|
1. Fysische geografie
Landschappelijk bestaat Birma voornamelijk uit noord-zuid verlopende
bergketens, voortzettingen van het Himalajasysteem, waarmee zij ook
geologisch verwant zijn. In het noorden liggen de Manipur en het
Patkaigebergte (ca. 4000 m hoog), meer naar het zuiden het Chingebergte
met als zuidelijke voortzetting het Arakan-Yomagebergte, het
Pegu-Yomagebergte, het Shanhoogland en het Shangebergte. Tussen deze
ketens liggen de langgerekte dalen van de grote rivieren Irrawaddy,
Sittang en Salween. In het zuiden vormt de Irrawaddy een uitgestrekte
delta, waarin geïsoleerd enkele vulkanen liggen (vnl. slijkvulkanen).
Klimatologisch onderscheidt Birma zich van de overige delen van
Zuidoost-Azië ten gevolge van de noordelijker en gemiddeld hogere
ligging. Er heerst een tropisch moessonklimaat met een gemiddelde
temperatuur van maximaal 39 °C, minimaal 15 °C. Afgezien van de
kuststreken kent Birma, in tegenstelling tot de rest van Zuidoost-Azië,
een droge tijd; de regentijd duurt van mei tot oktober. De neerslag is
aan de westkust zeer groot (5000 mm per jaar) en neemt meer naar het
binnenland, afhankelijk van het reliëf, af tot 625 mm. In gebieden met
een gemiddelde hoogte van 1000 m komt vorst voor; boven 2000 m ligt
ongeveer twee maanden (december en januari) per jaar sneeuw.
De plantengroei in het noorden en deels het westen bestaat uit tropisch
regenwoud (waarin veel teakhout), meer landinwaarts overheerst gemengd
eiken- en naaldwoud, terwijl het centrale deel wordt gevormd door
moessonwoud met in de kern een droog steppegebied met doornstruiken. In
het zuiden (de Irrawaddy- en Salweendelta) ligt het met rijst beplante
cultuurland. Langs vrijwel de gehele kust liggen mangrovebossen.
De dierenwereld van Birma behoort tot die van de Oriëntaalse Regio en
bestaat vnl. uit die van het regenwoud. Deze fauna is zeer rijk en omvat
o.a. grote planteneters als wilde runderen, herten en olifanten (die
o.a. in de bosbouw een gestadig afnemende rol spelen), apen (o.a.
gibbons) en roofdieren als tijger en panter. Met natuurbescherming is
nog nauwelijks een begin gemaakt.
2. Bevolking
Verreweg de grootste groep is die van de Birmanen. De tien belangrijkste
etnische minderheden vormen 30% van de bevolking, waaronder de Karen,
Shan, Kachin, Mon, Arakanezen en Wa. Chinezen vormen de grootste
allochtone bevolkingsgroep.
De bevolkingsgroei bedraagt jaarlijks gemiddeld 1, 9%; het
dichtstbevolkt zijn de rivierdalen. Ca. 25% van de bevolking leeft in de
steden, waarvan de grootste zijn: Rangoon (2,5 miljoen inw.), Mandalay
(535.000 inw.) en Moulmein (225.000 inw.).
Officiële taal is het Birmees. Daarnaast worden vele andere talen
gesproken. Engels is handelstaal. Birma kent vrijheid van godsdienst.
Ca. 90% van de bevolking is boeddhist en hangt de theravada- (of
hinayana)richting aan; 5% is christen (vooral baptisten) en 4% is
islamiet (soennieten). De stamreligies van de bergvolkeren zijn
sjamanistisch.
