header landen en staten

Totaal bezoekers:
Totaal pagevieuws:
Online bezoekers:
 
 
 
   


 maak van deze website uw startpagina !

WorldwideBase
Alle wwbase pagina's

 

BelgiŽ geografisch

 

Terug naar overzicht Europa >>

 



 

BelgiŽ (Fr.: Belgique; Duits: Belgien; Engels: Belgium), federaal koninkrijk in West-Europa, 30.518 km2, met 10.143.047 inw. (332 inw. per km2); hoofdstad: Brussel. Tot BelgiŽ behoort ook een aantal (ca. 30) in de Nederlandse prov. Noord-Brabant gelegen kleine gebieden (exclaves, waarbinnen twee Nederlandse enclaves behorend tot de gem. Baarle-Nassau liggen), die tezamen de gem. Baarle-Hertog vormen. In BelgiŽ geldt Midden-Europese tijd (MET). De munteenheid is de frank (F), verdeeld in 100 centimes. Het volkslied is La BrabanÁonne.


De oorsprong van de benaming van het staatkundige begrip BelgiŽ is te vinden in de naam Belgae, een groep Keltische stammen die het gebied bewoonden dat onder de Romeinse keizer Augustus als de provincie Belgica zou worden ingericht. Na de Romeinse overheersing geraakte de naam in onbruik tot aan de humanisten (tweede helft 15de eeuw), die echter de namen Belgium en Belgae zowel op het huidige Nederland als op het huidige BelgiŽ als op de beide tezamen toepasten. Zo werd bijv. met de benaming Belgium Foederatum de Republiek der Verenigde Nederlanden aangeduid. Toen tijdens de Brabantse Omwenteling de Zuidelijke Nederlanden tot een onafhankelijke staat werden uitgeroepen, kreeg deze de naam …tats Belgiques Unis. De benaming Belgen werd voortaan bijna uitsluitend gebruikt met betrekking tot bewoners van het grondgebied dat later BelgiŽ zou vormen en met het ontstaan van de staat BelgiŽ (1830) kregen de namen BelgiŽ en Belgen voorgoed hun beperkte zin.

