|
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Het
landschap van België vertoont een rijke verscheidenheid. Belgisch
Lotharingen, in het zuiden, behoort tot het cuestalandschap van het
Bekken van Parijs. In de zachthellende Juralagen komen drie
weerstandbiedende formaties voor. Vooral de noordelijkste en
zuidelijkste zijn tot typische cuesta's ontwikkeld met een naar het
noorden gericht front, steil afdalend naar de subsequente depressies van
Semois en Ton-Vire. De Ardennen worden beheerst door een
plateaulandschap, gevormd tijdens het Tertiair, met diepe verwering
onder subtropische klimaten. De verscheidenheid wordt veroorzaakt door
de diepe, lintvormige insnijding van de rivierdalen gedurende het
Kwartair. In de Hoge Ardennen, ten noorden van de Ourthe, overschrijdt
de hoogte de 600 m; zij culmineert in brede, moerassige koepels: Plateau
van Hoge Venen (694 m), Plateau van Büllingen (692 m) en Plateau des
Tailles (652 m). Hier tussenin werden tijdens het Tertiair in de
zachtere gesteenten brede depressies uitgeboetseerd, waardoor een
bergachtig aanzicht ontstond. De latere dalinsnijding verhoogt
aanzienlijk de reliëfenergie. Talrijke reliëfdetails wijzen op de
rigoureuze, arctische klimaatsomstandigheden die tijdens de laatste twee
ijstijden heersten. In de Lage Ardennen, ten zuiden van de Ourthe, is
het eenvormige plateau beter bewaard gebleven ten gevolge van geringere
opheffing en kleinere verschillen in de weerstandgesteenten (Saint-Hubert
589 m, Croix-Scaille 505 m). De Condroz is een laagplateau (tot 343 m
hoog) met het aspect van een gegolfde plaat. De Tertiaire schiervlakte
snijdt de plooien af, waardoor afwisselende banden zandsteen, kalksteen
en schalie dagzomen. De zandstenen vormen appalachische, langgerekte
kammen, terwijl de kalkgesteenten door verwering lager liggen. Samen met
de insnijding van de valleien tijdens het Kwartair werden de schalies
door vorstwerking uitgeruimd tot depressies (Fagne-Famenne) en vond
intense grotvorming plaats in de kalkgesteenten.
Ten noorden van dit gebied liggen de Leemstreken van Midden-België. De
oorspronkelijke neogene kustvlakte werd door opheffing scheefgesteld en
door de riviererosie versneden, naar verhouding van de afstand tot de
zee. In Haspengouw bleef het plateau het best bewaard, in het
Dijlebekken ging de versnippering verder, maar zij werd geremd door de
grofkorrelige zanden van de ondergrond. Tussen Zenne en Schelde werd het
plateau gereduceerd tot een heuvellandschap waarin slechts de Vlaamse
Ardennen met een weerstandbiedende ijzerzandsteenkap van het
oorspronkelijke vlak overblijven. Ten westen van de Schelde ging de
verlaging nog intensiever door, waardoor enkele getuigeheuvels, zoals de
Kemmelberg (156 m hoog), des te imposanter aandoen. Aan dit reliëf werd
de laatste hand gelegd door de eolische afzetting van löss tijdens de
Würm-ijstijd. Doordat de löss bijeenwaaide en bijeenspoelde in dalen en
depressies, had hij een nivellerende invloed. Zijn dikte overtreft niet
zelden de 20 m waardoor de plateaus nog vlakker, de heuvelflanken nog
zachtglooiender werden.
Vanaf de Demer-Rupel-Schelde domineert de zandige laagvlakte. Slechts
enkele verhevenheden laten het werk van de erosie vermoeden; zij bleven
gespaard in zuivere kleien (Oedelem-Zomergem, Waas-Boom) of in
ijzerhoudende zandstenen (Beersel-Hageland). Een uitzondering vormt het
Kempens plateau, waar de dikke grindlagen van de oude Maaspuinkegel de
verdere erosie volledig verhinderden. Elders werd het vlakke karakter
versterkt door de aanvoer van eolische dekzanden tijdens de Würm-IJstijd,
die door sneeuwsmeltwater werden uitgespreid en zelfs de diepe Vlaamse
vallei uitwisten.