3. Bestuur en samenleving
3.1 Bestuur en politieke partijen
De grondwet van 1974 werd in 1988 na de militaire coup buiten werking
gesteld. Een nieuwe grondwet, die o.a. moet voorzien in een scheiding
van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en de invoering van
een meerpartijenstelsel, was in 1997 nog in voorbereiding. Ondertussen
ligt alle macht bij het leger, dat het land bestuurt door een uit 21
militairen bestaande Staatsraad voor het Herstel van Rust en Orde. De
ministerraad is het uitvoerende orgaan van deze raad. Voorzitter van de
Staatsraad is de president. Het in vrije verkiezingen (in 1990) gekozen
éénkamerparlement (Pyithm Hluttaw) heeft als enige taak het voorbereiden
van een nieuwe grondwet. Veel van de afgevaardigden zijn echter
ondergedoken uit angst voor arrestatie. De eenheidspartij is de National
Unity Party (NUP, voorheen BSPP). De grootste oppositiepartij is de
National League for Democracy, die in 1990 60% van de stemmen haalde,
maar systematisch door het regime wordt tegengewerkt.
3.2 Administratieve indeling
Birma is verdeeld in zeven uniestaten.
3.3 Lidmaatschap van internationale organisaties
Birma is lid van de Verenigde Naties en van het Colomboplan. Birma voert
een neutralistische politiek en rekent zich tot de groep van
niet-gebonden landen.
4. Economie
Sinds de machtsovername door de militairen in 1962 heeft Birma een
centraal geleide economie. Nationaliseringen hebben plaatsgevonden in de
sectoren van industrie, transport, binnen- en buitenlandse handel en
geldwezen; ook het monopolie van de rijsthandel berust bij de overheid.
Met behulp van meerjarenplannen die voorzien in industrialisering,
landhervorming, aanleg en verbetering van wegen en vliegvelden tracht de
regering de ontwikkeling van de economie te beheersen en te stimuleren.
De doelstellingen van de ontwikkelingsplannen worden echter niet
bereikt. Het ontwikkelingsplan voor 1986-1990 heeft als doelstellingen
de economische zelfvoorziening te verhogen, investeringen te stimuleren,
het exportpakket te diversificeren, het begrotingstekort te verlagen en
de afhankelijkheid van de buitenlandse financiële hulp te verminderen.
Bedroeg de groei van het bnp van 1980 tot 1992 0,8%, in 1995/1996 was
deze al 7,7%. De inflatie was van 1985 tot 1994 25% (in 1995 32,6%). De
wisselkoers van de kyat is sterk overgewaardeerd. Aangezien de overheid
de gevraagde consumptiegoederen niet kan leveren staat zij de zwarte
markt toe om de onvrede onder de bevolking niet te vergroten.
De economie van Birma berust op landbouw (rijst), mijnbouw, de winning
van hout (teak) en aardolie. Van de beroepsbevolking (1987: 15,13
miljoen) is 70% werkzaam in de landbouw, 9% in de industrie en 22% in
andere sectoren. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking
bedroeg in 1992 $ 250.
Verreweg het belangrijkste gewas is rijst, vnl. verbouwd in de Irrawaddy-
en Sittangdelta's. Overige gewassen: suikerriet, peulvruchten en katoen.
Aan de Tenasserimkust zijn rubberplantages. Sinds het midden van de
jaren zestig kampt de landbouw en vooral de rijstverbouw met twee grote
problemen: de prijs op de wereldmarkt voor rijst is gezakt en de
binnenlandse particuliere vraag is gestegen bij een stagnerende
productie. De veehouderij staat in dienst van de akkerbouw. Belangrijk
is de bosbouw, m.n. de winning van teakhout en hardhout. Overexploitatie
leidt op grote schaal tot ontbossing.
In de mijnbouw en energievoorziening neemt de aardoliewinning een
belangrijke plaats in. Voorts worden lood, zilver, wolfraam, tin, jade,
robijnen en saffieren gedolven. Waterkracht- en aardgascentrales leveren
90% van de elektriciteitsvoorziening. De krachtcentrales zijn eigendom
van de overheid.