1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het landschap van BelgiŽ vertoont een rijke verscheidenheid. Belgisch Lotharingen, in het zuiden, behoort tot het cuestalandschap van het Bekken van Parijs. In de zachthellende Juralagen komen drie weerstandbiedende formaties voor. Vooral de noordelijkste en zuidelijkste zijn tot typische cuesta's ontwikkeld met een naar het noorden gericht front, steil afdalend naar de subsequente depressies van Semois en Ton-Vire. De Ardennen worden beheerst door een plateaulandschap, gevormd tijdens het Tertiair, met diepe verwering onder subtropische klimaten. De verscheidenheid wordt veroorzaakt door de diepe, lintvormige insnijding van de rivierdalen gedurende het Kwartair. In de Hoge Ardennen, ten noorden van de Ourthe, overschrijdt de hoogte de 600 m; zij culmineert in brede, moerassige koepels: Plateau van Hoge Venen (694 m), Plateau van BŁllingen (692 m) en Plateau des Tailles (652 m). Hier tussenin werden tijdens het Tertiair in de zachtere gesteenten brede depressies uitgeboetseerd, waardoor een bergachtig aanzicht ontstond. De latere dalinsnijding verhoogt aanzienlijk de reliŽfenergie. Talrijke reliŽfdetails wijzen op de rigoureuze, arctische klimaatsomstandigheden die tijdens de laatste twee ijstijden heersten. In de Lage Ardennen, ten zuiden van de Ourthe, is het eenvormige plateau beter bewaard gebleven ten gevolge van geringere opheffing en kleinere verschillen in de weerstandgesteenten (Saint-Hubert 589 m, Croix-Scaille 505 m). De Condroz is een laagplateau (tot 343 m hoog) met het aspect van een gegolfde plaat. De Tertiaire schiervlakte snijdt de plooien af, waardoor afwisselende banden zandsteen, kalksteen en schalie dagzomen. De zandstenen vormen appalachische, langgerekte kammen, terwijl de kalkgesteenten door verwering lager liggen. Samen met de insnijding van de valleien tijdens het Kwartair werden de schalies door vorstwerking uitgeruimd tot depressies (Fagne-Famenne) en vond intense grotvorming plaats in de kalkgesteenten.
Ten noorden van dit gebied liggen de Leemstreken van Midden-BelgiŽ. De oorspronkelijke neogene kustvlakte werd door opheffing scheefgesteld en door de riviererosie versneden, naar verhouding van de afstand tot de zee. In Haspengouw bleef het plateau het best bewaard, in het Dijlebekken ging de versnippering verder, maar zij werd geremd door de grofkorrelige zanden van de ondergrond. Tussen Zenne en Schelde werd het plateau gereduceerd tot een heuvellandschap waarin slechts de Vlaamse Ardennen met een weerstandbiedende ijzerzandsteenkap van het oorspronkelijke vlak overblijven. Ten westen van de Schelde ging de verlaging nog intensiever door, waardoor enkele getuigeheuvels, zoals de Kemmelberg (156 m hoog), des te imposanter aandoen. Aan dit reliŽf werd de laatste hand gelegd door de eolische afzetting van lŲss tijdens de WŁrm-ijstijd. Doordat de lŲss bijeenwaaide en bijeenspoelde in dalen en depressies, had hij een nivellerende invloed. Zijn dikte overtreft niet zelden de 20 m waardoor de plateaus nog vlakker, de heuvelflanken nog zachtglooiender werden.
Vanaf de Demer-Rupel-Schelde domineert de zandige laagvlakte. Slechts enkele verhevenheden laten het werk van de erosie vermoeden; zij bleven gespaard in zuivere kleien (Oedelem-Zomergem, Waas-Boom) of in ijzerhoudende zandstenen (Beersel-Hageland). Een uitzondering vormt het Kempens plateau, waar de dikke grindlagen van de oude Maaspuinkegel de verdere erosie volledig verhinderden. Elders werd het vlakke karakter versterkt door de aanvoer van eolische dekzanden tijdens de WŁrm-IJstijd, die door sneeuwsmeltwater werden uitgespreid en zelfs de diepe Vlaamse vallei uitwisten.
Na de laatste ijstijd veroorzaakte de Flandrische transgressie de inundatie van de kustvlakte en de vorming van de duingordel. In verscheidene historische fasen voltrok zich de opbouw van de poldervlakte langs de zee en het Schelde-estuarium.
1.2 Rivieren