Na de laatste ijstijd veroorzaakte de Flandrische transgressie de
inundatie van de kustvlakte en de vorming van de duingordel. In
verscheidene historische fasen voltrok zich de opbouw van de
poldervlakte langs de zee en het Schelde-estuarium.
1.2 Rivieren
Afgezien van de Sauer en de Oise, behoort het rivierstelsel in België
tot de bekkens van IJzer, Schelde en Maas. Ten zuiden van Samber en Maas
ontstonden de rivieren tijdens het Paleogeen met een hoofdrichting van
zuid naar noord. Door de opwelving van de Ardennen verloor de Maas in
Frankrijk zijn voornaamste bijrivieren door aftapping ten voordele van
Rijn en Seine. Naast de oorspronkelijke consequente rivieren ontstonden
in de Ardennen en Condroz subsequente takken ten gevolge van aanpassing
aan de geologische structuur, zoals de Semois. De Beneden-Samber en de
Maas van Namen tot Luik moeten worden opgevat als een combinatie van een
subsequente en een synclinale rivier in zachte lagen van het verder
inklinkende Bekken van Namen. Pas in het Midden-Kwartair ontstond de
Maastak van Luik naar Maaseik, door overvloeien in de noordelijke
vlakte, waarbij het terrassenlandschap van Limburg werd opgebouwd, de
puinwaaier van het actuele Kempens plateau zich openspreidde en een
directe verbinding met het Rijnbekken tot stand kwam. Later sneed de
Maas zich definitief in, oostwaarts van de puinkegel. Ten noorden van
Samber en Maas ontstond tijdens het Neogeen en het Vroeg-Kwartair een
naar het noordoosten gericht parallel rivierstelsel van IJzer, Leie,
Schelde, Dender, Zenne, Dijle en Gete. Deze consequente rivierrichting
liep volgens de maximale helling naar de terugtrekkende Tertiaire zeeën.
Door erosie in het Tertiaire klei-zandsubstraat werden diepe valleien
uitgeschuurd en deels opnieuw opgevuld met riviergrinten, waardoor een
terrassenreeks werd geboetseerd. Vooral gedurende het Midden-Kwartair
ontwikkelde zich een subsequent noordwest-zuidoost gericht
zijtakkenpatroon door aanpassing aan de geologische structuur (Schelde
stroomafwaarts Gent; Rupel). De globale afwatering van Leie-Schelde,
intussen versterkt door aftapping van de rivieren uit Midden-België,
liep gedurende de Riss-ijstijd via de Vlaamse Vallei over
Gent-Eeklo-Vlissingen tot diep in de bijna droogliggende Noordzee. Ook
het IJzerbekken sloot hier op aan. Gelijktijdig ontwikkelde zich het
dominerend oostwest gericht rivierstelsel van de beide Neten en de Demer.
De Hene werd synclinaal aangelegd in het Bekken van Bergen, terwijl de
subsequente Méhaigne en de Jeker de bovenlopen van het Getestelsel naar
de Maas afleidden. De rijzende zeespiegel van het Eemien overspoelde de
huidige kustvlakte en de Vlaamse Vallei, waardoor de rivieren in
aanzienlijke mate werden verkort. Met de hernieuwde daling van het
zeeniveau tijdens de Würm-ijstijd viel de Noordzee opnieuw nagenoeg
droog en werden de inmiddels vrijgekomen estuaria en baaien fluviatiel
opgevuld. De noordelijke afvloei over Eeklo werd echter op het einde van
de ijstijd door uit het noorden aangewaaide dekzanden afgedamd ter
hoogte van Maldegem-Stekene, waardoor een fluviatiele afbuiging in
oostelijke richting noodzakelijk was om via een overvloeien langs
Antwerpen een nieuwe verbinding met de zee mogelijk te maken.
