een boycot van de oppositie ruimschoots gewonnen door de Jatiya-Dal.
Vanaf 1990
In dec. 1990 moest Ershad aftreden na een periode van hartals (door staking lamleggen van het openbare leven) en blokkades. Hij werd gearresteerd en veroordeeld wegens corruptie. De economische toestand verslechterde, toen als gevolg van de Golfcrisis ca. 85!000 Bengaalse arbeidsmigranten terugkeerden uit Koeweit en Irak.
Ondanks het aantreden in maart 1991 van een nieuwe regering onder leiding van Kholeda Zia van de Bangladesh Nationalistische Partij (BNP) en het herstel van de parlementaire vrijheden (verkiezingen 15 sept. 1991) veranderde de onderdrukking van de moslimminderheid in de deelstaat Arakan niet. Van eind 1991 tot eind 1992 vluchtten ca. 300.000 Rohingya's naar Birma.
De eerste helft van de jaren negentig werd ook verder gekenmerkt door politieke onlusten en gewelddadige stakingen, die voortkwamen uit onvrede met het beleid van premier Khaleda Zia. De parlementsverkiezingen van febr. 1996 leverden echter toch een grote overwinning op voor de regerende BNP. Op grond van grove onregelmatigheden eiste de oppositie, daarin gesteund door internationale waarnemers, nieuwe verkiezingen. Onder toenemende maatschappelijke druk diende premier Zia eind maart haar ontslag in. Een interimregering schreef voor midden 1996 nieuwe verkiezingen uit, die met een absolute meerderheid werden gewonnen door de Awami Liga van Hasina Wajed (zie foto links), die ook de nieuwe premier werd. In okt. 1996 werd president Biswas opgevolgd door Shahabbudin Ahmed van de Awami Liga. De economische opleving in de jaren 1993-1996 werd echter getemperd door de vele stakingen. InefficiŽnte staatsbedrijven bleven de economie domineren, ondanks aanzetten tot liberalisering.

Telefoongids Bangladesh
Postcodes Bangladesh

 
   

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009