Afgezien van de Sauer en de Oise, behoort het rivierstelsel in BelgiŽ tot de bekkens van IJzer, Schelde en Maas. Ten zuiden van Samber en Maas ontstonden de rivieren tijdens het Paleogeen met een hoofdrichting van zuid naar noord. Door de opwelving van de Ardennen verloor de Maas in Frankrijk zijn voornaamste bijrivieren door aftapping ten voordele van Rijn en Seine. Naast de oorspronkelijke consequente rivieren ontstonden in de Ardennen en Condroz subsequente takken ten gevolge van aanpassing aan de geologische structuur, zoals de Semois. De Beneden-Samber en de Maas van Namen tot Luik moeten worden opgevat als een combinatie van een subsequente en een synclinale rivier in zachte lagen van het verder inklinkende Bekken van Namen. Pas in het Midden-Kwartair ontstond de Maastak van Luik naar Maaseik, door overvloeien in de noordelijke vlakte, waarbij het terrassenlandschap van Limburg werd opgebouwd, de puinwaaier van het actuele Kempens plateau zich openspreidde en een directe verbinding met het Rijnbekken tot stand kwam. Later sneed de Maas zich definitief in, oostwaarts van de puinkegel. Ten noorden van Samber en Maas ontstond tijdens het Neogeen en het Vroeg-Kwartair een naar het noordoosten gericht parallel rivierstelsel van IJzer, Leie, Schelde, Dender, Zenne, Dijle en Gete. Deze consequente rivierrichting liep volgens de maximale helling naar de terugtrekkende Tertiaire zeeŽn. Door erosie in het Tertiaire klei-zandsubstraat werden diepe valleien uitgeschuurd en deels opnieuw opgevuld met riviergrinten, waardoor een terrassenreeks werd geboetseerd. Vooral gedurende het Midden-Kwartair ontwikkelde zich een subsequent noordwest-zuidoost gericht zijtakkenpatroon door aanpassing aan de geologische structuur (Schelde stroomafwaarts Gent; Rupel). De globale afwatering van Leie-Schelde, intussen versterkt door aftapping van de rivieren uit Midden-BelgiŽ, liep gedurende de Riss-ijstijd via de Vlaamse Vallei over Gent-Eeklo-Vlissingen tot diep in de bijna droogliggende Noordzee. Ook het IJzerbekken sloot hier op aan. Gelijktijdig ontwikkelde zich het dominerend oostwest gericht rivierstelsel van de beide Neten en de Demer. De Hene werd synclinaal aangelegd in het Bekken van Bergen, terwijl de subsequente Mťhaigne en de Jeker de bovenlopen van het Getestelsel naar de Maas afleidden. De rijzende zeespiegel van het Eemien overspoelde de huidige kustvlakte en de Vlaamse Vallei, waardoor de rivieren in aanzienlijke mate werden verkort. Met de hernieuwde daling van het zeeniveau tijdens de WŁrm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw nagenoeg droog en werden de inmiddels vrijgekomen estuaria en baaien fluviatiel opgevuld. De noordelijke afvloei over Eeklo werd echter op het einde van de ijstijd door uit het noorden aangewaaide dekzanden afgedamd ter hoogte van Maldegem-Stekene, waardoor een fluviatiele afbuiging in oostelijke richting noodzakelijk was om via een overvloeien langs Antwerpen een nieuwe verbinding met de zee mogelijk te maken.
Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik) en Schelde (gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen) wordt in hoofdzaak bepaald door het gematigd maritieme klimaat. De regenval is weliswaar bijna gelijkmatig over het gehele jaar verspreid, maar bedraagt voor de Ardennen (1400 mm/jaar) nagenoeg het dubbele van het kustgebied (700 mm/jaar). De hoge verdamping is in de zomer verantwoordelijk voor de lage debieten. De Hoge Venen veroorzaken door het sponseffect een bufferende rol voor het Maasdebiet. Het Scheldedebiet daarentegen wordt regelmatiger gevoed door overvloedige bronnen. Ook worden overstromingen in de hand gewerkt door rechttrekking van natuurlijke meanders en bedijkingen van de uiterwaarden. In de winter brengt de lage verdamping een veel hogere afvloeiing van de neerslag mee. De wintermaxima zijn voor de Maas belangrijker dan voor de Schelde ten gevolge van de hogere neerslag in de Ardennen, de ondoordringbare ondergrond en het grotere aandeel van de sneeuw. Het oppervlaktewater wordt verzameld in stuwmeren, vijvers en groeven voor waterbedeling. Naast de oppervlakkige afvloeiing worden de dagzomende poreuze grondlagen door insijpelend water gevoed, waardoor waterhoudende lagen met zeer geringe grondwaterstromingen (enkele cm per dag) ontstaan.
1.3 Geologie