Het regime van Maas (gemiddeld debiet 273 m3/s te Luik) en Schelde
(gemiddeld debiet 80 m3/s bij lage tij te Antwerpen) wordt in hoofdzaak
bepaald door het gematigd maritieme klimaat. De regenval is weliswaar
bijna gelijkmatig over het gehele jaar verspreid, maar bedraagt voor de
Ardennen (1400 mm/jaar) nagenoeg het dubbele van het kustgebied (700
mm/jaar). De hoge verdamping is in de zomer verantwoordelijk voor de
lage debieten. De Hoge Venen veroorzaken door het sponseffect een
bufferende rol voor het Maasdebiet. Het Scheldedebiet daarentegen wordt
regelmatiger gevoed door overvloedige bronnen. Ook worden overstromingen
in de hand gewerkt door rechttrekking van natuurlijke meanders en
bedijkingen van de uiterwaarden. In de winter brengt de lage verdamping
een veel hogere afvloeiing van de neerslag mee. De wintermaxima zijn
voor de Maas belangrijker dan voor de Schelde ten gevolge van de hogere
neerslag in de Ardennen, de ondoordringbare ondergrond en het grotere
aandeel van de sneeuw. Het oppervlaktewater wordt verzameld in
stuwmeren, vijvers en groeven voor waterbedeling. Naast de oppervlakkige
afvloeiing worden de dagzomende poreuze grondlagen door insijpelend
water gevoed, waardoor waterhoudende lagen met zeer geringe
grondwaterstromingen (enkele cm per dag) ontstaan.
1.3 Geologie
Geologisch bestaat België hoofdzakelijk uit sedimentgesteenten gevormd
door afbraak van continenten boven zeeniveau. Mariene gesteenten afgezet
onder zeeniveau komen in mindere mate voor en metamorfe en vulkanische
gesteenten zijn van ondergeschikt belang. De positie van het zeeniveau
en van de kustlijnen en de perioden van gebergtevorming zijn derhalve
bepalend geweest voor de geologische geschiedenis en
gesteentediversifiëring vanaf het Onder-Paleozoïcum tot in het Holoceen.
De primaire gesteenten (Paleozoïcum) zijn verhard, geplooid en gebroken
door de Caledonische en/of Variscische orogenese (= gebergtevorming) en
vormen meestal steilhellende lagen. De Mesozoïsche, Tertiaire en
Kwartaire afzettingen zijn alleen plaatselijk door de nawerking van de
Variscische en alpine orogenese hoofdzakelijk door breukwerking
verstoord en liggen bijgevolg hoofdzakelijk subhorizontaal (deklagen en
dekmantel).
Het Paleozoïcum bevat twee cyclussen van sedimentatie en
gebergtevorming: 1. Cambrium-Ordovicium-Siluur: vooral leistenen en
kwartsieten werden gevormd, die daarna intensief werden geplooid tijdens
de Caledonische gebergtevorming. Deze ging gepaard met belangrijk
vulkanisme, waarvan intrusies, lavastromen en vulkaanpijpen gekend zijn.
Het is ontsloten in de Ardennen (Massieven van Stavelot, van Rocroi en
van Serpont) en vormt het voetstuk van Brabant (Massief van Brabant) en
Vlaanderen; 2. Devoon-Carboon: tijdens het Onder-Devoon ontstonden
afbraakproducten van het Caledonische gebergte met conglomeraten,
zandstenen en schalies. In de van het zuiden opkomende transgressie van
de Midden-Devoonzee werden in toenemende mate kalkstenen en koraalriffen
gevormd. Na regressie vond in het Boven-Carboon steenkoolvorming plaats
in de Bekkens van Namen en de Kempen, die toen met moerassige lagunes
overeenkwamen. Tijdens de Variscische gebergtevorming ontstonden het
anticlinorium van de Ardennen met zwak metamorfisme, en het synclinorium
van Dinant, gescheiden van het Bekken van Namen door de belangrijke
Midi-verschuiving (as Namen-Luik). Dat bekken werd intens geplooid en
verbrokkeld. Het reeds verharde Caledonische Massief van Brabant
fungeerde als stootblok tegen deze zuidelijke actieve tektoniek, en
beschermde het noordelijk gelegen Bekken van de Kempen, dat slechts
verticale verzakkingen onderging.