De industrie is vooral gericht op de verwerking van mijnbouw- en
landbouwproducten, m.n. rijst, suikerriet en textiel. De productie van
eindproducten en halffabrikaten is niet van betekenis voor de export. Er
zijn aardolieraffinaderijen in de steden rond Rangoon. De verschillende
delfstoffen worden veelal ter plaatse geraffineerd. Rangoon is het
belangrijkste industriecentrum. In 1964 werden alle handelsondernemingen
genationaliseerd. Het tekort aan consumptiegoederen, vooral
geïmporteerde goederen, steeg, evenals de prijzen. De afgelopen tien
jaar is er sprake van een tekort op de handelsbalans (1985: $ 202,1
miljoen). De uitvoer omvat: rijst (30% van de exportwaarde), teak,
peulvruchten, vis en katoen. De invoer: machines, kunstmest en sinds
1980 aardolie. De belangrijkste handelspartners zijn China, Singapore en
Maleisië.
De betalingsbalans kampt met een chronisch tekort ondanks de financiële
hulp van de Asian Development Bank. Japan en Duitsland zijn de grootste
donorlanden. Rente en aflossing van de schuld aan het buitenland
bedroegen in 1986 51% van de exportwaarde. Sinds de nationalisatie van
het bankwezen in 1963 is de Union of Burma Bank de centrale bank.
Van oudsher is de binnenscheepvaart het belangrijkste middel van
transport in de Irrawaddydelta. De belangrijkste zeehavens zijn die van
Rangoon, Bassein, Moulmein en Sittwe. De spoorwegen zijn een
staatsmonopolie. In Arakan, aan de westkust, en Tenasserim, de smalle
landtong in het zuiden, zijn geen spoorwegen. De beruchte
Birma-Siam-spoorweg loopt van Ban Pong in Thailand naar Thanbyuzayat ten
zuiden van Moulmein. Tot de onafhankelijkheid was het wegennet beperkt
tot de delta's van de Irrawaddy en de Sittang. Er wordt gewerkt aan de
constructie van een samenhangend wegennet. Het luchtverkeer is in handen
van de Burma Airways Corporation (BAC), die de nationale en
internationale verbindingen onderhoudt. Rangoon en Mandalay hebben
internationale luchthavens.
5. Toeristische
gegevens
In de jaren zeventig heeft Birma geleidelijk zijn grenzen beperkt
geopend voor het toerisme. De grootste trekpleisters zijn Pagan (de
beroemde Pagan-tempel is bij een aardbeving in 1975 verwoest), Rangoon
(o.m. de Shwe-Dagon-stupa), de voormalige hoofdstad van het
Mon-koninkrijk Pegu, Mandalay en het op 1500 m hoogte gelegen Taunggy,
van waaruit tochten gemaakt kunnen worden naar het fraaie Inlemeer,
omgeven door oude tempels en houten paleizen van de vroegere
Shan-koningen; Sandoway aan de westkust is een badplaats. De beste tijd
voor een bezoek aan Birma zijn de maanden sept. tot april.
6. Geschiedenis
6.1 Ontstaan; perioden van onderlinge strijd
Birma kwam reeds in de eerste eeuwen n.C. in aanraking met de
hindoebeschaving. In de 5de eeuw deed het Mahayanaboeddhisme zijn
intrede. Het oudste volk was dat van de Pjoe (Pyu), dat een rijk
stichtte, waarvan het centrum te Prome (Sjriksjetra) lag. In het zuiden,
in de Irrawaddydelta, lagen de koninkrijken van de Mon; hun
machtscentrum lag te Pegu (Hamsavati). Sinds de 8ste eeuw was het
noorden van Birma bewoond door de Shan, onderworpen aan het
Thai-vorstendom Nantsjao, in de tegenwoordige Chinese prov. Yunnan. De
eigenlijke Birmanen kwamen in de tweede helft van de 9de eeuw vanuit
Zuid-China naar het zuiden, waar zij zich vooral vestigden in het gebied
van de middenloop van de Irrawaddy, rond Kyaukse (de
'rijstvoorraadschuur'). De stichter van het rijk, Anawrahta (1044-1077),
onderwierp de Mon. De verovering van Thaton bracht hem in contact met
het Ceylonees Hinayanaboeddhisme, dat het Mahayana ging vervangen. Onder
de koningen van de Pagan-dynastie bereikte Birma de eerste periode van
eenheid en grote bloei (1044-1287).