Geologisch bestaat BelgiŽ hoofdzakelijk uit sedimentgesteenten gevormd door afbraak van continenten boven zeeniveau. Mariene gesteenten afgezet onder zeeniveau komen in mindere mate voor en metamorfe en vulkanische gesteenten zijn van ondergeschikt belang. De positie van het zeeniveau en van de kustlijnen en de perioden van gebergtevorming zijn derhalve bepalend geweest voor de geologische geschiedenis en gesteentediversifiŽring vanaf het Onder-PaleozoÔcum tot in het Holoceen. De primaire gesteenten (PaleozoÔcum) zijn verhard, geplooid en gebroken door de Caledonische en/of Variscische orogenese (= gebergtevorming) en vormen meestal steilhellende lagen. De MesozoÔsche, Tertiaire en Kwartaire afzettingen zijn alleen plaatselijk door de nawerking van de Variscische en alpine orogenese hoofdzakelijk door breukwerking verstoord en liggen bijgevolg hoofdzakelijk subhorizontaal (deklagen en dekmantel).
Het PaleozoÔcum bevat twee cyclussen van sedimentatie en gebergtevorming: 1. Cambrium-Ordovicium-Siluur: vooral leistenen en kwartsieten werden gevormd, die daarna intensief werden geplooid tijdens de Caledonische gebergtevorming. Deze ging gepaard met belangrijk vulkanisme, waarvan intrusies, lavastromen en vulkaanpijpen gekend zijn. Het is ontsloten in de Ardennen (Massieven van Stavelot, van Rocroi en van Serpont) en vormt het voetstuk van Brabant (Massief van Brabant) en Vlaanderen; 2. Devoon-Carboon: tijdens het Onder-Devoon ontstonden afbraakproducten van het Caledonische gebergte met conglomeraten, zandstenen en schalies. In de van het zuiden opkomende transgressie van de Midden-Devoonzee werden in toenemende mate kalkstenen en koraalriffen gevormd. Na regressie vond in het Boven-Carboon steenkoolvorming plaats in de Bekkens van Namen en de Kempen, die toen met moerassige lagunes overeenkwamen. Tijdens de Variscische gebergtevorming ontstonden het anticlinorium van de Ardennen met zwak metamorfisme, en het synclinorium van Dinant, gescheiden van het Bekken van Namen door de belangrijke Midi-verschuiving (as Namen-Luik). Dat bekken werd intens geplooid en verbrokkeld. Het reeds verharde Caledonische Massief van Brabant fungeerde als stootblok tegen deze zuidelijke actieve tektoniek, en beschermde het noordelijk gelegen Bekken van de Kempen, dat slechts verticale verzakkingen onderging.
Het MesozoÔcum wordt gekenmerkt door een afvlakking van het Variscisch gebergte tot een schiervlakte met bijbehorende afbraakgordel, gevolgd door belangrijke mariene transgressies, die nagenoeg het hele land overspoelden. Tijdens het Trias-Jura vonden continentale afzettingen plaats in de ondergrond van de noordoostelijke Kempen, terwijl in Belgisch Lotharingen afwisselende lagen zandsteen, mergel en kalksteen de zeeschommelingen van het Bekken van Parijs registreerden. De uit het Krijt voortkomende dominerende mariene krijtlagen en sporadische kleien komen in nagenoeg heel BelgiŽ voor. Zij dagzomen echter in Herve, Haspengouw en Hene en getuigen van een uit het westen komende Krijtzee-inundatie, die vermoedelijk het grootste gedeelte van BelgiŽ overspoelde.
Het KaenozoÔcum omvat de geleidelijke terugtrekking in noordelijke richting van de Tertiaire en Vroeg-Kwartaire zeeŽn, met geleidelijke vorming van het Noordzeebekken en de gelijktijdige afbraak van het blootvallend continent. Tijdens het Paleogeen werden zand- en kleilagen afgezet in een ondiepe zee, die eveneens het Bekken van Londen en van Parijs omvatte, met in BelgiŽ een noord-zuid kustlijn langs de rand van de Ardennen. Op het einde van het Oligoceen is de verre weerslag van de alpine plooiing merkbaar, waardoor de landrug van ArtesiŽ oprees, het Bekken van Parijs droogviel, de Noordzee zich ver naar het noorden terugtrok en Engeland met het continent werd verbonden. Tijdens het Neogeen ontstonden Miocene-Pliocene stranden en ondiepe zeeafzettingen met stootsgewijze transgressies, die in afnemend belang het noorden van BelgiŽ overspoelden en vooral oost-west gerichte kustlijnen ontwikkelden. De laatste van deze reeks transgressies is uitgelopen tot in het Kwartair. Verdere opheffing van de Ardennen vond plaats, alsook daling van het Noordzeebekken tot in het Kwartair.