Het Mesozoïcum wordt gekenmerkt door een afvlakking van het Variscisch
gebergte tot een schiervlakte met bijbehorende afbraakgordel, gevolgd
door belangrijke mariene transgressies, die nagenoeg het hele land
overspoelden. Tijdens het Trias-Jura vonden continentale afzettingen
plaats in de ondergrond van de noordoostelijke Kempen, terwijl in
Belgisch Lotharingen afwisselende lagen zandsteen, mergel en kalksteen
de zeeschommelingen van het Bekken van Parijs registreerden. De uit het
Krijt voortkomende dominerende mariene krijtlagen en sporadische kleien
komen in nagenoeg heel België voor. Zij dagzomen echter in Herve,
Haspengouw en Hene en getuigen van een uit het westen komende
Krijtzee-inundatie, die vermoedelijk het grootste gedeelte van België
overspoelde.
Het Kaenozoïcum omvat de geleidelijke terugtrekking in noordelijke
richting van de Tertiaire en Vroeg-Kwartaire zeeën, met geleidelijke
vorming van het Noordzeebekken en de gelijktijdige afbraak van het
blootvallend continent. Tijdens het Paleogeen werden zand- en kleilagen
afgezet in een ondiepe zee, die eveneens het Bekken van Londen en van
Parijs omvatte, met in België een noord-zuid kustlijn langs de rand van
de Ardennen. Op het einde van het Oligoceen is de verre weerslag van de
alpine plooiing merkbaar, waardoor de landrug van Artesië oprees, het
Bekken van Parijs droogviel, de Noordzee zich ver naar het noorden
terugtrok en Engeland met het continent werd verbonden. Tijdens het
Neogeen ontstonden Miocene-Pliocene stranden en ondiepe zeeafzettingen
met stootsgewijze transgressies, die in afnemend belang het noorden van
België overspoelden en vooral oost-west gerichte kustlijnen
ontwikkelden. De laatste van deze reeks transgressies is uitgelopen tot
in het Kwartair. Verdere opheffing van de Ardennen vond plaats, alsook
daling van het Noordzeebekken tot in het Kwartair.
Het Kwartair omvat hoofdzakelijk continentale afzettingen gedurende de
glaciale perioden en deels mariene afzettingen gedurende de gematigde
interglaciale perioden. In het Pleistoceen werd riviergrind van de
Maaspuinkegel afgezet in Limburg en grind en zand van de Schelde in
Binnen-Vlaanderen; eolische dekzanden ontstonden in het noorden en löss
in Midden-België vooral, van Würm-ijstijdouderdom.
Sporadisch mariene zanden en kleien getuigen van Laat-Kwartaire
transgressies in het noorden van Vlaanderen tijdens interglaciale
perioden. Tijdens het Holoceen vonden mariene zand- en kleiafzettingen
in de Zeepolders en Scheldepolders en duinvorming plaats. Alluviale
klei, zand en veen werden gevormd langs de rivieren.
1.4 Klimaat
België heeft een gematigd zeeklimaat. Wel treden van streek tot streek
aanzienlijke verschillen op. Op basis van het verschil tussen de
gemiddelde temperatuur van de koudste en de warmste maand van het jaar
kan men drie klimaattypes onderscheiden: 1. Het maritiem klimaat komt
hoofdzakelijk voor aan de kust en licht landinwaarts. Door de matigende
invloed van de Noordzee is het gemiddelde temperatuurverschil tussen de
warmste en de koudste maand in deze streek dan ook het kleinst, nl. 13,9
°C (het verschil tussen 16,9 °C in de zomer en 3 °C in de winter); 2.
het gewijzigd maritiem klimaat heerst in Midden-België en de Kempen.