De Mongoleninvallen van de 13de eeuw hadden ook invloed in Achter-Indië.
In 1253 veroverde Koebilai Chan Nantsjao. De sterkere binnenstroming van
Thaivolken (vnl. Shan) leidde tot het verval en de versnippering van
Birma. Toen de laatste vorst van de Pagan-dynastie was vermoord (1287),
veroverden de Chinezen het noorden van het land; na hun aftocht waren de
Shan er heer en meester. Enige eeuwen was Birma verdeeld in diverse
staatjes. In de delta herrees het Mon-koninkrijk van Pegu, dat
langdurige oorlogen voerde tegen de Siamezen en de Shan, tot het in 1539
door de Birmanen werd onderworpen. Aan de middenloop van de Irrawaddy
ontstond een vorstendom te Ava (1350).
Ca. 1280 vestigde zich een Birmaanse dynastie te Toungoo. Deze verenigde
in het begin van de 16de eeuw geheel Birma onder haar gezag. Birma begon
zijn veroveringen onder Tabinsjwehti, die in 1539 Pegu onderwierp. De
grootste uitbreiding bereikte het rijk onder Bayinnaung (1551-1581).
Onder hem vielen de eerste grote oorlogen tegen Siam (Thailand), die tot
de verovering van dat land leidden. Deze verovering was echter niet
blijvend, zoals ook de eenheid van Birma zelf slechts uiterlijk en
oppervlakkig was: er waren altijd wel ergens opstanden te onderdrukken.
De hoofdstad, oorspronkelijk te Pegu, werd in 1635 overgebracht naar Ava;
op het moment dus dat in Zuidoost-Azië het zeeverkeer toenam, vestigden
de Birmaanse vorsten zich in het binnenland, waardoor zij zich (anders
dan de Siamese koningen) afsloten van het internationale verkeer.
Overigens lag Birma toch al voor de westerse handel enigszins buiten de
route. Er waren in de 17de eeuw weliswaar Portugese avonturiers en soms
waren er vestigingen van Engelsen, Fransen en Nederlanders, maar de
handel werd zeer bemoeilijkt door de isolationistische politiek van de
Birmaanse koningen en de rigoureuze wijze waarop zij hun
handelsmonopolie handhaafden.
De Toungoo-dynastie kwam ten val toen in 1740 een algemene Mon-opstand
de Birmaanse overheersers uit de delta verjoeg. In 1752 veroverden de
Mon Ava. Hun hegemonie duurde echter kort: in datzelfde jaar begon
Alaungpaya een tegenoffensief. In de loop van enkele jaren heroverden de
Birmanen de verloren gegane gebieden in een afschuwelijke oorlog, die
vrijwel tot de uitroeiing van de Mon leidde. Onder de Konbaung-dynastie
(1752-1885) trad Birma, voor de derde maal tot eenheid gesmeed,
uitermate agressief op. In 1767 veroverde het Siam, waarbij Ayuthia
volledig werd verwoest. De onderwerping van Siam was ook nu niet
definitief. Onder de hardvochtige Bodawpaya (1782-1819) bereikte Birma
de grootste uitbreiding: Assam en Arakan werden onderworpen. Na zijn
dood kwam men in conflict met de Engelsen.