Het Kwartair omvat hoofdzakelijk continentale afzettingen gedurende de glaciale perioden en deels mariene afzettingen gedurende de gematigde interglaciale perioden. In het Pleistoceen werd riviergrind van de Maaspuinkegel afgezet in Limburg en grind en zand van de Schelde in Binnen-Vlaanderen; eolische dekzanden ontstonden in het noorden en lŲss in Midden-BelgiŽ vooral, van WŁrm-ijstijdouderdom.
Sporadisch mariene zanden en kleien getuigen van Laat-Kwartaire transgressies in het noorden van Vlaanderen tijdens interglaciale perioden. Tijdens het Holoceen vonden mariene zand- en kleiafzettingen in de Zeepolders en Scheldepolders en duinvorming plaats. Alluviale klei, zand en veen werden gevormd langs de rivieren.
1.4 Klimaat
BelgiŽ heeft een gematigd zeeklimaat. Wel treden van streek tot streek aanzienlijke verschillen op. Op basis van het verschil tussen de gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand van het jaar kan men drie klimaattypes onderscheiden: 1. Het maritiem klimaat komt hoofdzakelijk voor aan de kust en licht landinwaarts. Door de matigende invloed van de Noordzee is het gemiddelde temperatuurverschil tussen de warmste en de koudste maand in deze streek dan ook het kleinst, nl. 13,9 įC (het verschil tussen 16,9 įC in de zomer en 3 įC in de winter); 2. het gewijzigd maritiem klimaat heerst in Midden-BelgiŽ en de Kempen. Door de grotere afstand tot de zee is het gemiddelde temperatuurverschil hier iets groter, wat is toe te schrijven aan de snellere afkoeling 's nachts en de vluggere opwarming overdag. Het bedraagt 14,7 įC (het verschil tussen de gemiddelde temperatuur voor juli: 17,2 įC, en die voor januari: 2,5 įC); 3. het gewijzigd continentaal klimaat komt voor in het bergachtige gebied ten oosten van Samber en Maas. Hier is de invloed van de zee het geringst en is de gemiddelde jaaramplitudo dan ook het grootst, nl. 15,5 įC (het verschil tussen 15,1 įC voor juli en -0,4 įC voor januari). Het feit dat het zomermaximum niet meer bedraagt, ondanks de meer continentale invloed, is te wijten aan de hogere ligging van het terrein.
De vier meest voorkomende atmosferische toestanden boven BelgiŽ zijn: 1. regenachtig en vrij zacht weer tijdens de winter: de Atlantische storingen bewegen zich tussen de subtropische anticycloon van de Azoren en de depressie nabij IJsland en trekken over West-Europa; 2. mooi maar koud weer tijdens de winter: onder de invloed van een uitloper van de continentale anticycloon stroomt koude en droge continentale lucht BelgiŽ binnen; 3. regenachtig en vrij fris weer tijdens de zomer: regengebieden worden langs de noordelijke flank van het Azoren-hogedrukgebied naar West-Europa gestuurd; 4. mooi en warm weer tijdens de zomer: de anticycloon boven ScandinaviŽ en Centraal-Europa voert droge en zeer warme continentale lucht aan. Lagedrukkernen die boven de Golf van Biskaje en Frankrijk tot ontwikkeling komen, stellen vaak met felle onweersbuien een einde aan dit weertype.
De normale gemiddelde luchtdruk op zeeniveau bedraagt te Ukkel 1015, 6 mbar. De uiterste afwijkingen kunnen maximaal 33 mbar hoger en 50 mbar lager dan de normale waarde liggen. De windsnelheid wordt in sterke mate bepaald door de afstand tot de zee.
De jaarlijkse gemiddelde temperatuur schommelt tussen ongeveer 10 įC in Laag-BelgiŽ en nagenoeg 6 įC in de Hoge Venen. Juli en augustus zijn gemiddeld de warmste en januari en februari de koudste maanden.
De gemiddelde jaarlijkse neerslag schommelt tussen 1400 mm (liter/m2) plaatselijk in Hoog-BelgiŽ en ongeveer 800 mm aan de kust en in Midden-BelgiŽ. De grootste hoeveelheden vallen in Laag- en Midden-BelgiŽ tijdens juli en augustus (onweersbuien) en in Hoog-BelgiŽ tijdens november en december (stijgingsregens bij Atlantische storingen). Het gemiddelde aantal dagen met meetbare neerslag (ten minste 0, 1 mm) bedraagt tweehonderd per jaar. Het aantal onweersdagen schommelt jaarlijks tussen 75 en 90. De maximale dikte van de sneeuwlaag die gemiddeld in ťťn winter op twee bereikt of overtroffen wordt, neemt toe met de hoogte. Zij varieert gemiddeld van 6 cm aan de kust tot meer dan 30 cm op de Ardense hoogvlakten.