Door de grotere afstand tot de zee is het gemiddelde temperatuurverschil
hier iets groter, wat is toe te schrijven aan de snellere afkoeling 's
nachts en de vluggere opwarming overdag. Het bedraagt 14,7 °C (het
verschil tussen de gemiddelde temperatuur voor juli: 17,2 °C, en die
voor januari: 2,5 °C); 3. het gewijzigd continentaal klimaat komt voor
in het bergachtige gebied ten oosten van Samber en Maas. Hier is de
invloed van de zee het geringst en is de gemiddelde jaaramplitudo dan
ook het grootst, nl. 15,5 °C (het verschil tussen 15,1 °C voor juli en
-0,4 °C voor januari). Het feit dat het zomermaximum niet meer bedraagt,
ondanks de meer continentale invloed, is te wijten aan de hogere ligging
van het terrein.
De vier meest voorkomende atmosferische toestanden boven België zijn: 1.
regenachtig en vrij zacht weer tijdens de winter: de Atlantische
storingen bewegen zich tussen de subtropische anticycloon van de Azoren
en de depressie nabij IJsland en trekken over West-Europa; 2. mooi maar
koud weer tijdens de winter: onder de invloed van een uitloper van de
continentale anticycloon stroomt koude en droge continentale lucht
België binnen; 3. regenachtig en vrij fris weer tijdens de zomer:
regengebieden worden langs de noordelijke flank van het
Azoren-hogedrukgebied naar West-Europa gestuurd; 4. mooi en warm weer
tijdens de zomer: de anticycloon boven Scandinavië en Centraal-Europa
voert droge en zeer warme continentale lucht aan. Lagedrukkernen die
boven de Golf van Biskaje en Frankrijk tot ontwikkeling komen, stellen
vaak met felle onweersbuien een einde aan dit weertype.
De normale gemiddelde luchtdruk op zeeniveau bedraagt te Ukkel 1015, 6
mbar. De uiterste afwijkingen kunnen maximaal 33 mbar hoger en 50 mbar
lager dan de normale waarde liggen. De windsnelheid wordt in sterke mate
bepaald door de afstand tot de zee.
De jaarlijkse gemiddelde temperatuur schommelt tussen ongeveer 10 °C in
Laag-België en nagenoeg 6 °C in de Hoge Venen. Juli en augustus zijn
gemiddeld de warmste en januari en februari de koudste maanden.
De gemiddelde jaarlijkse neerslag schommelt tussen 1400 mm (liter/m2)
plaatselijk in Hoog-België en ongeveer 800 mm aan de kust en in
Midden-België. De grootste hoeveelheden vallen in Laag- en Midden-België
tijdens juli en augustus (onweersbuien) en in Hoog-België tijdens
november en december (stijgingsregens bij Atlantische storingen). Het
gemiddelde aantal dagen met meetbare neerslag (ten minste 0, 1 mm)
bedraagt tweehonderd per jaar. Het aantal onweersdagen schommelt
jaarlijks tussen 75 en 90. De maximale dikte van de sneeuwlaag die
gemiddeld in één winter op twee bereikt of overtroffen wordt, neemt toe
met de hoogte. Zij varieert gemiddeld van 6 cm aan de kust tot meer dan
30 cm op de Ardense hoogvlakten.
1.5 Plantengroei
Op zijn kleine oppervlakte vertoont België een betrekkelijk rijke flora:
een 1300 soorten vaatplanten, een zelfs groter aantal wieren, het
ongeveer viervoudige aantal zwammen en korstmossen en ongeveer het halve
aantal lever- en bladmossen. Deze relatieve rijkdom spruit voort uit het
feit dat verscheidene grote floristische stromingen elkaar in België
ontmoeten. De Atlantische flora en de Midden-Europese flora leverden
zeer vele elementen. Enkele van de meest noordelijke vertegenwoordigers
van de submediterrane flora bereikten België, bijv. de spekwortel, het
Apennijns zonneroosje (Helianthemum apenninum), het palmboompje, de
wollige sneeuwbal (Viburnum lantana). Verscheidene submontane planten,
waaronder grassen als het bergbeemdgras (Poa chaixii) en het
boszwenkgras (Festuca altissima) en voorts de kransbladsalomonszegel, de
witte veldbies (Luzula luzuloides) en het peperboompje, komen in de
hoogste delen van België voor. Onder de soorten vaatplanten komt een
400-tal bijna overal voor en enkele tientallen zijn echte ubiquisten
(overal voorkomend), o.a. de grote brandnetel, het herderstasje en het
straatgras.