6.2 Onder Brits bestuur
In een drietal oorlogen werd Birma door de Engelsen veroverd en ten
slotte als provincie van Brits-Indië bestuurd. Birma maakte nu een
belangrijke economische ontwikkeling door. Het meest opvallend was de
uitbreiding van de rijstproductie in de delta. Daarentegen leidden de
nieuwe kapitalistische invloeden tot vervreemding van het landbezit van
de boeren en een toenemende macht van de - vnl. Indische -
geldschieters. Belangrijk was de exploitatie van de olievelden te
Yenangyaung. In de 20ste eeuw kwam de nationalistische beweging op,
vooral in de jaren van de wereldcrisis. Deze was tegelijk anti-Brits en
anti-Indisch. De meest radicale opstelling kozen de aanhangers van de
studentenleider Thakin Nu, gegroepeerd in de Do Ba Ma Asiayone (Eng. =
We Burmans Association), ook wel de Thakin-beweging genoemd. Van de
belangrijkste nationalistische leiders Aung San, U Nu en Ba Maw
behoorden beide eerstgenoemden tot deze beweging.
In 1937 werd Birma administratief van Brits-Indië afgescheiden. Het
kreeg een eigen regering onder Ba Maw. De Japanse bezetting (1942)
speelde de nationalistische beweging in de kaart. Steunden regering en
Thakin-beweging aanvankelijk het Japanse regime, dat ze als een kracht
zagen die hen van de Britten zou bevrijden, toen eenmaal zijn
uitbuitende karakter bleek, organiseerde zich een sterke oppositie in de
Anti-Fascist People's Freedom League (AFPFL), geleid door Aung San. In
1945 heroverden de Engelsen Birma. De AFPFL bleek nu de belangrijkste
kracht in de strijd voor de onafhankelijkheid. De Britse regering zegde
op een conferentie in Londen in 1946 volledige onafhankelijkheid toe.
Nog voor de onafhankelijkheid werd Aung San, inmiddels premier geworden,
door uiterst rechtse elementen onder U Saw vermoord, tezamen met een
aantal leden van zijn kabinet (19 juli 1947). U Nu werd premier.
6.3 Birma als onafhankelijke staat
Op 4 jan. 1948 werd Birma onafhankelijk. Het maakte zich los uit het
Britse Gemenebest. De problemen van de regering waren vele;
opstandigheid van communistische groepen bracht het land aan de rand van
de afgrond. Economisch baarde de positie van het land zorgen door de
verminderde afzetmogelijkheden voor rijst. Op het platteland bleef het
onrustig. Onder druk hiervan en tegen de achtergrond van het zich
aftekenende conflict tussen Washington en Moskou gingen communistische
groeperingen in de illegaliteit.
Een andere rebellie kwam uit een totaal andere hoek en wel die van de
Karen, sinds eeuwen een minderheidsgroep. Gedurende het Britse bewind
had de zending in een aantal Karen-gebieden een zekere aanhang gekregen.
In de periode voor de Tweede Wereldoorlog waren de Britten er steeds op
uit om de Karen als tegenwicht tegen Birmaanse nationalistische
aspiraties te gebruiken. Ten gevolge van de opstanden strekte het gebied
van U Nu's regering zich in deze dagen niet veel verder uit dan de
onmiddellijke omgeving van Rangoon. Maar als gevolg van de onderlinge
verdeeldheid van de verschillende opstandige bewegingen bleef de
regering in het zadel. Een legereenheid van de Kwo-min-tang week na de
nederlaag tegen de Chinese communisten in 1949 naar Birmaans gebied (in
de Shan-staten) uit en opereerde daarvandaan op eigen gezag, kennelijk
met steun van Amerikaanse en Taiwanese zijde. Deze Kwo-min-tang-troepen
konden zich vrij lang in het noorden van Birma handhaven. Dit leidde tot
een Birmaans-Amerikaanse verkoeling. In maart 1953 weigerde Birma daarom
om nog verder Amerikaanse economische hulp te accepteren. Met de
verkoeling van de verhouding tussen Birma en de Verenigde Staten ging
een zekere mate van toenadering tot de Volksrepubliek China gepaard.