1.5 Plantengroei
Op zijn kleine oppervlakte vertoont BelgiŽ een betrekkelijk rijke flora: een 1300 soorten vaatplanten, een zelfs groter aantal wieren, het ongeveer viervoudige aantal zwammen en korstmossen en ongeveer het halve aantal lever- en bladmossen. Deze relatieve rijkdom spruit voort uit het feit dat verscheidene grote floristische stromingen elkaar in BelgiŽ ontmoeten. De Atlantische flora en de Midden-Europese flora leverden zeer vele elementen. Enkele van de meest noordelijke vertegenwoordigers van de submediterrane flora bereikten BelgiŽ, bijv. de spekwortel, het Apennijns zonneroosje (Helianthemum apenninum), het palmboompje, de wollige sneeuwbal (Viburnum lantana). Verscheidene submontane planten, waaronder grassen als het bergbeemdgras (Poa chaixii) en het boszwenkgras (Festuca altissima) en voorts de kransbladsalomonszegel, de witte veldbies (Luzula luzuloides) en het peperboompje, komen in de hoogste delen van BelgiŽ voor. Onder de soorten vaatplanten komt een 400-tal bijna overal voor en enkele tientallen zijn echte ubiquisten (overal voorkomend), o.a. de grote brandnetel, het herderstasje en het straatgras.
Districten en subdistricten. Het zeedistrict omvat de duinen en de erachter gelegen zeepolders. De slikken en schorren hebben een uitgesproken halofytenvegetatie. Duinvorming begint rondom plantjes van biestarwegras en gaat verder, vnl. dankzij de helm. Deze jonge, beweeglijke, kalkrijke duinen worden geleidelijk vastgelegd en begroeid met een duinstruweel, waarin de duindoorn de meest opvallende plantensoort is. De door dijken beschermde polders zijn nagenoeg volkomen in cultuur gebracht.
Het Vlaams-Kempens district omvat het westelijke deel van de Kempen en Zandig Vlaanderen, dit laatste een tot het eikenwoud van het West-Europese Atlantische gebied behorende laagvlakte. Natuurlijke, niet door de mens beÔnvloede bossen zijn er niet in overgebleven. Het grootste deel van deze bossen werd reeds vanaf de vroege Middeleeuwen gerooid en in cultuur gebracht. In de Kempen, oorspronkelijk eveneens tot het eikenwoud behorende, verdwenen reeds vroeg grote oppervlakten bos, die in heide overgingen. Tot ver in de 20ste eeuw besloeg deze heide een uitgebreide oppervlakte; een groot gedeelte is thans in cultuur gebracht, o.m. door het aanplanten van grove den en zeeden. Het subdistrict van het Kempens plateau, het oostelijke deel van de Kempen, omvat verscheidene ondiepe vennen in de streek van Genk met een nog rijke flora.
Het gehele Picardische-Brabantse district is bedekt met een laag lŲss. Het westelijke deel is een laagvlakte. Van de bossen, die tot het eiken-beukenbos met Atlantisch karakter behoren, bleef weinig over: veel eik is er door beuk vervangen (ZoniŽnwoud). Het zachtglooiende oostelijke deel is bijna volkomen cultuurland geworden. De enkele bospercelen behoren tot het Midden-Europese eiken-haagbeukenbos. In de subdistricten Tussen-Samber-en-Maas en Condroz van het Ardens district bereiken op de oude hoogvlakten talrijke submontane plantensoorten de Belgische flora; de Samber- en de Maasvallei vormen blijkbaar een barriŤre tegen meer noordelijke verspreiding. De Maasvallei zelf vertoont op de dalflanken, dankzij een betrekkelijk zacht klimaat, submediterrane plantensoorten: Apennijns zonneroosje, palmboompje. De leemgronden in deze streek zijn door culturen ingenomen. Indien de leemlaag te dun is of ontbreekt, kunnen ůf zandsteen en schalie, ůf kalksteen hun invloed op de flora en vegetatie laten gelden. Bossen van een sterk verschillend type kunnen op deze twee min of meer verweerde gesteenten tot ontwikkeling komen. Door degradatie van deze bossen zijn de floristisch zo rijke droge weiden ontstaan; de grassoorten zijn op de droogste plekken blauwgras, op minder dorre plaatsen bergdravik en gevinde kortsteel. Onder de akkeronkruiden van de vroeger in het oostelijke deel van de Kalkstreek veel verbouwde spelt kwam vroeger de Ardense dravik voor, de enige Belgische endemische plantensoort, voor het laatst in 1935 gesignaleerd. In het uiterste oosten (krijt) komen droge weiden voor, o.a. op de St.-Pietersberg, analoog met die op de harde kalksteen van Tussen-Samber-en-Maas.