Districten en subdistricten. Het zeedistrict omvat de duinen en de
erachter gelegen zeepolders. De slikken en schorren hebben een
uitgesproken halofytenvegetatie. Duinvorming begint rondom plantjes van
biestarwegras en gaat verder, vnl. dankzij de helm. Deze jonge,
beweeglijke, kalkrijke duinen worden geleidelijk vastgelegd en begroeid
met een duinstruweel, waarin de duindoorn de meest opvallende
plantensoort is. De door dijken beschermde polders zijn nagenoeg
volkomen in cultuur gebracht.
Het Vlaams-Kempens district omvat het westelijke deel van de Kempen en
Zandig Vlaanderen, dit laatste een tot het eikenwoud van het
West-Europese Atlantische gebied behorende laagvlakte. Natuurlijke, niet
door de mens beïnvloede bossen zijn er niet in overgebleven. Het
grootste deel van deze bossen werd reeds vanaf de vroege Middeleeuwen
gerooid en in cultuur gebracht. In de Kempen, oorspronkelijk eveneens
tot het eikenwoud behorende, verdwenen reeds vroeg grote oppervlakten
bos, die in heide overgingen. Tot ver in de 20ste eeuw besloeg deze
heide een uitgebreide oppervlakte; een groot gedeelte is thans in
cultuur gebracht, o.m. door het aanplanten van grove den en zeeden. Het
subdistrict van het Kempens plateau, het oostelijke deel van de Kempen,
omvat verscheidene ondiepe vennen in de streek van Genk met een nog
rijke flora.
Het gehele Picardische-Brabantse district is bedekt met een laag löss.
Het westelijke deel is een laagvlakte. Van de bossen, die tot het
eiken-beukenbos met Atlantisch karakter behoren, bleef weinig over: veel
eik is er door beuk vervangen (Zoniënwoud). Het zachtglooiende
oostelijke deel is bijna volkomen cultuurland geworden. De enkele
bospercelen behoren tot het Midden-Europese eiken-haagbeukenbos. In de
subdistricten Tussen-Samber-en-Maas en Condroz van het Ardens district
bereiken op de oude hoogvlakten talrijke submontane plantensoorten de
Belgische flora; de Samber- en de Maasvallei vormen blijkbaar een
barrière tegen meer noordelijke verspreiding. De Maasvallei zelf
vertoont op de dalflanken, dankzij een betrekkelijk zacht klimaat,
submediterrane plantensoorten: Apennijns zonneroosje, palmboompje. De
leemgronden in deze streek zijn door culturen ingenomen. Indien de
leemlaag te dun is of ontbreekt, kunnen óf zandsteen en schalie, óf
kalksteen hun invloed op de flora en vegetatie laten gelden. Bossen van
een sterk verschillend type kunnen op deze twee min of meer verweerde
gesteenten tot ontwikkeling komen. Door degradatie van deze bossen zijn
de floristisch zo rijke droge weiden ontstaan; de grassoorten zijn op de
droogste plekken blauwgras, op minder dorre plaatsen bergdravik en
gevinde kortsteel. Onder de akkeronkruiden van de vroeger in het
oostelijke deel van de Kalkstreek veel verbouwde spelt kwam vroeger de
Ardense dravik voor, de enige Belgische endemische plantensoort, voor
het laatst in 1935 gesignaleerd. In het uiterste oosten (krijt) komen
droge weiden voor, o.a. op de St.-Pietersberg, analoog met die op de
harde kalksteen van Tussen-Samber-en-Maas.
Het district van de Hoge Ardennen omvat een aantal hoge plateaus met
meestal zure bodems. Het wordt grotendeels door beukenbos ingenomen. Ook
zijn grote oppervlakten met hoogstammige spar beplant. Een aantal
submontane plantensoorten komt hier voor, zoals bergbeemdgras (Poa
chaixii) en kransbladsalomonszegel. De Hoge Ardennen worden gekenmerkt
door uitgestrekte hoogvenen, waarin talrijke moeilijk te onderscheiden
veenmossoorten, eenarig wollegras en rijsbes voorkomen.