Birma geraakte geleidelijk in het vaarwater van het zgn. neutralisme en
werd mede in verband hiermee een van de initiatiefnemers van de
A.A.-Conferentie (zie niet-gebonden landen). De neutralistische U Nu
moest echter, nadat in april 1956 bij verkiezingen de communisten een
grote winst hadden geboekt, het veld ruimen voor de meer pro-Westerse U
Ba Swe in wat als een semi-staatsgreep kan worden aangeduid. In jan.
1958 keerde hij echter weer als premier terug. Maar de
meningsverschillen tussen hem en de factie van U Ba Swe, die
vice-premier werd, bleven aanhouden. Als arbiter trad in juni 1958 op de
opperbevelhebber van het leger, Ne Win, indertijd Aung Sans militaire
assistent. In okt. 'verzocht' U Nu deze een interimregering te vormen.
Begin 1960 werden nieuwe verkiezingen gehouden, waarin U Nu een grote
overwinning behaalde. U Nu werd opnieuw premier. Ne Win liet in maart
1962 U Nu en de regering arresteren en stelde een revolutionaire raad
onder eigen voorzitterschap samen, waarvan de meerderheid van de leden
militair was. Birma werd nu een militaire dictatuur. De junta volgde in
de jaren daarna een economische politiek van staatsingrijpen en
nationalisaties van buitenlandse en veel binnenlandse ondernemingen. De
in 1972 in gang gezette hervormingen leidden in 1974 tot verkiezingen
voor het parlement en een nieuwe grondwet. Ne Win trad in 1981 af als
president na aanhoudende protesten als gevolg van de onvrede onder de
bevolking over het gevoerde beleid. Na verkiezingen werd in nov. een
nieuwe regering onder San Yu geïnstalleerd. San Yu werd bij de
verkiezingen van 1985 herkozen (hij was de enige kandidaat). De onrust
in het land leidde tot zijn aftreden. In juli 1988 werd Sein Lwin
aangewezen als nieuwe president. Na de bloedig onderdrukte volksopstand
van 12 aug. trad hij af. Op 19 aug. werd de eerste burgerpresident sinds
26 jaar, Maung Maung, geïnstalleerd. De militairen zagen hun macht
teruglopen en op 18 sept. 1988 pleegde generaal Saw Maung een
staatsgreep, waarna hij de Unie van Birma uitriep. Hij werd in 1992
vervangen door generaal Than Shwe. Generaal Ne Win, in 1962 via een
militaire staatsgreep aan de macht gekomen, oefent nog steeds macht uit
achter de schermen.
De
oppositie onder leiding van Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi - zie
foto, die in 1990 de democratische verkiezingen gewonnen had, werd
door de militairen niet tot de regering toegelaten.
Mensenrechtenschendingen worden veelvuldig gerapporteerd.
Nadat de Staatsraad voor Herstel van Orde en Gezag (SLORC) in okt. 1993
een bestand had gesloten met de Kachin-rebellen, en de
Shan-onafhankelijkheidsbeweging zich diezelfde maand met de junta had
verzoend, veroverde het regeringsleger in jan. 1995 na jarenlange strijd
Manerplaw, het hoofdkwartier van de Karen National Union, de oudste en
een van de machtigste oppositiegroepen. Daarmee viel de oppositionele
Democratische Alliantie van Birma definitief uiteen. In hetzelfde jaar
gaf de afscheidingsbeweging Mong Tai Army (MTA) van opiumkoning Khun Sa
zich zonder verzet over aan de regeringstroepen. Het huisarrest van Aung
San Suu Kyi werd in 1995 na bijna zes jaar opgeheven, maar een congres
van haar partij werd in 1996 verhinderd door massale arrestaties van
vooraanstaande partijleden. Volgens Amerikaanse schattingen besteedde de
overheid bijna de helft van haar uitgaven aan de strijdkrachten.
Telefoongids Birma
Postcodes
Birma
|