Het district van de Hoge Ardennen omvat een aantal hoge plateaus met meestal zure bodems. Het wordt grotendeels door beukenbos ingenomen. Ook zijn grote oppervlakten met hoogstammige spar beplant. Een aantal submontane plantensoorten komt hier voor, zoals bergbeemdgras (Poa chaixii) en kransbladsalomonszegel. De Hoge Ardennen worden gekenmerkt door uitgestrekte hoogvenen, waarin talrijke moeilijk te onderscheiden veenmossoorten, eenarig wollegras en rijsbes voorkomen.
Het Lotharings district heeft, dankzij zijn mild klimaat, verscheidene submediterrane plantensoorten. Er zijn uitgestrekte bossen uit beuk, haagbeuk en eik. Aan de bovenloop van de Semois komen karakteristieke alkalische moerassige gebieden met verscheidene soorten wollegras en zegge voor.
1.6 Dierenwereld
De groeiende verstedelijking, de vervuiling van de waterlopen, het uitblijven van een doelmatige regeling inzake natuurbescherming e.a. leiden tot een dubbel ongunstig gevolg. Enerzijds gaat een aantal diersoorten definitief verdwijnen, hetzij door moedwillige uitroeiing, hetzij als (mede)slachtoffers van een overmatige chemische bestrijding; anderzijds ontwikkelen sommige soorten zich door het ontbreken van hun natuurlijke vijanden tot ware plagen. Aldus zijn o.a. verdwenen: wolf, tuimelaar, raaf, steur en zalm. Op het punt te verdwijnen staan: wilde kat, otter, aalscholver, roerdomp, elrits, zeelt, enz., evenals verscheidene groepen lagere dieren. Wel hebben sommige interessante diersoorten zich kunnen handhaven in de Ardennen en in enkele min of meer gaaf gebleven natuurgebieden. Plagen komen periodiek en plaatselijk voor, o.a. van muskusrat en veldmuis, wespen en muggen.
Plaatselijk komen nog vrij algemeen voor het konijn, de haas en de eekhoorn, eikel-, rel- en hazelmuizen, ratten-, muizen- en woelmuizensoorten; de hamster vooral in Haspengouw. Mol, egel en een vijftal spitsmuizensoorten zijn algemeen verspreid, zo ook verscheidene van de ongeveer twintig voorkomende vleermuissoorten. Vos, hermelijn en steenmarter zijn zeldzaam, de bunzing algemener. Everzwijn en ree komen voor in de Kempen en meer nog in de Ardennen; aldaar ook het edelhert. Zeehonden leven voor de kust en bruinvissen spoelen geregeld aan.
De vogelfauna telt ongeveer 350 soorten, maar niet alle vogels zijn stand- of broedvogels; vele zijn slechts doortrekkers of dwaalgasten. De reptielen en amfibieŽn zijn minder sterk vertegenwoordigd. Hazelworm en enkele hagedissoorten zijn plaatselijk algemeen, een drietal slangensoorten zeldzamer. Naast een tiental padde- en kikkersoorten zijn salamanders algemeen in heel het land; bepaalde soorten zijn echter vrij strikt geografisch beperkt.
Van de ongeveer 150 vissoorten leven er ca. tweederde in zee en eenderde in zoetwater. De vormenrijkdom van de mariene ongewervelde fauna is aanzienlijk beperkt door de eenvormigheid van het kustgebied. Toch komen in de uiterste zuidwesthoek bij De Panne enkele meer zuidelijke schelpen voor, zoals bijv. het koffieboontje; op de havenhoofden en vooral op de pier te Zeebrugge o.a. het golfbrekeranemoontje en de zeeanjelier; in de spuikom te Oostende treft men een opmerkelijke vormenrijkdom aan, o.a. van Draadwormen, terwijl bijv. de zeeduizendpoot en het manteldier Botryllus er buitengewone afmetingen kunnen aannemen. Waar elementen van zoet en zout water elkaar ontmoeten, komen ook soorten voor die typisch zijn voor dit brakke gebied, zoals de steurgarnaal.
Duinen en heide herbergen hun eigen dierenwereld; in de Kempische vennen, in laagveen en hoogveen houden zich soorten op die kenmerkend zijn voor het zure milieu. In de grotten van de Kalkstreek leeft een bijzondere holenfauna en waar speciaal in Belgisch Lotharingen naar het zuiden gerichte hellingen een gunstig microklimaat vormen, handhaven zich zuidelijker vormen, zoals de bidsprinkhaan.

Telefoongids BelgiŽ
Postcodes BelgiŽ

 

Klik door naar BelgiŽ bevolking >>

 

Poolgebieden



uw eigen startpagina


© copyright WorldwideBase 2005-2009