Het Lotharings district heeft, dankzij zijn mild klimaat, verscheidene
submediterrane plantensoorten. Er zijn uitgestrekte bossen uit beuk,
haagbeuk en eik. Aan de bovenloop van de Semois komen karakteristieke
alkalische moerassige gebieden met verscheidene soorten wollegras en
zegge voor.
1.6 Dierenwereld
De groeiende verstedelijking, de vervuiling van de waterlopen, het
uitblijven van een doelmatige regeling inzake natuurbescherming e.a.
leiden tot een dubbel ongunstig gevolg. Enerzijds gaat een aantal
diersoorten definitief verdwijnen, hetzij door moedwillige uitroeiing,
hetzij als (mede)slachtoffers van een overmatige chemische bestrijding;
anderzijds ontwikkelen sommige soorten zich door het ontbreken van hun
natuurlijke vijanden tot ware plagen. Aldus zijn o.a. verdwenen: wolf,
tuimelaar, raaf, steur en zalm. Op het punt te verdwijnen staan: wilde
kat, otter, aalscholver, roerdomp, elrits, zeelt, enz., evenals
verscheidene groepen lagere dieren. Wel hebben sommige interessante
diersoorten zich kunnen handhaven in de Ardennen en in enkele min of
meer gaaf gebleven natuurgebieden. Plagen komen periodiek en plaatselijk
voor, o.a. van muskusrat en veldmuis, wespen en muggen.
Plaatselijk komen nog vrij algemeen voor het konijn, de haas en de
eekhoorn, eikel-, rel- en hazelmuizen, ratten-, muizen- en
woelmuizensoorten; de hamster vooral in Haspengouw. Mol, egel en een
vijftal spitsmuizensoorten zijn algemeen verspreid, zo ook verscheidene
van de ongeveer twintig voorkomende vleermuissoorten. Vos, hermelijn en
steenmarter zijn zeldzaam, de bunzing algemener. Everzwijn en ree komen
voor in de Kempen en meer nog in de Ardennen; aldaar ook het edelhert.
Zeehonden leven voor de kust en bruinvissen spoelen geregeld aan.
De vogelfauna telt ongeveer 350 soorten, maar niet alle vogels zijn
stand- of broedvogels; vele zijn slechts doortrekkers of dwaalgasten. De
reptielen en amfibieën zijn minder sterk vertegenwoordigd. Hazelworm en
enkele hagedissoorten zijn plaatselijk algemeen, een drietal
slangensoorten zeldzamer. Naast een tiental padde- en kikkersoorten zijn
salamanders algemeen in heel het land; bepaalde soorten zijn echter vrij
strikt geografisch beperkt.
Van de ongeveer 150 vissoorten leven er ca. tweederde in zee en eenderde
in zoetwater. De vormenrijkdom van de mariene ongewervelde fauna is
aanzienlijk beperkt door de eenvormigheid van het kustgebied. Toch komen
in de uiterste zuidwesthoek bij De Panne enkele meer zuidelijke schelpen
voor, zoals bijv. het koffieboontje; op de havenhoofden en vooral op de
pier te Zeebrugge o.a. het golfbrekeranemoontje en de zeeanjelier; in de
spuikom te Oostende treft men een opmerkelijke vormenrijkdom aan, o.a.
van Draadwormen, terwijl bijv. de zeeduizendpoot en het manteldier
Botryllus er buitengewone afmetingen kunnen aannemen. Waar elementen van
zoet en zout water elkaar ontmoeten, komen ook soorten voor die typisch
zijn voor dit brakke gebied, zoals de steurgarnaal.
Duinen en heide herbergen hun eigen dierenwereld; in de Kempische
vennen, in laagveen en hoogveen houden zich soorten op die kenmerkend
zijn voor het zure milieu. In de grotten van de Kalkstreek leeft een
bijzondere holenfauna en waar speciaal in Belgisch Lotharingen naar het
zuiden gerichte hellingen een gunstig microklimaat vormen, handhaven
zich zuidelijker vormen, zoals de bidsprinkhaan.
Telefoongids België
Postcodes
België
|